De 'twee van Breda' en Psalm 51
1989-03-17
De aanleiding tot deze overdenking is een onbevredigd gevoel bij de discussies rond de vrijlating' of het wegsturen van de 'twee van Breda' enkele weken geleden. Mijn punt geldt niet de vraag of Fischer en Aus der Fünten terecht uit de gevangenis zijn ontslagen. Daarover zal ik geen oordeel uitspreken. Daarover heb ik ook geen duidelijk oordeel.- Jaargang 33
- nummer 6
Wat mij heeft getroffen in wat ik gehoord en gelezen heb van de discussies - en ik realiseer me dat dat slechts een klein gedeelte is van wat er gesproken en geschreven is - wat mij trof in de discussies en wat bij mij een gevoel van onbehagen veroorzaakte, was dat daarin niet het besef doorklonk, dat het, hoe dan ook, om twee mensen ging.
Gesproken is over het belang van het handhaven van het principe van de rechtsstaat. Terecht is het lijden van de slachtoffers opnieuwbenadrukt.
Terecht is gewezen op het onvoorstelbare van de afmetingen van de gepleegde misdaad. Maar over de misdadigers werd gesproken als blijvend voorwerp van straf of als een gezwel dat uit de samenleving moest worden weggesneden, een hoop vuilnis die moest worden opgeruimd.
Ook in het licht van de bijbel hebben gevoelens van afkeer, emoties die roepen om straf, zelfs om wraak, een legitieme plaats. Ze zijn, in soms zeer sterke bewoordingen, ook te vinden in verschillende psalmen: gelukkig hij, die u zal vergelden hetgeen gij ons hebt aangedaan; gelukkig hij, die uw kinderen zal grijpen en tegen de rots verpletteren.
Met die woorden eindigt Psalm 137.
Er zijn vele andere voorbeelden te vinden (Ps. 55:16, 58:7v, 69:23v enz.), Sommige daden roepen om vergelding. En het is goed, als die roep ook wordt gehoord, als ze stem krijgt. Soms is het niet voldoende, dat het kwaad als kwaad wordt aangewezen, wordt ontmaskerd. Het recht roept om vergelding.
Maar deze woorden uit de psalmen zouden het licht van de bijbel verduisteren, wanneer er niet andere aan werden toegevoegd: Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten. Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is...
(Matth. 5:43v). ' Zegent wie u vervolgen, zegent en vervloekt niet... Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen...
Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn ... Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten ...
Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede (Rom 12:14v).
De roep om vergelding, gevoelens van afkeer zijn nodig, als ze tenminste het kwaad als kwaad peilen. Als zodantq zijn ze nog niet een uitdrukking van de rechtsstaat. Daar is meer voor nodig. Maar zeker zijn ze op zich zelf niet de uiting van een bijbelse houding.
Wat ik gemist heb in de discussies is het besef, dat het gaat om mensen, twee van ons, van onze soort, van onze cultuur.
Psalm 51
In wat ik heb gelezen, viel één heel duidelijke uitzondering op, een gedicht, dat was overgenomen in een , artikel van J. Bastiaans in NRC-'Handelsblad van vrijdag 3 februari.
Het is van de mij verder onbekende dichter en predikant R. da Costa. Ik citeer het hier zoals ik het in dat artikel vond: TUSSEN DE REGELS DOOR De twee van Breda De twee van Breda en 'de miljoenen van Auschwitz, Dachau, Bergen-Belsen en zo voort zijn de twee van Breda en die ene van Golgotha en dat is meer dan de twee van Breda en de honderdvijftig van Den Haag.
Wie koppen telt kent niet het verschil tussen rechtsstaat en staat van gerechtigheid, tussen tot levenslang en tot levenslange . martelgang veroordeeld zijn.
En de vraag die blijft is niet hoe mensen worden gebroken maar hoe beulen, worden gemaakt, dat met het oog op onze kinderen.
Hier komen heel ander dimensies naar voren. Laat ik een aantal elementen mogen noemen, die ik in dit gedicht hoor.
De eigen,lijke rechter voor wie de 'twee van Breda' zich moeten verantwoorden,' is niet de Tweede Kamer maar de man van Golgotha, de hemelse rechter, die zich identificeert met de slachtoffers, maar ook gekomen is om zijn leven te geven tot een losprijs voor velen. Hij heeft geleden voor de zonde van de wereld - mag dat ook op de 'twee van Breda' worden toegepast? En wat zou dat voor onze houding moeten betekenen?
De eigenlijke veroordeling vindt niet door de aardse rechtsinstantie plaats. Een levenslange martelgang - dat kan op de slachtoffers slaan, die het overleefd hebben, maar de gevolgen met zich blijven dragen' hun leven lang. Maar het slaat ook op de moordenaars zelf: hoe zijn zij klaargekomen met de vraag: waarom zitten wij hier? Wat heb ik gedaan? Is er een staat van gerechtigheid denkbaar, voor hen? Kunnen zij hun geweten echt laten spreken? Is dat te dragen?
De vraag die blijft: hoe worden beulen gemaakt? Hoe zijn deze twee zo geworden? Wat bevordert in een samenleving, dat mensen zo kunnen worden? Ik proef aan het eind van het gedicht een kritische vraag naar ons zelf: wat blijkt in onze houding tegenover de 'twee van Breda'? Alleen de gedachte van de rechtsstaat en gevoelens van afschuw 'of roep om vergelding? Is er besef, dat deze tweemassamoordenaars mensen zijn? Is het grote gevaar niet, dat in een samenleving dat besef afwezig is? Geeft dat ruimte voor een klimaat waarin beulen gemaakt worden?
Nogmaals, het gaat niet om de vraag of deze twee mensen al of niet moesten worden vrijgelaten.
Het gaat nog veel minder om twee zielige mensen met wie we medelijden zouden moeten hebben. Het gaat om de vraag: wat betekent wat zij gedaan hebben voor hun mens-zijn, voor ons mens-zijn? Zou er niet ook een reden zijn om bescheiden te zijn?
Tegen de achtergrond van deze vragen wil ik kijken naar Psalm 51.
Psalm 51 is een gebed om vergeving.
Ik wil de vraag stellen: zouden de 'twee van Breda' deze psalm in de mond mogen nemen? Zouden zij hem mogen bidden? En wat zou dat voor onze houding tegenover hen moeten' betekenen?
David en Uria
Psalm. 51 wil blijkens het opschrift verstaan worden tegen de achtergrond van een concrete situatie: Davids overspel met Bathseba. De psalm is een reactie op de woorden van de profeet Nathan, waardoor bij David het. besef is doorgebroken van wat hij eigenlijk gedaan heeft.
Wanneer we aannemen, dat het vermelden van deze achtergrond wezenlijk deel uitmaakt van de psalm, doet het er niet zo veel toe of de psalm, zoals traditioneel werd aangenomen, door David zelf gedicht is, of dat hij in een latere tijd door anderen is gemaakt, zoals veel hedendaagse commentaren argumenteren.
Het opschrift maakt duidelijk, dat de psalm, hoe dan ook, tegen de achtergrond van een concrete geschiedenis moet worden gelezen.
Het verhaal lezen we in 2 Samuel 11 en 12. Het is een tijd van oorlog.
Davids leger is aan het front. Zelf is hij echter thuis in Jeruzalem. Op een avond ziet hij vanaf het dak van zijn paleis een uitzonderlijk aantrekkelijke vrouw, die zich aan het baden is. David laat naar haar vragen - hij hoort dat het de vrouw is van een van zijn officieren - en laat haar halen. Enige tijd later laat de vrouw David weten, dat zij zwanger is.
David neemt dan maatregelen die ervoor kunnen zorgen, dat het verwachte kind voor een kind van Uria, de man van Bathseba, zou kunnen doorgaan. Hij laat Uria van het front komen om over de stand van zaken daar te vertellen en laat hem dan naar huis gaan. Maar Uria gaat niet.
Uit solidariteit met hen die niet thuis bij hun vrouw kunnen slapen, brengt hij de nacht door in zo veel mogelijk vergelijkbare omstandigheden: hij gaat slapen bij het personeel van de koning in het poortqebouw van het paleis.
Dat wordt aan David verteld - met hoeveel mensen heeft David moeten overleggen om zijn plannen uit te voeren? Hij nodigt Uria opnieuw uit en voert hem dronken. Maar zelfs in die toestand gaat Uria 's nachts niet naar huis. Dan stuurt David hem terug naar het front met een boodschap voor Joab, de door de wol geverfde aanvoerder - die boodschap bevat het doodvonnis voor Uria: plaats hem op een plek die gevaarlijk is en trek je dan terug.
Dat gebeurt, met het gewenste gevolg.
Dan is voor David de weg vrij om Bathseba in zijn huis te nemen.
De zaak lijkt rond. Maar David heeft zich niet van een sterke kant laten zien. Vanaf het moment, dat David aan de gevolgen van zijn misstap probeert te ontkomen, roept de geschiedenis wrevel op.
Bij God begon de ergernis eerder.
Dat maakt de profeet Nathan duidelijk met het verhaal over de rijke boer die het ene lammetje van zijn arme buurman afpakt om het aan een gast voor te zetten. Wanneer David met verontwaardiging op het verhaal reageert, maakt de profeet hem duidelijk, dat hij zelf het onderwerp van deze geschiedenis is.
Het belijden van schuld en het gebed om vergeving in Psalm 51 wil tegen deze achtergrond gehoord worden. Maar de woorden van de psalm blijven algemeen. Daarom kunnen ze ook tegen een andere achtergrond gehouden worden. Mag dat ook de geschiedenis van de 'twee van Breda' zijn? Hun aandeel in een honderdduizendvoudige moord? Met het oog op die vraag wil ik op vier thema's uit deze psalm dieper ingaan.
Gebed om vergeving
De psalm vraagt om vergeving vooral in beelden van wassen, reinigen (vss 4,9). Daarmee komt een besef van innerlijke vuilheid tot uitdrukking.
Begrijpelijk tegen de achtergrond van Davids optreden tegenover Uria, zijn doen met Bathseba.
In de taal van het Nieuwe Testament: het bloed van Christus reinigt van de zonde. Vergeving- is een vraag om wegnemen van de schuld, niet om een minder ernstig nemen: wassen, zodat er nieuwe zuiverheid is, een schoon geweten.
De psalm past dit toe op David na de geschiedenis met Bathseba en Uria. Is er een mogelijkheid van vergeving voor de 'twee van Breda'? Of is er een grens aan Gods vergeving? Zou het offer van Christus niet toereikend zijn? Mogen deze mensen deze woorden niet in de mond nemen? Of, als ze het doen, zal God niet luisteren? Is Christus niet gekomen om deze zonde van de wereld te verzoenen? .
Ik zie geen grond in het bijbelse spreken om hier een grens te trekken.
Maar dit maakt tegelijk wel duidelijk, dat de vergeving niet goedkoop kan zijn. Het bloed van de slachtoffers roept. Er kan geen sprake zijn van een zomaar voorbij gaan. De straf voor onze zonden was op Hem. Hij zocht de tollenaars en de zondaars, de zieken, niet de gezonden. De vraag om vergeving is in de psalm onmiddellijk verbonden met
Het belijden van schuld
De vraag om vergeving is het tegendeel vaneen verontschuldiging: Ik ken mijn overtredingen. Het staat mij voortdurend voor ogen wat ik heb gedaan (vs 4).
Ik ben in ongerechtigheid geboren.
Het is niet iets dat mij totaal vreemd is. Het zit in me. Dat is niet bedoeld als excuus: ik ben nu eenmaal zo en dat kan ik ook niet helpen. Ik ben zo geboren. Het is de belijdenis, dat het kwaad in ons zit. Ik ben daarvoor verantwoordelijk. Maar het zit heel diep. Het wassen, reinigen, zal daarom ook heel diep moeten gaan (vs 7).
Gij wilt waarheid in het verborgene.
Het uiterlijk goede gedrag is niet voldoende. God kijkt dieper. Een .uiterlijke schuldbelijdenis is daarom ook niet voldoende. God laat een innerlijk besef van waarom het gaat doorbreken (vs 8).
Is dit mogelijk voor de 'twee van Breda'? Is het innerlijke besef van, deze misdaad te dragen voor mensen?
Waarheen zal ik vluchten? Als dit innerlijke inzicht nu wordt ontlopen, zal het dan niet eenmaal doorbreken oog in oog met de goddelijke Rechter? Is deze last niet nog zwaarder, ondraaglijker dan die van de slachtoffers? Ik moet denken aan het begin van het interview dat Rex Brico een aantal jaren geleden had , met Martin Niemöller (gepubliceerd in Af en toe een oase; uitgegeven bij Kok, 1988). Niemöller heeft van 1938 tot 1945 gevangen gezeten vanwege zijn openlijke kritiek op het nationaal-socialisme. Ik neem het begin van dat interview over: Herr pastor Niemöller, volgend jaar januari wordt u 85 en is het veertig jaar geleden dat Hitier u in de kerker gooide. Denkt u nog wel eens terug aan de tijd in het concentratiekamp?
"Nauwelijks. Anderen herinneren me er nog wel eens aan. Bepaalde hoogtepunten zijn me bijgebleven, zoals Goede Vrijdag 1938, toen bisschop Scharf me het avondmaal bracht in mijn cel in Sachsenhausen, of Kerstmis 1944, .toen we het eerste oecumenische avondmaal vierden. Van beslissende betekenis in mijn leven is de galgenervaring geweest. Dagelijks werden voor mijn ra,am in de gevangenis mensen opgehangen. Ik heb me toen leren afvragen: Wat zal ik doen als ik net als zij, of zoals Jezus, opgehangen word? Zal ik ook bidden: Vader, vergeef het hun...? Of zal ik denken: verdammte Schweine ...?" .
Hebt u een antwoord gevonden?
"Jazeker. Van toen af is het tot me doorgedrongen dat die beulen veel meer ons gebed nodig hebben dan de gevangenen. En dat heeft mijn hele innerlijke houding ten aanzien van de kerkstrijd veranderd. Natuurlijk kan men Hitier vandaag vervloeken en men doet het ook. Maar wie heeft ooit voor hem .gebeden? bat is toch ook een vraag?" (p.68) Is dat niet wat bedoeld wordt met de gedeelten die ik aan het begin citeerde: wat Jezus heeft gezegd volgens Mattheü s 5, wat Paulus heeft geschreven in Romeinen 12?
Bidden voor de beulen, omdat het mensen zijn, mensen die zich zelf een ondraaglijke last opleggen, een last die ze ooit onder ogen zullen moeten zien. Is dat te dragen? Is dat niet de reden dat Jezus gekomen is: om van die last te bevrijden? Leert de kerk niet in navolging van het.
evangelie, dat niemand zelf de last van zijn zonde kan dragen? Niet alle schuld is gelijk. De last van de 'twee van Breda', geeft ze niet zicht op de onpeilbare diepte van Golgotha?
Maar voor niemand is de vergeving goedkoop.
Tegen U, U alleen
Juist tegen de concrete achtergrond van de geschiedenis van Uria en .Bathseba is het opmerkelijk, dat de zonde wordt beleden met de woorden: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd ... (vs6).
Echter, ook in het verhaal van 2 Samuel 12 zegt David tegen Nathan: Ik heb tegen de HERE gezondigd (vs 13). Wij zijn geneigd dan onmiddellijk aan Uria te denken en vragen ons af: wordt de zaak zo niet van zijn concrete ernst beroofd? Is het niet gemakkelijk? Ik denk, dat het tegendeel het geval is. Het kwaad, dat David Uria heeft aangedaan, eerst tegen zijn huwelijk, toen tegen zijn leven, krijgt een extra dimensie, doordat het als zonde tegen God zelf wordt verstaan.
Misschien kan een vergelijking met kinderen in een gezin helpen. Ouders gaan een avond weg. Zij zeggen tegen hun opgroeiende kinderen, die niet altijd met hun handen van elkaar af kunnen blijven: En jullie maken nu eens geen ruzie vanavond! Dat gebeurt toch, zelfs zo dat bij het vechten de een de ander van de trap gooit die daarbij ernstige en blijvende schade aan zijn rug oploopt. Het kind, dat de ander dit heeft aangedaan, schrikt natuurlijk van wat het gedaan heeft, maar als het nog een beetje ontzag heeft voor zijn ouders, komt daar nog bij: wat zullen zij zeggen! Ik zal hen niet meer onder ogen kunnen komen.
Met dit voorbeeld wordt tegelijk enigszins duidelijk, waarom het in Psalm 51 als gebed vooral gaat: de onmogelijk geworden relatie van David met God. Hij bidt om het herstel daarvan. Dat betekent niet dat hij niet ook schuldig staat tegenover Uria. Onherstelbaar. Zoals het ene kind tegenover het andere.
Nu zou kunnen worden tegengeworpen: dat geldt voor kinderen misschien, maar kinderen worden volwassen.
Dan kan zo iets niet meer in de eerste plaats gezien worden als iets dat tegen wat de ouders gezegd hebben, ingaat. De zaak zelf wordt het centrale: het slachtoffer, niet tiet ongehoorzaam zijn. Dat is gedeeltelijk waar. Maar de vraag blijft: waaraan ontleent het slachtoffer zijn intrinsieke kostbaarheid, zijn recht, zijn integriteit? Ligt de oorsprong daarvan in hem zelf? In een proces van evolutie? In de rechtsorde van de samenleving, of de moraal daarvan? Of in de Schepper?
.
Het punt is ook verder van essentieel belang. Kan God dit vergeven?
Kan Hij de schuld tegenover de slachtoffers van de misdadiger afnemen?
Hem schoon wassen? Hem vrij spreken? Kunnen ouders dat tegenover hun kinderen? Het zal duidelijk zijn, dat er ook iets tussen de kinderen zelf moet gebeuren. De vraag om vergeving zal ook naar het slachtoffer zelf toe moeten gaan. En het zal ook duidelijk zijn, dat het een groot verschil uitmaakt of het ene kind' een speelgoedtreintje kapot gemaakt heeft van de ander of een ongeluk moedwillig veroorzaakt waardoor de ander zijn leven lang
gehandicapt blijft. Ouders die hun kinderen liefhebben zullen beseffen, dat voor beide kinderen de vergeving noodzakelijk is. Voor de een, opdat het niet zijn leven lang gebukt blijft gaan onder de schuld van het ongeluk van zijn broer. Voor de ander, opdat zijn leven niet verbitterd raakt en daardoor blijvend kapot.
Hoe moeilijk ook, de bereidheid tot vergeving betekent innerlijke genezing. Ik zeg bereidheid, en realiseer me hoe moeilijk zelfs dit kan zijn, bereidheid, omdat vergeving om te kunnen aankomen afhankelijk is van de vraag ernaar bij de ander.
Is dit ook een toepassing op de 'twee van Breda'? Tegen U, U alleen?
Het maakt het kwaad tegen de slachtoffers niet minder erg. Het voegt er een dimensie aan toe. De mensen aan wie zij zich vergrepen hebben, zijn schepselen van God, .zélts meer dan dat, het oorspronkelijke volk van God, van de God van wie het heet in het tweede gebod, dat Hij wel het kwaad straft tot in de derde en vierde geslacht - maar .lees ook Ezechiël 18 - maar zijn barmhartigheid bewijst tot aan het duizendste geslacht van wie Hem liefhebben. Abrahams kinderen!
Bidden om vreugde
In Psalm 51 wordt niet alleen gevraagd de afschuw over zich zelf weg te nemen, de ontsteltenis door het besef van wat er gebeurd is, wanneer het innerlijk schoon gewassen is, dan is er nieuwe zuiverheid, dan is er weer plaats voor vreugde: Heer, U hebt mij verbrijzeld, laat mij ook weer juichen (vs 10). Kan David dat zeggen? Mag hij dat vragen na wat hij heeft gedaan? Voor Uria is het voorgoed afgelopen.
Een paar opmerkingen. In de eerste plaats, David gaat hiermee niet aan de ernst van wat hij gedaan heeft, voorbij. Vreugde is niet een mogelijkheid voor hem zelf door de ogen te sluiten. Er is een nieuwe scheppingsdaad van God voor nodig: schep mij een rein hart, 0 God (vs 12). Vervolgens, het gaat om de vreugde in God zelf: hergeef mij de blijdschap over uw heil (vs 14). Het gaat hem niet om opnieuw plezier in het leven te mogen hebben. Hij vraagt, dat het weer goed is tussen hem en God. Dat is vreugde. Daar-
'zonder kan hij niet. Tenslotte, het .
valt mij op, dat in Davids levensverhaal na deze geschiedenis niet alleen het ene kwaad na het andere hem overkomt, zoals door de pro-
. feet Nathan aangekondigd - vergeving betekent niet, dat er geen consequenties meer volgen - maar ook, dat 'zijn positieve aandacht zich vooral gaat richten. op de voorbereiding van de eredienst in de tempel, die hij zelf niet mocht bouwen. Dat blijkt vooral uit het verhaal van 1 Kronieken - waar het overigens aansluit bij het verhaar van de volkstelling, een ander falen van David.
Mag een moordenaar, vragen om nieuwe vreugde in zijn leven? Of rest hem niets anders dan afstomping of wroeging? Is dit gebed een mogelijkheid voor de 'twee van Breda'? Hangt dat niet af van de vraag, hoever het werk van Christus reikt? Hoever de liefde van God reikt? Hoever de mogelijkheid van vergeving gaat? Als deze twee mensen - en ik zou willen, dat ze het zouden horen, als ze het nog niet gehoord hebben, of dat ze het opnieuw horen, als ze het niet kunnen geloven - als deze twee mensen met hun schuld naar God zouden gaan zoals David in deze psalm, en ze zouden vergeving van God ontvangen, is het dan mogelijk, dat er geen vreugde, onvoorstelbare vreugde, bij hen zou opkomen vanwege deze vergeving? Ik denk niet, dat mensen dit kwaad kunnen peilen, maar voorzover het gepeild wordt, zal ook het besef van de diepte van de liefde van God, van Jezus op Golgotha, worden verstaan.
Zou het ook dan niet hier kunnen gelden, dat de laatsten tot de eersten gaan behoren? Maar het is ook duidelijk, dat God dit leven, om het leefbaar te maken, zelf nieuw zal moeten scheppen. Is er een opstanding mogelijk voor de 'twee van Breda'? Zouden ook zij daarvan het begin hier al mogen meemaken? Of zou de doodstraf barmhartiger zijn geweest? Is, zelfs . in het licht van de vergeving van God, menselijk leven met dit verleden hier en nu niet meer mogelijk?
Een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, of God (vs 19).
Ik weet niet hoe de 'twee van Breda' bezig geweest zijn met zichzelf, met hun slachtoffers, met God. Ik spreek over hen met het oog op onze houding, ons denken, ons bidden, ons geloof, wanneer we denken aan hen.
Onderwijzen en lofzingen
We zouden denken dat in de psalm de grenzen nu wel bereikt zijn, maar hij gaat nog verder: Dan zal ik overtreders uw wegen leren, opdat zondaars zich tot U bekeren (vs 15).
Heeft David dit kunnen doen? Hoe zou hij anders voor de tempelliturgie nog hebben. kunnen dichten? Maar het is wel goed erop te letten, dat onmiddellijk op vers 15 volgt: Red mij van bloedschuld, 0 God ...Wanneer hij spreekt over anderen, dan komt direct zijn eigen handelen hem weer voor ogen. Het spreken tot anderen zal zijn zonder enige pretentie, niet vanuit hemzelf, alleen vanuit God. Sterker, hij zal uit zichzelf zijn mond niet eens durven open doen. Het besef van wat hij heeft gedaan, zal zijn lippen gesloten houden. Heer, open mijn lippen (vs 17). Spreken vanuit de goedheid van God, die je zelf hebt ervaren, onpeilbaar, geldt dat ook niet voor de apostel Paulus?
Is het voorstelbaar, dat de 'twee van Breda' tot anderen zouden spreken van de goedheid van God. Dat daarin een oproep om zelf te veranderen zou worden gehoord? Zouden wij het van hun willen, kunnen horen?
Zou dat spreken zuiver kunnen zijn?
De twee van Breda en de miljoenen van Auschwitz, Dachau, Bergen-Belsen en zo voort zijn de twee van Breda en die ene van Golgotha ...
Drie opmerkingen tot slot
1) We hebben Psalm 51 gelezen tegen de achtergrond van de geschiedenis van David en Bathseba en tegen de achtergrond van de 'twee van Breda'. Zouden deze laatsten de psalm ook mogen bidden?
En wat betekent deze vraag en het antwoord dat we daarop geven tegenover hen? Nu, aan het slot wil ik ook de vraag stellen: zouden wij zelf deze psalm mogen bidden?
Zouden we dat kunnen? Zouden we dat willen? Omdat de behoefte aan vergeving van God in ons leeft?
Omdat we de zonde in ons leven zien? Omdat we verlangen naar de vreugde van God? Omdat we zouden willen spreken vanuit de ervaring, dat Hij ons leven nieuw gemaakt heeft?
Psalm 51 spreekt niet op het niveau van het recht in de staat. Hij spreekt ook niet op het niveau van wat fatsoenlijk is, van de burgerlijke moraal.
Ik zeg van beide niets kwaads.
Voor zover ze er (nog) zijn, mogen we er dankbaar voor zijn. Maar het is niet het gezichtspunt van deze psalm. Die spreekt van het leven met God. Kunnen fatsoenlijke mensen Psalm 51 bidden? Het onderwijs van de Schrift leert ons, dat ook zij de genade van God nodig hebben.
2) Ik vraag mij af of de wijze waarop wij als het Nederlandse volk de oorlog verwerkt hebben, of de emoties die rond de vrijlating van de 'twee van Breda' zijn losgekomen, niet te maken hebben met het gaan ontbreken van het bijbelse zondebesef, van de bijbelse Godsbesef. Ik denk daarbij niet zozeer aan de slachtoffers zelf. Er is een legitieme plaats voor emoties, voor het roepen om wraak - toch zou ook voor hen het woord van God genezend kunnen zijn. Maar ik denk niet in de eerste plaats aan hen. Wie ben ik, dat ik over hun emoties zou oordelen hoe diep kunnen mensen gewond zijn! Ik denk vooral aan ons, die het kwaad waarom het gaat niet direct of niet zo direct hebben meegemaakt, ook al dragen we de gevolgen ervan ook in ons eigen leven mee. Ik ben bang voor een klimaat, waarin de ander die onze afkeer oproept, niet meer als een mens wordt gezien. Ik ben bang, dat dat het klimaat is waarin de beulen ruimte krijgen' om te worden gemaakt.
Het is verbijsterend om te lezen, dat de terechtstelling van de veelvoudige moordenaar Ted Bundy, onlangs in Florida, het karakter heeft gekregen, via de radio, van een volksvermaak (NRCHandelsblad, 26 jan. 1989).
Ik vraag me ook af of een theologie die de vragen rond God en het lijden, rond God na Auschwitz, oplost door te spreken van de onmacht van God iets met de onmacht om het kwaad van de oorlog te verwerken te maken heeft. Is er dan nog de mogelijkheid onze nood naar God te brenge.n? Is Golgotha niet genoeg om ondanks alles God ook als de Almachtige te blijven vertrouwen? .
Kunnen wij God oordelen? Kunnen we als Job luisteren naar het antwoord van God op onze vragen, ook wanneer de vragen. blijven?
3) Het moeilijkst vind ik het, dat ik mij met de hier gegeven lezing. van Psalm 51 plaats tegenover mijn' Joodse landgenoten. Ik weet niet hoe zij oordelen over het bereik van Gods vergeving. Maar ik heb de psalm gelézen in het licht van Golgotha, vanuit het Nieuwe Testament. Psalm 51 is ook een deel van hun Heilige Schrift. Mag dat voor hen - Psalm 51 en de 'twee van Breda? De meesten van hun slachtoffers waren Joden. Zij hebben het zwaarste geleden. Hoe alleen zijn degenen die zijn overgebleven? Wie ben ik om zo te spreken over Psalm 51, ook al staat ook de naam van mijn vader op de lijst van hen die in de oorlog met hun leven betaald hebben voor de inzet voor hun Joodse medemensen? Wat kan ik anders zeggen dan dat ook het Nieuwe Testament in wezen een Joods boek is, als zodanig het woord van God - het heil is uit de Joden? Is de man van Golgotha niet de zoon van David? Hoe groot zou de vreugde zijn, wanneer dat ons niet langer zou scheiden maar verenigen!
Maar zullen wij, christenen, dan niet ook Psalm 51 moeten bidden tegen de achtergrond van een andere geschiedenis, de geschiedenis van wat wij de Joden hebben aangedaan?