Persschouw
1989-03-17
In 'DE VEERBEL' officieel orgaan van de Nederlands Geref. Kerk te Zalk en Veecaten verzorgt de plaatselijke predikant, Ds. J. Scheltens, - Jaargang 33
- nummer 6
de rubriek: VEERPRAAT, waarin hij wel en wee van de plaatselijke gemeente releveert. Zo nu en dan geeft hij in het kader van bepaalde zaken ook aandacht aan onderwerpen, die een breder terrein bestrijken.
Zo merkte hij in het nummer van 12 februari jl. het volgende op:
"Ik hoorde jaren geleden eens een collega uit de stad zeggen op een zendingsvergadering in Kampen dat elke wijkouderling in de stad wel jeugd in zijn wijk heeft, die met de "hand aan de deurknop van de kerk" staat om te vertrekken. Ik dacht toen: Gelukkig, dat dat bij ons nog niet in die mate het geval is! Let u wel op dat "nog niet in die mate"!
Want ik heb er toen wel bij gedacht: Wie weet, hoe gauw het ook bij ons zo gaat worden. Vooral als ik denk aan wat een collega eens in een preek hier zei over het doorgeven van 'een leeg testament'! Dat kan in een behoudende gemeente op het platteland soms nog gemakkelijker gebeuren dan in een stad. Ik was er niet bij, dat dit breder uitgewerkt werd, maar ik heb het wel van derden gehoord en kennelijk onthouden!
Nu wil ik helemaal niet de alarmklok luiden, maar het gaat echt niet allemaal even goed met álle oudere jeugd in ons midden. En waar, het me vooral om gaat is dit: ik hoor dan wel eens bij geruchte, dat er ouders zijn, die ook problemen hebben met hun kinderen. Met zo'n gerucht kan ik vanzelfsprekend niets beginnen.
Ik weet zelfs niet eens, of en in hoeverre dat waar is! Maar ... mocht het wel het geval zijn buiten wat ik dan wel weet, wat dan? Ik hoop dan wel, dat u zulke dingen als ouders niet zo lang voor u houdt, dat anderen pas worden ingeschakeld, wanneer het in zo'n vergevorderd stadium is, dat er alleen nog wat 'achterhoedegevechten' gevoerd kunnen worden.
Bij die anderen denk ik dan niet allereerst aan de ouderlingen of mijzelf. Want wij komen niet het eerst aan de beurt in dit opzicht. De eerste verantwoordelijkheid ligt bij de ouders zelf. en vervolgens bij de medebroeders en zusters.
Maar misschien zou het desondanks toch niet zo verkeerd zijn om het toch door te geven aan de wijkouderling of aan mij, wanneer het niet zo goed gaat met sommige jongeren.
Want wij merken het helaas door verschillende oorzaken vaak te laat en in elk geval later dan de ouders zelf, wanneer het ergens niet goed zit. Als u het tijdig zegt, kunnen we eerder mede een oogje in het zeil houden.
Het is niet mijn bedoeling met deze hint iemand verwijten te maken! Ik zeg ook niet, dat we nooit iets van ouders horen. Ik begrijp ook best, dat het voor .zulke ouders moeilijk is daarover met anderen te praten. Ik meen, dat het wijlen ds. Visee was, die wel eens gezegd heeft, hoe verschillend kerkleden zich gedragen bij de dokter en op het huisbezoek.
In de spreekkamer van de eerste wordt het zieke been zo ver mogelijk naar voren geschoven, maar op het huisbezoek houden we dat zoveel mogelijk onder de tafel.
AI met al blijft het zaak ons te houden aan wat Paulus aan de Thessalonicenzen schrijft - en laat ik het daarmee deze keer mogen besluiten; "Wij vermanen u, broeders, wijst de ongeregelden terecht, beurt de kleinmoedigen op, komt op voor de zwakken, hebt geduld met allen."
Deze aansporing schreef Paulus aan en voor ... GEMEENTELEDEN!"
Deze opmerkingen van mijn Zalker kollega hebben wij allen ter harte te nemen. De beheersende vraag blijft hoe wij met elkaar omgaan in het Huis van God. Daarvoor heeft de HERE in Zijn Woord de nodige normen gegeven. Als we die in acht nemen, zullen we merken, dat ook hier geldt, dat voorkomen beter is dan genezen. We moeten ook oppassen, dat we onze teleurstelling binnen de kerk niet op anderen gaan afreageren. Wat dat betreft zijn de ambtsdragers als objekt blijkbaar vaak het eerst aan bod.
Laten wij allen de hand in eigen boezem steken en nagaan waar wij hebben gefaald heel persoonlijk in de liefdevolle benadering en bejegening van hen, die afwijken. Laten we op elkaar acht geven niet om elkaar te bevitten en allerlei verkeerde dingen zonder meer te signaleren en te registreren, maar om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. Dat is de strekking van Hebreeën 10:24. Het laatste is zelfs een letterlijk citaat.
Luther wijst erop hoe het de typische eigenschap van de natuurlijke mens is liever omgang te zoeken en te hebben met oppassende en vrome mensen dan met lastige, zwakke .en onvolmaakte. Terwijl hij het kerkelijke leven ontleedt merkt hij op, dat deze zonde het met zich brengt, dat de zwakken tot een voorwerp van hooghartige verachting en liefdeloze veroordeling voor de brevere mensen worden en omgekeerd de bravere mensen tot een voor- , werp van afgunst en smaad voor de zwakken. Zo worden .de verhoudingen scheef getrokken en mist de kerk als gemeenschap haar doel. Er is maar één medicijn, nl. de liefde aandoen als de band der volmaaktheid (Col. 3:14).