Pastorale notitie

1990-07-20
  • Jaargang 34
  • nummer 15
Vacantie-ontmoeting
Onze vacantie in de Zuid-Cevennen (Frankrijk) bracht in zoverre een teleurstelling, dat we weinig contacten kregen in de Eglises Réformées Evangéliques Indépendantes. Deels was dat te wijten aan het afgelegen plekje diep in het woeste bergland waar we ons begraven hadden. We moesten wel 149 bochten draaien (de kleintjes niet meegerekend) eer we het volgende plaatsje bereikten, 12 km verder. Maar in hoofdzaak zat de fout in onze beperkte kennis van de franse taal. We slaagden er slechts met moeite in te zeggen wat we zeggen wilden. En wat betreft het verstaan van oe radde, franse woordenstromen die over ons werden uitgegoten ... laten we het daar maar niet over hebben. Maar dat wil niet zeggen dat er in het geheel geen contact was. Ik denk vooral aan de schitterende zomernamiddag, toen ik terugkwam van een wandeling. Ik passeerde het oude kerkje van de E.R.E.I. waar we de voorgaande zondag onder het gehoor van een 'student' hadden gezeten. Het was een boer die een paar dagen in de week theologie studeerde: alle respect!
Ik passeerde dus het oude kerkje en zag tot mijn verbazing dat de deur open stond en dal op z'n zondags geklede mensen bezig waren naar binnen te gaan. Buiten zat een twintigtal mensen op muurtjes en stenen.
nog even te genieten van de buitenlucht, in afwachting van het begin van de samenkomst. Ik ging op een muurtje ziten, naast een oudere heer, die afkomstig bleek uit een stad op 2 uur afstand. Ik vertelde hem wie ik was en vroeg of ze kerkdienst hielden op vrijdagmiddag.
Toen begon hij te praten: "Ja, meneer.
We houden hier telkens een bidstond. Want de kerk is dood.
(I'Eglise est morte). Onze jongeren komen niet meer. Wat een pijn! En het is ons voorzegd: de grote afval moet komen. Het boek Openbaring is er vol van. We hebben het te goed gekregen. Daar komt het van". Toen hij dat gezegd had, nam hij vriendelijk afscheid: "In Holland is het beter", wist hij nog. Toen ging de dienst beginnen. Ik kon helaas niet mee vanwege mijn korte broek, mijn bergschoenen, mijn petje. Maar ik had in de gauwigheid nog wel gezien dat het kerkje goed bezet was: het waren zeker een 60 of 70 mensen die daar bijeen waren en baden om een opwekking en om de terugkeer van de Heilige Geest (het was in de week van Pinksteren). Tijdens mijn verdere wandeling was mijn hoofd bij mijn verdrietige, biddende broeder en ik vroeg me af: is de kerk werkelijk dood als er nog zoveel bidders zijn? Wie weet wat de Here nog doen gaat in dat land waar de Hugenoten in de 17e en 1Be eeuw hun goed en bloed gaven voor de zaak van Christus. En waar nu hun zonen en dochters de Here aanlopen als een waterstroom.
Teruggekomen in Holland lag er een brief van nabij familielid. Hij had een zakenreis gemaakt door het Verre Oosten; China, Hongkong, Korea, de Fiji's, Nieuw Zeeland, de Filippijnen.
Hij schreef: "Ik ben diep onder de indruk van de enorme toestroom van bekeerlingen. Ze komen bij duizenden om de Here Jezus te volgen. De kerken kunnen de toestroom niet aan!"
Wat een contrast met de kerk in het Westen, Is de kerk in het avondland bezig te sterven?
Maar komen ze hier niet, dan komen ze elders.
Het huis des Heren moet vol, We hebben een levende Heer!
Als we dat maar zien!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief