Het huis
1990-08-03
Het heil voor de gevangenbewaarder…- Jaargang 34
- nummer 16
Als de gevangenbewaarder uit Hand. 16 op het punt staat zelfmoord te plegen komt het evangelie tot hem uit de mond van Paulus en Silas.
Een voor de cipier duidelijk blijde boodschap: "Doe uzelf geen kwaad, want wij zijn allen hier!". Zo dringt niet het zwaard in zijn hart, maar komt er een vraag uit zijn hart: "Heren, wat moet ik doen om behouden te worden?". Het antwoord van Paulus en Silas is even kort als krachtig: "Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en gij zult behouden worden ...". Hij hoeft niets anders te doen dan te vertrouwen op de Heiland. Hij hoeft eigenlijk niets te doen. Want het is alles al gedaan - ook voor hem. De belofte wordt hem zomaar in de schoot geworpen.
… en zijn huis
Maar de belofte is er niet alleen. voor hem, maar ook voor zijn huis: " ... gij zult behouden worden, gij én uw huis". Deze toevoeging is verrassend voor de een en vanzelfsprekend voor de ander. Dat zijn huis(gezin) begrepen is in deze gevangenbewaarder is een opvallend gegeven en een voortdurendonderwerp van gesprek tussen voor- en tegenstanders van de kinderdoop. Want vervolgens wordt zijn huis ook gedoopt: "hij liet zichzelf en al de zijnen terstond dopen". En even verder: "hij verheugde zich, dat hij met zijn gehele huis tot het geloof in God gekomen was". Let op de opvallende formulering: hij was tot het geloof in God gekomen (enkelvoud!) met zijn gehele huis. Niet zij (meervoud), maar hij (enkelvoud) - en in hem zijn zij (zijn huis) begrepen.
(Zie dr. J.P. Versteeg, in "Rondom de doopvont", blz. 123 vv.) Een markant gegeven dat hier en elders (Hand. 11:14; 16:15; 18:8; 1 Kor. 1:16) als een heel natuurlijke zaak wordt voorgesteld. Lukas besteedt er eigenlijk nauwelijks aandacht aan. Het is alsof hij terloops opmerkt dat deze cipier van Filippi natuurlijk niet alleen gedoopt werd, maar dat met hem ook zijn huis gedoopt werd.
Belofte voor het gehele huis
Paulus en Silas beloven het behoud van de cipier met zijn gehele huis.
Dat is geen voorspelling, maar belofte: "voor u en uw kinderen" (Hand. 2:39). Daarom mogen allen die tot het huis van de tot geloof gekomen gevangenbewaarder behoren gedoopt worden. Eventueel ook degenen, die "van enige vreemdeling voor geld gekocht zijn" (Gen.17:12). Ze horen er natuurlijk allemaal bij. Het komt me dan ook nogal gezocht voor om in deze geschiedenis de afwezigheid van kleine kinderen te veronderstellen op grond van bv. de vermoedelijk al wat hogere leeftijd van de cipier. Dan ben je toch wel op een erg geforceerde manier bezig de afwijzing van de kinderdoop te redden! En wat ook een miskenning van het bijbelse gegeven dat het huis van de cipier zo vanzelfsprekend deelt in de weg die het hoofd van dat huis inslaat wanneer deze zijn vertrouwen op de Here Jezus stelt!
De belofte van het gehele huis
Maar deelt het huis nu niet al te gemakkelijk in het heil dat de ene als belofte in de schoot geworpen krijgt? Anders gezegd: maakt deze uitleg en leer geen zorgeloze ouders en goddeloze kinderen? (Vergelijk vraag 64 H.C.) Dat is de angst van hen die ernstige bezwaren tegen de gereformeerde dooppraktijk hebben.
Alsof de kinderen van de gelovigen zomaar aan de hand van hun ouders Gods rijk binnen kunnen wandelen.
Ongeacht hun eigen persoonlijke geloofshouding en levenspraktijk.
Afgezien van hun wedergeboorte (zie het begin van het klassieke doopsformulier). En inderdaad kunnen wij met de belofte van behoud voor de gelovige en zijn huis de verkeerde kant opgaan. Dat doen we als we die belofte als een soort levensverzekering opvatten, die van kracht blijft ongeacht het reilen en zeilen van de verzekerden. Om nu dit gevaar tegen te gaan is het goed om deze 'huistekst' uit Hand. 16 te verbinden met een andere 'huistekst' , namelijk het woord dat Jozua sprak bij de verbondsvernieuwing te Sichem: Joz. 24:1.5b. Naast het "gij en uw huis zult behouden worden"
komt zo het "ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen" te staan.
Voor de gevreesde misvatting kan dit woord van Jozua ons behoeden.
Zeker, dit is een woord van Jozua en niet van de cipier uit Hand. 16. Maar ligt hetzelfde toch niet in de woorden van de cipier opgesloten? Wat betekent het immers anders wanneer er staat dat de Cipier zich verheugtover hetgeen hem en zijn huis ten deel is gevallen? Ik kan mij tenminste niet voorstellen dat het vanwege deze vreugde niet tot een dienen van de Here God is gekomen; en dat dan niet alleen door hem maar ook door zijn huis. Naast de belofte vóór het huis is er tegelijk de belofte vàn het huis, ook al wordt die misschien niet altijd expliciet genoemd. Er behoort altijd een dienen van de Here te volgen op het vertrouwen op de Here. En dat door allen: "wij zullen de Here dienen", zegt Jozua. In dat woord van Jozua hoor ik ook een mooi evenwicht tussen het begrepen-zijn van het gehele huis in het hoofd van het huis, èn het echt samen willen dienen van de Here God: "ik en mijn huis" aan de ene kant en "wij" aan de andere kant. De belofte van de Here is er voor ons en onze kinderen, maar daarbij hoort dan ook het echt samen als huis willen dienen van de Here.
De weg naar de vervulling
Hoe doe je dat nu - dat samen als huis dienen van de Here? Wel, ook daarin wijst de bijbel ons de weg. Ik denk aan de zgn. huisregels zoals we die vinden in bv. Ef. 6:1-9. Dat gedeelte begint aldus: "Kinderen, weest uw ouders gehoorzaam (in de Here), want dat is recht. Eer uw vader en moeder -dit is immers het eerste gebod, met een belofte opdat het u welga en gij lang leeft op aarde. En gij, vaders, verbittert uw kinderen niet, maar voedt hen op in de tucht en terechtwijzing des Heren.".
En na deze woorden komt dan ook nog de verhouding tussen slaven en heren ter sprake. In dit gedeelte horen we hoe het tot een dienen van de Here God door het gehele huis komt. Namelijk door de gehoorzaamheid aan het vijfde gebod.
Het gebod, waaraan - zoals Paulus zegt - een belofte is verbonden: "opdat het u welga en gij lang leeft op aarde". Zou ik bij die belofte nu ook niet mogen denken aan meer dan een lang leven op deze aarde, nl. ook aan het eeuwig behoud door de Here Jezus Christus? In ieder geval gaat het om de tucht en terechtwijzing des Heren, die de ouders aan hun kinderen hebben toe te passen. Met andere woorden: het gaat om de christelijke opvoeding van hen, die aan onze zorg zijn toevertrouwd.
Zo komt het tot een dienen van de Here: "ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen". En zo wordt de belofte vervuld: "gij zult behouden worden, gij en uw huis".