Woekeren met het ene talent (3)
1990-08-03
Christus' gebed voor de eenheid van de zijnen kunnen we dus zomaar niet omzetten in een gebod om als verwante kerken tot organisatorische eenheid te komen. Daarvoor kunnen wel eens omstandigheden in de weg staan die voor ons te sterk zijn om te overwinnen. Onze Meester heeft ons volgens het evangelie naar Johannes zeer duidelijk het gebod om lief te hebben nagelaten (Johannes 13) maar ten aanzien van de eenheid kennen we alleen zijn gebed (Johannes 17). Is dat niet frappant? Zou daar niet uit af te leiden zijn dat ook wanneer organisatorisch-kerkelijke eenheid voor ons onbereikbaar is het liefdegebod van kracht blijft? Het liefdegebod dat ons voorhoudt de ander (en dat is dan in dit geval: de andere kerk) lief te hebben als zichzelf? Als we niet alleen in het persoonlijke maar ook in het tussenkerkelijke verkeer het liefdegebod in acht nemen zullen wij Christus' gebed voor de eenheid zeker niet tegenwerken.- Jaargang 34
- nummer 16
En wie weet wordt ons de kerkelijke eenheid met deze en gene te eniger tijd nog eens in de schoot geworpen.
Maar essentieel zijn dergelijke fusies niet. Je kunt je zelfs voorstellen dat ze slechts half gelukken en dat het ene kerkverband tot het andere komt te behoren op de wijze waarop de waalse kerk onderdeel uitmaakt van de nederlands hervormde kerk.
Dus met handhaving van een zekere zelfstandigheid. Meerdere figuren zijn op dit gebied denkbaar.
Kritisch-gereformeerd
Ik zie dus ruimte voor een eigen taak en plaats voor de kleine nederlands gereformeerde kerkengroep in het geheel van kerken en groepen die trouw willen blijven aan het evangelie van Jezus Christus en die de knie niet wensen te buigen voor de Baals van onze tijd. Deze plaats en taak zou ik willen aanduiden en omschrijven met de woordverbinding 'kritisch-gereformeerd'. Dat bedoel ik natuurlijk niet als naam. Stel je voor! Nee, het gaat om een typering.
Het wil zeggen dat wij het gereformeerde dat ons lief is in de hand nemen en tegen het licht houden om te zien wat daarvan door de geschiedenis heen houdbaar is gebleken en wat niet. Om die taak te kunnen vervuilen pleiten wij voor een soepele binding aan de geschriften die in een vroegere tijd dat gereformeerde hebben omschreven. Want wij willen ook een bemiddelende rol spelen tussen de vanouds gereformeerden en degenen die in de loop van de tijd zonder de band aan de Here Christus te verbreken met het klassiek gereformeerde zijn vastgelopen.
Maar inderdaad, daarvoor is een (sympathiek-)kritische houding tegenover de eigen tradities onontbeerlijk.
Schriftbeweging
Kritisch gereformeerd. Ik raak hiermee aan een zinnetje uit de verklaring van de nederlands gereformeerde kerkeraad van Enschede-noord waar ik tot dusver nog geen aandacht aan geschonken heb. De kerke raad zegt dat hij in eigen kerkverband dezelfde strijd heeft moeten voeren voor de handhaving van de gereformeerde leer als de vrijgemaakten in de zestiger jaren. Een pijnlijke bewering, eerlijk gezegd.
De lezer zal wel verstaan dat ik me deze woorden persoonlijk aangetrokken heb. Niet dat ik er rankuneus over ben. Natuurlijk niet. Ik ga voetstoots uit van de goede trouw van de broeders. Maar we moeten het hier wel over hebben. Zijn de nederlands gereformeerde kerken nog wel gereformeerd te noemen of hebben zij door een te grote tolerantie het recht op deze naam verspeeld? Nu, het is waar, als gereformeerd niet anders kan betekenen dan dat we op de wijze van het oude ondertekeningsformulier aan de drie formulieren van enigheid vastgeklonken zitten (..alle stukken van die leer in alles naar Gods Woord") dan zijn we niet gereformeerd. Ik tenminste niet.
Maar ik ben van mening dat we als kritisch-gereformeerden ook gereformeerd zijn. Ik geloof ook dat we ons daarvoor op de vrijmaking kunnen beroepen. Ik heb die lange tijd geleden wel eens getypeerd als een Schrift-beweging en daar kom ik nu op terug. Het was volstrekt niet zo dat de vrijmaking van destijds reageerde op een loslaten van de belijdenis in de gereformeerde kerken op de punten van verbond en doop.
Veeleer werden de belijdenisgeschriften tegen de bezwaarden en later vrijgemaakten in stelling gebracht.
Ik zeg niet dat de synode daarbij het gelijk aan haar kant had, maar soms hadden de bezwaarden toch wel veel woorden nodig om dat beroep op de belijdenis te ontkrachten.
Ik denk aan het debat over de vraag of de sakramenten de inwendige genade verzegelen, naar aanleiding van hetgeen artikel 33 van de NGB daarover zegt. Nee, de vrijmaking kwam uit een Schriftbeweging voort die zo levend en krachtig was dat ze als het moest de konfrontatie met de belijdenisgeschriften niet uit de weg gegaan zou zijn. Zo'n konfrontatie met vooral de Dordtse Leerregels was zelfs te voorzien en die is binnen de kring van de vrijgemaakten dan ook inderdaad enigszins van de grond gekomen. Daarbij denk ik aan de studies van dr. D. Holwerda en dr. H. Venema waarin kernteksten die de dordtse leer rnoe-: ten schragen kritisch onder de loupe werden genomen. En ds. Telders boek over 'sterven en dan' is daar trouwens op een ander punt ook een goed voorbeeld van. Nu beweer ik niet dat de leervoorstellingen en tekstuitleggingen die door deze broeders geboden zijn het laatste woord hebben gesproken, maar het openlijk in bespreking nemen van leerpunten die van ouds vragen hebben opgeroepen en waarvan het Schriftuurlijk fundament regelmatig door ernstige christenen betwijfeld is geweest, ja, daarvan durf ik te zeggen dat dat een wortel heeft in de vrijmaking en dat het van meet aan in het nederlands gereformeerde pakket heeft gezeten. En laten we ons niet vergissen: het is met name vanwege deze kritischgereformeerde instelling dat wij wat betreft de inrichting van onze kerkdiensten bezig zijn een wat lossere vorm te vinden (of te zoeken) die wat dichter dan voorheen bij de mensen staat. Kerken die de band aan het verleden te strak aanhalen zullen tot dergelijke vernieuwingen niet in staat zijn. Wel tot het oppoetsen maar niet tot het vervangen van het bestaande. Daarom zei ik ook in een van mijn vorige artikelen van deze reeks dat de minder formele en meer persoonlijke toon in onze kerkdiensten rechtstreeks samenhangt met de grotere vrijheid die wij onszelf ten opzichte van onze tradities toestaan. Rigoreuze strengheid in de binding aan de belijdenis en strakheid en stijfheid in de liturgie zijn elkaars keerzijden.
Gere-form-eerd
Terwijl het in het gereformeerde om de eredienst juist draait. Laat ik dat nader toelichten. Van jongsaf heb ik tegen het woord 'gereformeerd' met een zekere verwondering aangekeken.
Ik had in mijn opvoeding het gereformeerde vooral inhoudelijk leren kennen. De vorm was bijkomstig, was mij bijgebracht. Maar waarom dook dat begrip 'vorm' dan zo nadrukkelijk op in de naam die we droegen, vroeg ik me af. Gere-form-eerd, daar hebt u het. Dat element -form- staat voor 'vorm', zoals je in het woord 'hervormd' nog duidelijker ziet. Zijn wij dan zo formeel of zelfs formalistisch als gereformeerden?
Het kwam me wonderlijk voor. Totdat ik verstond dat in het woord 'gereformeerd' niet de vorm tegenover en in plaats van de inhoud nadruk krijgt, nee, 'vorm' is een oud begrip voor 'eredienst' en in het gereformeerde wordt tot uitdrukking gebracht dat het ons om een naar Gods Woord herstelde en vernieuwde eredienst gaat. Het woord heeft dus voorop met de liturgie en pas in de tweede plaats met de leer te maken. Anders gezegd: de kerkleer is de bezinning achter en ten behoeve van de liturgie, van de eredienst, van de wijze waarop wij God zullen vereren, in de samenkomst van de gemeente en in de praktijk van elke dag (want Rom. 12:1 en 2 leren ons dat de eerste niet van de laatste geïsoleerd mag worden). Het is ermee als met het woord 'orthodox'.
'Recht in de leer', zo vertaalt men de term meestal. Maar de eerste betekenis is 'recht in de lofprijzing'.
En zo verwijst ook dit woord in de eerste plaats naar de eredienst.
Dat wij er 'otterdoksigheid' van gemaakt hebben (waarmee we dan een denkverkalking bedoelen) voert ver weg van de oorspronkelijke betekenis.
Het woord 'gereformeerd' is opgekomen in een tijd dat er veel misvorming in de kerkdiensten binnengeslopen was. Het avondmaal was misoffer geworden, gebeden werd er tot Maria en de heiligen en wat er gepreekt werd was een soort moralisme. Dat werd allemaal anders in de naar Gods Woord gereformeerde kerken. De Schrift kwam daar weer centraal te staan in de hele "wijze des dienstes die God van ons vordert" (art. 7 NGB). En sindsdien geldt: alle vormen die de kerk heeft en alle formulieren die aan deze vormen dienstbaar zijn zullen voortdurend worden getoetst op hun bruikbaarheid voor de rechte lofprijzing van Gods grote naam, die van Vader, Zoon en Heilige Geest.
Semper reformanda
Het loont de moeite om tegen het licht hiervan de bekende spreuk te houden: ecclesia reformata semper reformanda, 'de gereformeerde kerk dient steeds opnieuw gereformeerd te worden'. Zou dat dan ook op de eredienst slaan? En zou dat kunnen betekenen dat we in onze gereformeerde kerken met een grote achterstalligheid te maken hebben omdat we het nog steeds doen met vormen - nou ja, dat is tot daaraantoe, maar zelfs met formulieren (hulpmiddelen voor die vormen) die uit de zestiende eeuw stammen? Dat zou er dan toch op wijzen dat die papieren geen hulpmiddelen meer zijn maar overheersend zijn geworden.
Is dat soms niet zo? Denk aan de avondmaalsviering. Het formulier is daar zo zeer bij gaan behoren dat een avondmaalsviering zonder formulier voor het besef van velen niet geldig is. Ik herinner mij uit de tijd dat ik nog predikant was in de ongedeelde vrijgemaakte kerken dat ik me bij de bediening van de tafel van de Heer een kleine vrijheid ten opzichte van het formulier veroorloofde en dat ik na afloop van een zuster te horen kreeg dat ik haar de zegen van de avondmaalsviering had ontnomen.
Voor mij was dat een teken van verstening, een luid signaal dat we op de verkeerde weg waren. Dit bracht ons ver uit de buurt van de bovenvermelde spreuk. Deze spreuk namelijk verplicht ons tot het op tijd beproeven van nieuwe vormgevingen.
Bijvoorbeeld - om even bij het avondmaal te blijven - dat we ons als gemeente ook eens op de tafel van het verbond voorbereiden aan de hand van een mooi avondmaalsgedicht in plaats van een of het formulier.
Ik heb niets tegen het formulier, maar ik verzet me wel tegen zijn alleenheerschappij. Ik gebruik het regelmatig maar niet elke keer.
Een stuk uit de Belijdenissen van Augustinus is ook goed, of een goed bekommentarieerde avondmaalspsalm of -gezang uit het liedboek die daarna door koor en gemeente gezongen wordt. Werkelijk, de rijkdom der eeuwen staat ons ter beschikking.
Maar jezelf opsluiten in je eigen tradities verspert de weg naar die rijkdom. Zou het kunnen zijn dat de leerstellige fixatie op het woord 'gereformeerd' de oorzaak is geweest van een geringe flexibiliteit in de kerkdienst? Dat dus het gereformeerde te overheersend met de kerkleer geassocieerd is geworden?
En daardoor de notie van onveranderlijkheid ging dragen? De leer van de kerk namelijk komt in wezen niet voor verandering in aanmerking. De kritische houding die ik daartegenover bepleit betreft hooguit bepaalde bijstellingen of aksentverschuivingen.
De hoofdzaak blijft terecht gelijk.
En het 'semper reformanda', hoe zou dat dus in vredesnaam moeten bij de leer? Zo bleef die leus een holle kreet. En de leer bij het oude blijvende bleef alles bij het oude.
Maken wij evenwel het woord 'gereformeerd' wat van de leer los om het naar z'n oorspronkelijke bedoeling meer op de eredienst te betrekken dan openen er zich misschien perspektieven en komt er mogelijk wat meer beweging in gereformeerde kerkdienst. Want het gereformeerde is goed, maar het is aan vernieuwing toe. Hoognodig. Het is gewoon te gek dat wij aan geschriften gebonden zouden zijn die hoe goed van leer ook een heel ander tijds- en kultuurbesef tot achtergrond hebben.
Dat werk je niet weg door alleen maar het taalgewaad te vernieuwen.
Tegen willekeur en verstarring
Ja, maar krijg je zo geen willekeur en wildgroei? Goed, ik wil deze waarschuwing best ter harte nemen, maar je moet je bij dit soort bedenkingen wel steeds het alternatief van een waterdichte binding aan de formulieren voor ogen stellen. En daar kun je ook je vraagtekens bij plaatsen.
Zoals ik zelf eerder al gedaan heb: krijgt de kerkdienst zo niet de onnatuurlijke stramheid van een militair appel? Dat is een even goede vraag. Kijk, ik kan mij wel voorstellen dat men in de eerste tijd van de reformatie bindende voorschriften over het gebruik van formulieren gemaakt heeft. De voorgangers waren vaak nauwelijks gevormd of hadden als priesters in de roomse kerk gediend. Wisten zij veel? Maar dat men in een tijd van goede theologische opleidingen zulke verplichtingen eeuw in eeuw uit nog recht overeind houdt, moet toch echt verwonderen. De preek houden en het gebed doen laten we toch ook vrij? Levert dat dan geen gevaar van willekeur of wildgroei op? Of betreft dat misschien minder belangrijke onderdelen van de eredienst?
Ja, het is waar, er is een tijd geweest dat men de plaatselijke voorgangers Ook de preek voorschreef.
Niet de teksten waarover· gepreekt moest worden, nee, de preken zelf. In de tijd van Karel de Grote is dat geweest. Zijn hoftheologen maakten preken bundels aan en daar moesten de plaatselijke predikers zich aan houden, ze letterlijk voordragen. En ook hiervan zeg ik als ik een erg joviale bui heb: begrijpelijk voor die tijd. Maar het heeft natuurlijk geen stand gehouden.
Terecht is men dat toch gaan overlaten aan de betrokkenen zelf. En zo vind ik eigenlijk dat de oude formulieren, ouderwets of gemoderniseerd, ook hun tijd gehad hebben.
Natuurlijk, ze worden in de algemene theologische bagage meegenomen, ze worden daar zelfs van tijd tot tijd ook uitgehaald, maar in het algemeen geldt toch dat van onze voorgangers verwacht mag worden dat ze samen met de gemeente zonder zulke hulpmiddelen een kerkdienst (een doopdienst, een avondmaalsdienst, een trouwdienst) kunnen maken die duidelijk de sfeer van het evangelie ademt. Het essentiële van wat in die oude papieren staat zal vanzelfsprekend naar voren moeten komen. Daar moeten de opleidingen aan werken en daar moeten de kerkeraden op toezien.
Maar zestiende eeuwse geschriften in de kerkdienst, daar moeten we wat voorzichtiger mee worden. Onlangs zat ik nog eens in de oude Dordtse kerkenordening te lezen. In het gemoderniseerde Nederlands van het vrijgemaakte kerkboek, dat wel. Wat mij opviel was de autoritaire bedillerigheid die eruit sprak.
Ook op punten die voor een christen iets vanzelfsprekends hebben en nauwelijks regeling behoeven. Dat toontje ... Duidelijk afkomstig uit een tijd dat er meer opgelegd dan overlegd werd, uit de tijd dat de maatschappij nog een heerschappij was.
Nog zijn we niet klaar.