Hoe relevant is de kerk en hoe is de kerk relevant?

2007-10-26
  • Jaargang 51
  • nummer 21
Ook het kerkelijke leven kent zijn modewoorden. In een grijs verleden waren dat ‘verbondsmatig’ en ‘apostolair’, in een wat minder grijs verleden ‘oecumenisch’ en ‘missionair’ en tegenwoordig is dat ‘relevant’. Preek, kerk en theologie moeten relevant zijn, klinkt het alom. Anders gezegd: preek, kerk en theologie moeten ertoe doen, moeten van een directe, aanwijsbare betekenis zijn voor de hoorders, voor de samenleving, voor de kerk en de wereld.

In de grote aandacht voor de kansen, die de WMO de kerken bieden kan, proef ik datzelfde verlangen een relevante kerk te zijn. Want zo, door de handen uit de mouwen te steken, kunnen we de samenleving immers van de relevantie van het evangelie overtuigen? De druk op de kerken om relevant te zijn komt niet alleen van binnenuit, maar ook van buitenaf. Niet-christenen bevragen ons op de relevantie van ons geloof. En de overheid heeft behoefte aan kerken, die relevant zijn voor de samenleving. Zeker nu in het overheidsbeleid vrijwilligers een belangrijke rol gaan spelen ...
Met in het achterhoofd de vraag naar de relevantie van de kerk, wil ik in dit artikel twee dingen bepleiten: ten eerste dat we als kerken de WMO-mogelijkheden aangrijpen en ten tweede dat we heel helder houden welke eigen agenda Christus ons gegeven heeft.

Diaconaat en gerechtigheid
Waarom zouden we als kerk van Christus gebruikmaken van de (diaconale) mogelijkheden die de WMO biedt? Omdat er een rechtstreekse lijn loopt van het hart van God naar het diaconale werk van de kerk. De diaken staat voor een van de hoogste en mooiste taken die er te bedenken valt: het brengen van een stukje gerechtigheid op aarde. Zeker, het diaconaat is ook een gestalte van Gods barmhartigheid en bewogenheid met kwetsbare en gekwetste mensen, maar meer nog een gestalte van de gerechtigheid die God op aarde brengen wil.

Gerechtigheid
Zelf heb ik dankzij de beeldspraak van de Bijbel meer greep gekregen op dat wat ongrijpbare woordje ‘gerechtigheid’.
Meer dan eens komt gerechtigheid namelijk ter sprake in een context van groei, bloei en vruchtdragen. Zoals in Jesaja 61:11: ‘Want zoals de aarde haar gewassen voortbrengt, zoals een tuin het gezaaide laat ontkiemen, zo laat God, de HEER, gerechtigheid ontkiemen en glorie voor het oog van alle volken.’ Of in Psalm 72:6 ev, waarin over de koning der gerechtigheid staat geschreven: ‘Moge hij zijn als regen die valt op kale akkers, als buien die de aarde doordrenken.
Moge in zijn dagen de rechtvaardige bloeien, de vrede wereldwijd zijn tot de maan niet meer bestaat.’ Deze beeldspraak maakt als het ware zintuiglijk waarneembaar waar het bij gerechtigheid om te doen is. Onrecht is als onkruid en ongerechtigheid overwoekert de wereld en verstikt mens en dier. Maar gerechtigheid is als een tuin waarin een goede tuinman zorgt dat álle planten, klein of groot, zwak of sterk, naar vermogen tot groei en bloei komen. Dáár is het God om te doen.

Een diaconale God
In het Oude Testament kwam Gods diepe drive om gerechtigheid te brengen onder meer tot uiting in de wet, die Hij Israël gaf. Een wet met sabbatten, sabbatsjaren, jubeljaren. Een wet vol verlossende momenten voor slaven en slavinnen, weduwen en wezen, ontheemden en aan lager wal geraakten!
In het Nieuwe Testament wordt Gods gerechtigheid zichtbaar in Jezus Christus. Hij kondigt een genadejaar af, brengt armen goed nieuws, maakt gevangenen hun vrijlating bekend, geeft blinden het zicht terug en verschaft onderdrukten vrijheid. Jezus brengt gerechtigheid in allerlei gestalten. In de gestalte van verzoening en vergeving, van genezing en bevrijding, en van omzien naar weduwen en wezen in het bijzonder. Ja, dat laatste ook. Zo beschikten de discipelen over een aanzienlijk geldbedrag, dat beheerd werd door Judas (Mattheüs 26:9 en Johannes 12:4 ev).
Het was bestemd voor de armen. Toen de discipelen apostelen werden, zetten ze het diaconale werk dat Jezus hun eerder al te doen had gegeven gewoon voort. Ze steunden de behoeftigen in de gemeente van Jeruzalem (Handelingen 4:35) en zorgden voor de gemeenschappelijke maaltijden (Handelingen 6:2). Het diaconaat is dus geen bijkomstige zaak, maar een gestalte van het evangelie zelf, een gestalte van Gods bewogenheid met en liefde voor deze wereld, in het bijzonder de kwetsbaren daarin.

En daarom, als de WMO christenen en kerken extra kansen biedt om vorm te geven aan Gods liefde en bewogenheid in deze wereld, laten we die kansen dan met beide handen grijpen.

Relevantie
Zo wordt inderdaad iets van de relevantie van het evangelie zichtbaar in deze wereld. Er is – blijkens Handelingen – zelfs een rechtstreeks verband tussen kerkgroei en diaconaat. Nadat in Handelingen 6 de wat haperende zorg voor de weduwen is gereorganiseerd, lezen we: ‘Het woord van God vond steeds meer gehoor …!’ Ook uit de kerkgeschiedenis blijkt hoezeer werfkracht en diaconaat hand in hand gingen. Een van de meest zegenrijke predikers uit de kerkgeschiedenis, Johannes Chrysostomus, was ook een van de meest diaconaal ingestelde dienaren van de kerk. Hij leefde zelf als een arme, maar onderhield van zijn inkomen twee ziekenhuizen met 7700 armen en zieken!

Valkuil
De combinatie van diaconaat en werfkracht kan echter ook iets van een valkuil hebben. En daarin vallen we, als wij diaconale projecten opzetten óm relevant voor deze wereld te zijn! De barmhartige Samaritaan hielp níet uit strategische overwegingen, maar uit bewogenheid. Anders gezegd: het brengen van gerechtigheid is doel in zichzelf, geen middel om een ander doel te bereiken. Je bent geen diaconale kerk om anderen voor Christus te winnen, maar om anderen te helpen, ook al is het vervolgens volstrekt legitiem te hopen dat Christus’ liefde de ander aanraakt (zie Mattheüs 5:16).
Zodra we doel en middel door elkaar gooien – wat zomaar kan gebeuren als er een sterke hang is naar relevantie – doen we de eigen betekenis van de daadwerkelijke liefde van Christus tekort! Deze kanttekening daargelaten wil ik de kerken van harte aanmoedigen zich grondig te verdiepen in de mogelijkheden die de WMO het diaconaat biedt.

Eigen agenda
Tegelijk wil ik de kerken en vooral de diaconieën aanraden heel helder te houden welke eigen agenda Christus ons heeft gegeven. De kerk is immers geen verlengstuk van de overheid, maar het verlengstuk van Gods liefde voor deze wereld. En uitgaande van die eigen agenda wil ik vijf aandachtspunten naar voren brengen, die ons kunnen helpen helder te houden waarom het ons als gemeente van Christus te doen moet zijn, ook wanneer we WMO-kansen grijpen.

De diaken als evangelist
Het eerste aandachtspunt is de heel eigen aard die de diaconale zorg in het licht van het evangelie heeft. De diaken is niet slechts een hulpverlener, hij of zij is een evangelist! Want degenen die in Handelingen 6 worden aangesteld om ‘de tafels te bedienen’ worden geen diaken, maar ‘evangelist’ genoemd (Handelingen 21:8). Zij hadden een diaconale taak, maar waren tegelijk uiterst krachtige predikers van het evangelie (Handelingen 7 en 8).
Het diaconale werk van de kerk is deel van het ene evangelie, dat Christus in de wereld predikt. Op zijn mooist komt dat hierin tot uiting, dat de apostelen – en later de diakenen – in dubbele zin de tafels bedienden. Het liefdemaal en de viering van het avondmaal, het leven uit genade en het geven uit genade vloeiden in elkaar over!
De eenheid van diaconaat en evangelieprediking klinkt ook nog door in het klassieke formulier voor de bevestiging van ambtsdragers. ‘De diakenen behoren’, zo zegt het formulier, ‘de gemeenteleden die Christus’ liefdegaven ontvangen,
met Gods Woord te bemoedigen en te vertroosten.’

Kerk en overheid
Ik denk dat de kerken dit eigen karakter van het diaconaat helder voor ogen moeten houden, zeker nu zij bij de uitvoering van de WMO een rol mogen spelen. Kerk en overheid hebben beide immers een heel eigen agenda. En het is maar de vraag of de overheid het de kerken zal toestaan op basis van haar eigen agenda gebruik te maken van gemeenschapsgelden. Ik denk dat de lokale overheden op dit punt – om zeer begrijpelijke en alleszins plausibele redenen – uiterst terughoudend zullen zijn. Misschien zullen zij er zelfs bij de kerken op aandringen diaconaat en evangelieprediking te ontkoppelen. Omgekeerd zullen kerken en – zo mogelijk meer nog – christelijke instellingen er voor moeten waken om niet omwille van de subsidie het evangelische karakter van de hulpverlening te verdoezelen of te minimaliseren. Wanneer diaconaat en evangelieprediking ontkoppeld worden, wordt in één klap de kerk een stuk minder relevant voor de wereld. Immers, de grootste dienst die de gemeente van Christus de wereld kan bewijzen is, dat door de volle prediking van het evangelie mensen aangeraakt worden door de liefde van Christus!

‘Vooral voor geloofsgenoten’
Dan een tweede aandachtspunt. De kerk draagt een verantwoordelijkheid voor de samenleving, maar haar eerste verantwoordelijkheid ligt bij de leden van de eigen gemeente. ‘Doe goed aan allen, inzonderheid aan de geloofsgenoten’ (Galaten 6:10) moet ook het devies zijn van de diaconie. De zorg voor de samenleving mag niet ten koste gaan van gemeenteleden, die zorg en aandacht nodig hebben. Ik stel dit nogal scherp, omdat ik wel eens de indruk krijg dat de kerk desnoods ten koste van de eigen leden relevant moet zijn voor de samenleving. Laatst hoorde ik een collega zeggen: ‘Ik ben er voor om mensen voor Christus te winnen en als ik kiezen moet tussen het bezoeken van een ziek gemeentelid of het winnen van iemand voor Christus, dan kies ik voor het laatste.’ Volgens mij wordt hier zowel een verkeerde prioriteit gesteld, als een valse tegenstelling gemaakt. Allereerst moet het in het huisgezin van God voor een ieder goed toeven zijn, zo wil de HERE dat. En verder, alleen een gemeente die werkelijk een thuis is voor de eigen leden, kan ook een thuis zijn voor buitenstaanders!

Werelddiaconaat
Nog weer een ander aandachtspunt levert het grensoverschrijdende diaconaat op. Hoe groot de nood in Nederland soms ook is, de nood elders is vaak veel groter. Het mag opvallen dat de meeste aandacht die een concreet diaconaal project in het Nieuwe Testament krijgt, dat voor moedergemeente in Jeruzalem is! Toegepast in onze situatie: laat de aandacht voor de Nederlandse samenleving niet ten koste gaan van de aandacht voor ook het werelddiaconaat en de nood in de wereldkerk!

Prioriteiten
Een heel ander aandachtspunt is het volgende. Ruim anderhalf jaar geleden luidde ds. At Polhuis, de diaconaal predikant van de Hervormde Gemeente in Rotterdam-Zuid, de noodklok over de kerk in zijn stad. Zijn voorstel was wel heel tegendraads. Gegeven de dramatische situatie van de kerk in de grote steden pleitte hij ervoor de kaarten even helemaal op prediking, catechese en gemeenteopbouw te zetten. Een diaconaal predikant dus, die er voor pleit helemaal te stoppen met diaconaat vanuit de kerken. Met als argument: ‘Wij moeten ons eerst weer richten op kerkopbouw en daarom álle mensen en middelen inzetten voor evangelisatie.’ Waar leggen we de prioriteiten? Die vraag zal niet elke gemeente op dezelfde manier beantwoorden.
Sommige gemeenten kunnen mogelijk enorme krachten voor de diaconale taak mobiliseren. Elders kan dat echter anders liggen. Eén ding zou ook ik willen verdedigen: de voortgang van de woordbediening moet de hoogste prioriteit hebben. Een aanwijzing hiervoor levert – opnieuw – Handelingen 6.
Toen de apostelen niet in staat waren hun diaconale taak te combineren met de verkondiging en de gebeden, legden ze de prioriteit overtuigd en beslist bij de verkondiging van Gods Woord. Dit betekent allerminst, dat diaconaat en de opzet van diaconale projecten van secundaire betekenis voor de kerk zijn. Maar in de vele taken die de kerk heeft, moet het meest relevante wat wij deze wereld te bieden hebben worden veiliggesteld: de prediking van Gods liefde in Jezus Christus!

Voor het laatst: relevantie
Dit laatste aandachtspunt sta ik nog één keer stil bij de nadruk, die tegenwoordig op de relevantie van de kerk wordt gelegd. Ik begrijp die heel goed en deel het verlangen naar een voor de wereld relevante kerk! Tegelijk voel ik me er – net als ds. Bert Lakerveld op de Landelijke Vergadering dit jaar – wat ongemakkelijk bij. Wie beslist eigenlijk wanneer en hoe de kerk relevant is? Moet je niet gewoon zeggen: God ís relevant en de prediking van en het leven naar het evangelie zijn relevant, ongeacht wat de wereld daarvan vindt?
Ik moet in dit verband denken aan Anna, die 84 jaar in de tempel verbleef, wachtend op de Messias, biddend en vastend. Erg relevant leek dat niet, maar mede om Anna besloot de hemelse Heer zijn Zoon naar de aarde te zenden. Kortom, soms zit onze relevantie in een hoek waar niemand die zoeken zou! Er is daarom geen reden ons het hoofd op hol te laten brengen door het beroep dat overheid en samenleving op de kerken doen. Grijp van harte en weloverwogen de kansen die er zijn, maar blijf jezelf en houdt je grenzen en boven alles Gods eigen agenda in de gaten.

Drs. Jan Mudde is voorganger van de NGK in Haarlem.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief