Huisbezoek aan jongeren (1)
1990-08-03
Op de ouderlingenconferentie in Juni was ik uitgenodigd te spreken over huisbezoek aan Jongeren. De inhoud van mijn toespraak, enigszins bijgewerkt, vindt u in dit artikel.- Jaargang 34
- nummer 16
Gewoon huisbezoek
De vraag laat zich allereerst stellen: is bezoek aan jongeren dan wat anders dan gewoon huisbezoek?
Lopen we dan niet het gevaar, dat we jongeren maken tot een aparte categorie, die ineens anders benaderd moet worden. Waar andere regels en andere normen voor geiden.
Terwijl ze principieel juist behandeld moeten worden als volwaardige en daarom 'gewone' leden van de gemeente.
Om te beginnen is huisbezoek aan jongeren inderdaad echt huisbezoek.
Ik beklemtoon graag de noodzaak van dat huisbezoek aan jongeren.
Het is niet zo, dat zulk bezoek pas nodig is voor de zorgen van de oude dag of voor de vragen van opvoeders.
Het is immers zo, dat in de gemeente van Christus herders zijn gegeven. Degenen die als oudsten zijn aangesteld in elke gemeente worden door de apostel Petrus aangesproken als herders onder de Opperherder, met de opdracht: "hoedt de kudde Gods, die bij u is" (I Petrus 5:2). Herders van de gemeente, dat zijn dus de oudsten of ouderlingen, inclusief de dominee uiteraard. Deze herders besteden, als het goed is, persoonlijke zorg aan de schapen. Dat is het eigene van het herderlijk werk: dat het gericht is op elk schaap persoonlijk. In de ambtelijke zorg van een ouderling zijn de leden van de gemeente, ieder afzonderlijk met hun eigen noden en ook met hun eigen fouten, voorwerp van zorg. En daarom geldt al wat over huisbezoek te zeggen is ook voor huisbezoek aan jongeren: er is een luisterend oor nodig, je moet een relatie opbouwen en elkaar leren kennen, en het gaat om persoonlijke toespitsing van Gods woord.
Wanneer krijgen jongeren in de praktijk voor het eerst zelf huisbezoek?
Vaak zijn het in ieder geval de thuiswonende belijdende leden, die huisbezoek krijgen. Ik meen, dat we dit als minimum-regel moeten hanteren.
Maar ik voeg eraan toe: als het even kan zouden ook oudere doopleden zelfstandig bezoek moeten krijgen.
In alle nuchterheid: jongeren van zo'n 17 jaar en ouder praten niet vrijuit wanneer ze erbij genodigd zijn in de kring van het gezin. Voor apart bezoek aan hen zou ik willen pleiten.
Als onder eenvergrootglas
Huisbezoek aan jongeren is dus allereerst gewoon huisbezoek. Wel is er onderscheid: bij bezoek aan jongeren merk je het eerst de veranderingen in 'het levensgevoel', in trends en dergelijke. Om dat concreet te maken: u moet er eens bij stil staan, hoe kort geleden het nog is, dat het doemdenken toonaangevend was. 'Straks als de bom valt' en zo voort. Het 'no nonsense' tijdperk kwam er voor in de plaats en de 'fast consumers' zijn daar alweer aan voorbij. Bij jongeren zie je nieuwe trends het eerst.
Toch vormt het bezoek aan jongeren hierdoor niet eens een heel ander onderwerp dan het gewone huisbezoek.
Niet voor niets toont het zakenleven grote interesse voor allerlei onderzoek onder jongeren. Waarom verschijnen er zo mateloos veel onderzoeken naar de jeugdcultuur?
De ervaring leert, dat trends in het gedrag en de besteding bij jongeren niet veel later ook bij ouderen te vinden zullen zijn. Dat is waarom bedrijven willen weten hoe jongeren denken en wat ze willen.
En dat verband geldt in onze tijd meer dan ooit. Onze tijd wordt gekenmerkt door een jeugd-fetisjisme.
Ouderen proberen fanatiek de jeugd te imiteren. Je kunt wel zeggen: wij gunnen de jongeren zelfs de generatiekloof niet meer. Het is niet alleen zo, dat moeders 'zo slank als je dochter' willen zijn, maar dat vaders proberen ook te surfen en een spijkerbroek te dragen en net zo vlot met de computer om te gaan als dat kleine jochie.
Hoe dan ook: meer dan ooit werken trends die je bij jongeren ziet spoedig door bij ouderen. Je kunt dan ook zeggen: bij huisbezoek aan jongeren zie je als onder een vergrootglas de werkelijkheid van alle huisbezoek.
Voorzichtig gebruik van onderzoeken
Voor een zinvol pastoraat aan jongeren is het belangrijk om hun leefwereld te kennen. Te vaak worden jongeren op een goedbedoelde manier benaderd met antwoorden op problemen die ze allang niet meer hebben.
Stel dat een aardige jeugdouderling een avond over het doemdenken belegt. Of dat hij jongeren benadert in de gedachte dat ze wel links zullen zijn ...
Het is, lijkt mij, gemakkelijk als je zelf kinderen hebt in deze leeftijd. Of als je een antenne hebt voor wat er leeft. Er zijn ook allerlei onderzoeken verschenen op dit punt. Die kunnen helpen, al hebben ze niet meer dan een-betrekkelijke waarde.
Er zijn zoveel studies verschenen over 'kerkverlating' en 'het probleem van de geloofsopvoeding', dat het gevaar bestaat dat deze studies onze kijk op jongeren gaan bepalen.
Dat we dus bij voorbaat naar hen kijken als potentiële kerkverlaters.
..Daar heb je weer een jongere. Zou hij al bezig zijn er uit te stappen?" Ik vrees dat jongerenpastoraat daardoor wel eens wordt gefnuikt. Het is van alle tijden om over de jeugd te denken als 'probleemgroep'. En niet te ontkennen valt, dat daar nu ook een bepaalde aanleiding toe is. Het is wáár dat veel jongeren de kerk verlaten.
Trouwens, denken wij er dan achteraan, het is toch algemeen bekend, dat jongeren norm loos zijn en dat ze weinig besef van God hebben. Denken we ...
Besef van God
Op dit punt kunnen onderzoeken toch - beperkte - waarde hebben, zeker om onze vooroordelen te corrigeren.
Met name vond ik interessant de onderzoeken van Stoffels 1 en De Hare, waaruit een aantal conclusies opvallen. In de eerste plaats is er wel degelijk veel besef van God onder jongeren. Met dat onderwerp zijn ze veel bezig. "Er wordt ontzettend veel gebeden door jongeren.
Zo'n 90% bidt regelmatig, maar slechts één op de tien doet dat in de kerk. Bidden is voor hen een soort 'inner talk'. Even stilstaan bij het leven. Vaak hebben ze het gevoel dat ze een hogere macht ervaren."
(De Hart). Het onderwerp speelt dus wel degelijk in de beleving van jongeren.
Overigens, men versta mij goed, doe ik niet alsof het dus allemaal wel meevalt met die kerkverlating.
Alsof er een soort verborgen christendom onder jongeren is. Er moet namelijk naast gezegd worden: al 'bidden' jongeren wel, er is maar bar weinig besef van christelijke begrippen als zonde, vergeving, genade en het koninkrijk Gods (Stoffels).
Velen zien deze basisbegrippen als totaal onbegrijpelijk.
Privé-mix van normen
Verder blijkt uit onderzoek, dat het verhaal van 'normloosheid' ook niet klopt. Er gelden voor jongeren doorgaans wel degelijk normen. Vaak hele strikte normen. Maar het zijn privé-normen. Normen, die jongeren gaandeweg ontwikkeld hebben tot hun eigen particuliere recept. "Veel jongeren voelen zich niet gebonden aan organisaties en knutselen zelf een private levensvisie in elkaar"
(De Hart).
Dit heeft te maken met het feit, dat onze samenleving is uiteen gevallen in steeds meer deel-culturen. Het zijn allemaal kleine stukjes, die ieder persoonlijk moet samenvoegen tot een geheel. Je kunt allerlei stereotypen dan ook doorbroken zien.
Je vindt een kraker die van klassieke muziek houdt, een hardrocker die diep gelovig is. Elk maakt z'n eigen persoonlijke mix van normen en waarden.
In deze gefragmentariseerde samenleving kiezen we hap en snap onze normen, ook al hangen die normen totaal niet met elkaar samen.
Zelfs onze manier van informatie vergaren is hierop ingesteld. Het is bekend, dat mensen een televisieprogramma nauwelijks meer uitzien.
Men noemt dat het 'zappen' op televisie: dat je met de afstandsbediening van het ene kanaal naar het andere springt. Video-clips zijn in feite programma's die dit 'zappen' al ingebouwd hebben. En het is allemaal fragmentarisch.
Instituten niet in trek
Een volgende trek is, dat je vrijwel geen binding aan instituten vindt onder jongeren. Dat geldt niet alleen de kerk, het geldt alle instituten.
Maar juist voor de kerk is het een groot probleem, dat er onder jongeren vaak een diep gewortelde afkeer van en een wantrouwen tegen alle instituten bestaat.
Inderdaad: onze samenleving is gefragmenteerd, in duizend scherven uiteen gevallen en er zijn geen omvattende structuren meer. Jongeren zijn misschien enthousiast voor de volley, ze stemmen op Lubbers omdat ze wat in hem zien en mogelijk zien ze een bepaalde dominee wel zitten. Maar elk van die interesses raakt slechts een klein stukje van hun leven. En zelden voelen ze zich verbonden met de 'club' die er achter zit. Het geldt op elk levensterrein.
Vakbonden hebben moeite om leden te binden. Politieke partijen zitten te springen om leden. Het CDA is zo'n beetje de meest succesvolle partij in de politiek, maar ze zitten zo krap in de leden dat ze sponsors moeten zoeken. Op SGP en GPV na geldt dat vrijwel alle partijen.
Al geldt dit dus de hele samenleving, als kerken zit je er toch maar mee.
Met het feit, dat met name jongeren best over dingen van geloof en zo na willen denken, maar het verlangen om bij een concrete kerk te horen is erg gering. Alles heeft tegenwoordig een naam; dit verschijnsel wordt het non-affiliation syndrom genoemd. De neiging om zich nergens aan te willen binden of in elk geval geen interesse te hebben voor instituten.
Daarom zult u niet zoveel geschop tegen de kerken vinden onder jongeren (daar moet u voor bij de veertigers zijn), maar er is gewoon weinig interesse.
Kerkelijke verdeeldheid
Met mijn eigen catechisanten besprak ik onlangs de kwestie van de kerkelijke verdeeldheid en ik legde hun de vraag voor of ze deze verdeeldheid ook zien als een probleem voor de werfkracht van het evangelie.
Toen ik dat vroeg zag ik grote vraagtekens in de ogen van mijn catechisanten ontstaan. En iemand vroeg heel oprecht: "maar hoezo dan, wat is het probleem?"
Dat het instituut kerk verbrokkeld is en verdeeld, is natuurlijk ook nauwelijks een probleem, want àlles is verbrokkeld en je zoekt en je kijkt waar je je bij thuis voelt. Zo bezien is kerkelijke verdeeldheid niet veel anders dan marktsegmentatie.
Overigens hebt u hier ook een voorbeeld bij mijn stelling, dat de trends onder jongeren zo snel doorwerken onder volwassenen. Als een gezin verhuist, zie je steeds vaker dat de attestatie pas na een hele tijd wordt ingeleverd, want eerst gaat men in de nieuwe plaats eens kijken waar het 'het beste klikt'. De trend dus, dat je je zelfs emotioneel niet verbonden voelt met een kerk, maar overal kijk je eens of het klikt... voor zolang als het duurt.
Ervaring is het enige bewijs
Tenslotte noem ik als een kenmerkende trek de beslissende rol van ervaring. Bij die privé invulling van normen en waarden hoort ook een volstrekte allergie tegen bevoogding.
Ik zou zeggen: deze allergie is sterker dan hooikoorts. Waarbij vaststaande regels de pollen zijn; ze zijn volstrekt taboe. In het onderzoek van Stoffels vond ik de typerende opmerking: "Ik bepaal zelf wel wat ik geloof of niet. Daar heb ik de kerk niet voor nodig". Een strikt privé geloof.
Waarom geloof je dit of dat? Ik voel dat het waar is.
In de kerk zijn we groot gebracht bij de leer en bij dogma's en die landen niet bij jongeren. Beslissend is voor het gevoel van de mensen en in het bijzonder voor jongeren, niet de vraag of normen uit een betrouwbere leer voortkomen. Maar echte normen zijn normen waar ik me goed bij voel; echte godsdienst is godsdienst waar ik iets goeds bij ervaar.
En al zal dit echt niet alle jongeren gelden, toch kun je soms weinig interesse tegenkomen voor leer en leerstukken, maar wordt de discussie verkort tot: ik voel het-zus en hij voelt het zo en wat interessant dat we allemaal anders zijn.
Geldt dit allemaal ook voor ons?
Nu verwees ik tot heden vooral naar algemene publikaties. Zijn zulke onderzoeken nu geldig voor ons allemaal? Enerzijds is die geldigheid natuurlijk beperkt. Onderzoeken die ik noemde richten zich op HAVO- en VWO-leerlingen of studenten en dat zegt bepaald niet alles. Anderzijds kiest men deze groepen niet voor niets, maar vanuit de ervaring dat juist de trends onder deze groepen vaak doorwerken.
En als we vervolgens vragen: raakt zo'n ontwikkeling in de samenleving nu ook onze kerken, dan zou ik in de eerste plaats zeggen dat het alle kerken raakt, want we staan allemaal midden in de wereld. Daarnaast denk ik, dat het onze kerken zeker raakt. Onze kerken immers kennen weinig structuren die als een cocon om de boodschap heen liggen.
Onze jongeren gaan naar allerlei scholen en staan midden in de wereld, zodat we zeer openstaan voor de denkwereld van de mensen om ons heen. Onqeacht de vraag hoe wij daar dan mee omgaan.
1 H.C. Stoffels in Hervormd Nederland van 20-02-88. Dit is weergave van een onderzoek, verricht onder studenten aan de Vrije Universiteit.
2 Eind januari 1990 promoveerde Joep de Hart aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen op een onderzoek naar 'levensbeschouwelijke en politieke praktijken van de Nederlandse middelbare scholieren'.
(slot volgt)