LV over schapen en poten
2010-11-12
De discussie over het toekomstige profiel voor predikanten gaat begin volgend jaar verder. De Landelijke Vergadering gaf zaterdag haar mening over het rapport ‘Tussen gisteren en morgen, over kerk zijn vandaag’.- Jaargang 54
- nummer 22
Vier LV-afgevaardigden stellen samen met de commissie een lijstje kernpunten op, waarover de discussie dan verder gaat.
Tot die kernpunten behoren het idee voor het prioschap, de taken van de kerkelijk werker en de vraag wat het ambt van predikant nu precies moet inhouden. Met name dat laatste moet het mogelijk maken een scherp profiel te schetsen. ‘We wilden af van het schaap met vijf poten, maar de commissie schetst nu een schaap met zeven poten’, vond ds. Herman Scheffer.
Afbakenen
Commissielid Marieke Jellema verwees in haar inleiding nog eens naar maatschappelijke vernieuwingen, die de kerk binnenkomen. ‘We kunnen niet heen om de drukte van het predikantschap.
Voor je het weet, doe je niks meer goed. In dit stuk proberen we de taken van de predikant af te bakenen, maar voor de wegvallende taken moet er dan wel een vervanger - de kerkelijk werker - zijn.
En wellicht moet de gemeente haar verwachtingen ook bijstellen.
De uitbreiding van de Vertrouwensen Adviescommissie (VAC, die bemiddelt bij problemen in gemeentenred.) is
weliswaar hard nodig, maar ook hartverscheurend.’
Ambtsvisie nodig
De kerkelijk werker doet dus nadrukkelijk zijn intrede. Vragen die daarbij spelen zijn, of het een ‘ambt’ is, of hij de sacramenten mag bedienen en of predikant en kerkelijk werker arbeidsrechtelijk ‘gelijke monniken’ zijn.
Sommige afgevaardigden waarschuwden voor ongelijke behandeling en beloning en pleitten daarom voor loondienst van beide. Enkele afgevaardigden vonden ‘professionalisering’ goed, ‘maar het besef van een roeping is wezenlijk om het met elkaar te kunnen uithouden’, zei Scheffer.
Ds. J. van ’t Hof (Dordrecht-Gorinchem) had echter moeite met de ‘eenzijdige en beperkte visie’ op het predikantschap en miste de onderbouwing, dat kerkelijk werker geen ‘ambt’ zou zijn. Anderen vielen hem bij. ‘En wat zijn de door de Bijbel geschetste kaders voor de ambtsvisie?’ vroeg hij zich af.
Ds. C. Smit vond het wat te beperkt om het wetenschappelijke niveau van de predikant te beperken tot bijbeluitleg en preken. ‘De wetenschappelijke benadering werpt ook in andere taakvelden haar vruchten af. En laten we de maatschappij niet achterna gaan in het streven alles meetbaar en regelbaar te maken. De realiteit is toch vaak weer anders.’ Broeder J. Maris (Harderwijk) wilde ook heldere argumenten voor de ambtsvisie en vroeg, verwijzend naar Kol. 3:16-17, aandacht voor het ‘ambt aller gelovigen’. Hij vond dat het competentieprofiel voor de predikant bij de
beoordeling van diens capaciteiten ‘met enige nuchterheid’ moet worden gebruikt.
‘Geen knechtje’
De commissie vindt de kerkelijk werker geen ‘knechtje van de predikant’.
Beide hebben eigen taken en moeten samen met de kerkenraad een goed team vormen. Zij was alvast akkoord met een regionaal, in plaats van plaatselijk preekconsent en met een maximering van het aantal preekbeurten van de kerkelijk werker.
Op de vraag van Scheffer over de zeven taakvelden voor de predikant (‘schaap met zeven poten’) antwoordde commissielid ds. Bronsveld, dat hiervoor is gekeken naar de opleidingen in CGK en GKV. ‘En de predikant hoeft natuurlijk niet in alle taakvelden even goed te zijn.’ Ook ds. P. Sinia pleitte voor een soepele omgang met het takenpakket van de predikant. ‘In de regel zal het zo zijn, maar laten we er geen wet van Meden en Perzen van maken.’ Hij kon zich verder ‘weinig voorstellen’ bij het voorstel voor een interim predikantschap.
‘Waar past dat in onze kerkelijke werkelijkheid en wie zou dat dan moeten doen?’ J.F. van der Bijl (Utrecht) was dat met hem eens.
Jellema onderkende dat, maar acht ‘schuifbeleid voor predikanten’ wel nodig. De ‘loopbaanbegeleiding’ van predikant en kerkelijk werker verdient ook nog aandacht. De commissie vond het een goed idee theologiestudenten eerder (‘na propedeuse of bachelor’) te beoordelen op hun geschiktheid, om te voorkomen dat zij later ‘stuklopen’.
Ook werd kort gesteggeld over het verschil tussen ‘evaluatiegesprek’ en ‘functioneringsgesprek’. ‘Het gaat over het functioneren van dominee en kerkenraad, dus laten we het beestje bij de naam noemen’, vond Scheffer.
Baan of opleiding?
Het prioschap is iets heel nieuws. In de woorden van de commissie ‘een baan (van twee jaar - red.), waarbij de theologiestudent in dienst treedt van een gemeente en zo werkervaring opdoet.
Zijn belangrijkste taken zijn preken, catechese en pastoraat. Na twee jaar examineert de regio hem en kijkt daarbij ook naar de ervaringen in zijn prioschap. Na dat examen kan zijn priogemeente hem beroepen.
Anders kan hij elders een betrekking aanvaarden en twee jaar beroepbaar blijven.’ A.F.M. Schippers (Amsterdam-Haarlem) vroeg zich af wie zich om de prio bekommert als hij na twee jaar niet bij de gemeente kan blijven. ‘Wie regelt bijvoorbeeld zijn WW?’ ‘Je vraagt van iemand twee jaar van West- naar Oost-Nederland te verhuizen, zonder te weten wat volgt. Welke mogelijkheden heeft de student als solliciteren niets oplevert en heeft de commissie hierover gesproken met studenten, de dominees van de toekomst?
‘vroeg ds. H.J. Zuidhof (Kampen) zich af.
‘Is het prioschap nu een verlenging van de opleiding of een start van je loopbaan? Waar ligt het accent?’ wilde ds. Scheffer (Enschede-Zwolle) weten.
Commissielid Marieke Jellema antwoordde, dat het prioschap ruimte en kansen moet bieden. ‘Een eerste beroep is vaak moeilijk voor de nieuwe predikant én de gemeente. Tevens kunnen kleine gemeenten op een betaalbare manier een vacature invullen.
En moeten verhuizen geldt ook voor een kerkelijk werker met een tijdelijk contract.’ Over de functiemodellen is al gesproken met studenten.
‘In december praten we met studenten over het prioschap.’
De cost gaat voor de baet
En uiteraard waren er vragen over de financiële gevolgen van de voorstellen van de commissie. Zo zullen loopbaanbegeleiding en ‘permanente educatie’ extra kosten met zich meebrengen. Daarover gaat de commissie doorpraten met onder meer Stagg, NGP en de VAC.
Jellema waarschuwde, dat ‘niets doen’ op dit punt wel eens duurder zou kunnen uitvallen. ‘Naast de financiële kant staan grotere groeikansen voor de gemeente.’ Oplossen van en bemiddelen in conflicten tussen predikanten en gemeenten kost veel tijd en geld.
VAC breidt uit
Dat bleek ook uit het betoog van voorzitter B. Wattèl van de Vertrouwens Adviescommissie. De driekoppige commissie wordt vanwege de werkdruk uitgebreid met drie leden, die op projectbasis worden ingeschakeld.
Dat zijn drs. A. Boshuizen, Arine Brouwer (Stagg) en oud-legerpredikant W.H. Louwerse. Wattèl treedt na negen jaar af en K.H. Mollema volgt hem op. De commissieleden ds. J. Mudde en H. Lakerveld blijven.
Terugblikkend zei Wattèl, dat bemiddeling door de VAC vaak nauwelijks werkt, doordat een overstap van een predikant lastig is in een klein kerkverband.
‘Vacante gemeenten kennen hem meestal al, dus het is geen verrassing meer. Inschakeling van de VAC is vaak zelfs contraproductief, vanwege het vermoeden “dat er wel iets met die man aan de hand zal zijn”.
Een vlekje zit er zo aan.’ Op persoonlijke titel zei Wattèl dankbaar te zijn dat hij het geloof heeft behouden.
‘Want ik heb verdriet over de liefdeloosheid, schuld, scheefgroei, onoplosbare situaties en beschadigde mensen die we zijn tegengekomen. Ik maak mij zorgen over het aantal en de aard van deze gevallen. En ik vraag vergeving om de dingen die ik verkeerd heb gedaan en gezegd.’ Was de LV lovend over de handreiking voor het beroepingswerk van de VAC, meer (financiële) moeite was er met het VAC-voorstel om een facilitair bureau in het leven te roepen voor regeling van dienstverband en administratie van kerkelijke en andere werkers voor in het algemeen niet gemeentegebonden werkzaamheden.
Ds. C.T. de Groot opperde aan te haken bij het Kantoor der Kerkelijke Administraties in Barneveld.
Wattèl maakte geen punt van een intern of extern bureau. ‘Het gaat er niet om weer iets nieuws op te tuigen, maar om te voorkomen dat we steeds opnieuw het wiel uitvinden. Met in het achterhoofd wat de introductie van de kerkelijk werker allemaal gaat meebrengen, moeten we zorgen voor voldoende juridische en financiële kennis.’
| Op de centen letten De landelijke financiële lasten waren voor de regio Schiedam reden te vragen om terughoudendheid met nieuwe kostenposten en tijdig inzicht in de financiële gevolgen van besluiten. Beide kregen brede steun. Op de laatste zitting van de LV worden alle financiële gevolgen van de besluiten op een rij gezet. ‘Dan kunt u beslissen of kosten en opbrengsten in balans zijn. Zo niet, dan moet u keuzes maken en daarbij bedenken dat investeringen toekomstige (hogere) kosten kunnen voorkomen. Bovendien zijn de landelijke afdrachten de laatste jaren vaker gedaald dan gestegen’, hield voorzitter Ad de Boer de vergadering voor. J.C. Verburg (Alkmaar-Zaandam) kon daarmee leven. ‘Mits dat niet op de laatste zittingsdag om vier uur ‘s middags gebeurt, want dan riekt het naar chantage’, zei hij rond vier uur onder algemene hilariteit. |