‘Sociale kapitalist’ verdient steun en erkenning

2007-10-26
  • Jaargang 51
  • nummer 21
Gelovigen zijn ‘sociale kapitalisten’ en daarom moet de overheid zuinig op hen zijn. Niet door ze in een openluchtmuseum te stoppen, maar door opnieuw te overdenken welke waarde religies hebben voor de maatschappij. Dat staat te lezen in het rapport Geloven in het publieke domein, dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid eind vorig jaar het licht liet zien.

Zo’n tien maanden later is van dat rapport vooral blijven hangen, dat gelovige Nederlanders zoveel vrijwilligerswerk doen en zoveel geld aan goede doelen geven. Maar het rapport is veel breder en kan de komende jaren van grote invloed zijn op de plek, die ‘geloven’ in onze maatschappij inneemt. In vogelvlucht een aantal interessante gedachten van de samenstellers van het rapport, volgens wie ontkerkelijking helemaal niet betekent dat ‘religie’ op haar retour is.

Niet zo gek
Er zijn van die mensen, die een maatschappelijke ontwikkeling vroeger zien dan anderen. Eén van hen is de Amsterdamse burgemeester Job Cohen. In 2004 wijdde hij een lezing aan de ‘scheiding van kerk en staat in de 21ste eeuw’ en keek daarin terug naar zijn eerste nieuwjaarstoespraak als burgemeester in 2002. ‘Toen ik de noodzaak van de dialoog tussen groeperingen in de stad benadrukte en onder meer suggereerde bij contacten van de overheid met de bewoners ook de religieuze infrastructuur in de stad te gebruiken, verklaarde menigeen me voor gek.’ Maar inmiddels hebben al heel wat wetenschappers zich gebogen over de vraag hoe religie en maatschappij zich tot elkaar verhouden.
Cohen sluit zich aan bij de gedachte dat, zeker na de aanslagen van 11 september 2001, modernisering en welvaartgroei niet meer hand in hand gaan met secularisatie. De Islam en het orthodoxe jodendom groeien en het christendom verslaat hen nog. Rond 2030 wordt verwacht dat er ongeveer drie miljard christenen zijn. Geloofsstromingen, die zich niet aanpassen bij de moderne tijden, blijken te groeien. Terwijl zij, die modern proberen te zijn, leden verliezen.

Religie ‘werkt’
Als bestuurder van een stad met veel nationaliteiten beschouwt Cohen religie als een belangrijk bindmiddel.
Verwijzend naar de activiteiten van de Pentecost Revival Church in Amsterdam-zuidoost (telefoonteam, voorbede, dagelijkse activiteiten), zegt hij dat ‘religie “werkt” voor haar gelovigen’. ‘Nu migratie van het ene naar het andere land een vrij gewone aangelegenheid is, kan religie ook in onze steden zo gaan werken, zeker wanneer andere bindingskaders ontbreken. En dat kunnen wij maar beter onderkennen dan ontkennen. (…) Tegelijkertijd moeten we ons realiseren dat gelovigen een morele agenda hebben, die soms haaks staat op min of meer geaccepteerde praktijken in onze samenleving. Denk aan alcoholen drugsgebruik, echtscheiding, pornografie, fraude, de commercialisering van het bestaan en menselijke relaties. Dat kan ons een spiegel voorhouden; het kan ook een appèl uitoefenen op mensen die de existentiële leegte van de seculiere samenleving willen ontstijgen. Wat dat laatste betreft: de werkelijke dynamische kracht van religie kan alleen worden begrepen, als we inzien dat religies hun gelovigen een perspectief bieden op een rechtvaardige of rechtvaardigere samenleving. Kunnen samenlevingen dat perspectief niet op andere wijze bieden, dan ligt het voor de hand dat religies terrein winnen.’

Omgekeerde doorbraak
In zijn denkbeelden past de oproep, die hij in 2006 richting ‘zijn’ PvdA deed. Hij pleitte voor een ‘omgekeerde doorbraak’. Waar ooit veel religieuzen zich aangetrokken voelden tot het socialistische gedachtegoed, zouden socialisten zich nu meer tot de religie moeten wenden. ‘Ook als zij zelf niet geloven, moeten zij religies niet zien als achterhaald en bedreigend, maar als belangrijke en potentiële waardevolle vormen van engagement en sociaal gedrag.’ Het WRR-rapport concludeert daarbij, dat zo’n omgekeerde doorbraak in het hele politieke en publieke bestuur van belang kan zijn. ‘De verhouding tot religieuze tradities heeft altijd de identiteit van westerse samenlevingen bepaald. Het opnieuw bepalen van deze verhouding in een tijd, waarin de religieuze situatie ingrijpend verandert, is van fundamenteel belang. Die zaak verdient aanzienlijk meer intellectuele aandacht, politieke steun en bestuurlijke en financiële ondersteuning dan zij nu krijgt.’

Vuile werk
Landelijk profileerden ministers als Ardenne-van der Hoeven en Donner zich in deze discussie. Zo zei Ardennevan der Hoeven over ontwikkelingssamenwerking: ‘Waar de staat om welke reden ook faalt, knappen deze (religieuze) organisaties het vuile werk op. Het is duidelijk, dat religieuze organisaties, meer dan de overheid, in staat zijn de maatschappij op een positieve manier te mobiliseren (…) Wij moeten onze religieuze wortels opgraven als we echt contact willen leggen met de minderheden hier en de meerderheid daar.’ Donner voegde daaraan toe: ‘Geloof en religie uit het publieke leven willen bannen is gevaarlijk en weinig zinvol. Zonder geloof is duurzaam samenleven niet mogelijk, en zonder religie gaat het niet goed. Overheid en samenleving hebben juist belang bij het betrokken zijn van geloof en religie op de publieke zaak. Het waarborgt de voortdurende ontwikkeling van de waarden en normen waarmee nieuwe
vraagstukken in de samenleving tegemoet getreden kunnen worden.’

Ander uiterlijk
In die citaten klinken opvattingen, die in het WRR-rapport terugkeren. De ooit algemeen aanvaarde theorie over secularisatie (kortweg: hoe moderner een samenleving, hoe minder behoefte aan ‘kracht van boven’) kan misschien voor West-Europa nog enig opgeld doen, maar zeker niet wereldwijd. Religie is niet zozeer op de terugtocht: ze verandert van uiterlijk. Het lidmaatschap van een strak geregeld kerkgenootschap maakt steeds vaker plaats voor spiritualiteit in het persoonlijke leven. Het rapport verdenkt de kerken ervan, dat ze tot de jaren zestig leden aan ‘polderblindheid’. ‘Ze werden geraakt door kruisend verkeer uit onverwachte hoeken.’ Maar er zijn ook groeikerken. Die vallen volgens de onderzoekers op door hun duidelijke identiteit, sterke gerichtheid op de plaatselijke gemeente of bepaalde subculturen en veel ruimte voor spontane emoties en ‘direct contact met het heilige’.
Voorbeelden daarvan zijn de evangelische en Pinksterbeweging en de Evangelische Broederschap. ‘Maar hun groei
bestaat vooral uit mensen, die overkomen uit andere kerken en niet zozeer uit mensen van buiten.’

Kerkgangers
De WRR-onderzoekers zien een duidelijk verband tussen het ‘sociale kapitaal’ dat religieuze mensen voor de maatschappij vertegenwoordigen en de manier waarop zij zich organiseren. Groepen gelovigen (kerken) vallen op door hun sociale actie, vrijwilligerswerk, rol in de opvoeding en bescherming van morele waarden. ‘De christelijke religie kan belangrijk zijn voor de liefdadigheid, ook buiten de eigen kring. Kerken dragen in hoge mate bij aan allerlei onbetaalde vormen van sociale dienstverlening en bevorderen zo maatschappelijke vaardigheden, sociale normen en maatschappelijk bewustzijn, wat mensen beter geschikt maakt om deel te nemen aan niet-kerkelijke, maatschappelijke activiteiten. Daarom houdt een verlies van religieuze organisaties risico’s in voor de instandhouding van de democratie en het sociaal kapitaal.’ Uit de ‘God in Nederland’-onderzoeken in 1996 en 2006 bleek, dat ruim een kwart van de bevolking geloof en kerk ziet als ‘een dam tegen oprukkend egoïsme en verloedering’.
Vooral ouderen, gelovigen, actieve kerkleden en – opvallend – 33 procent van de jongeren tussen 17 en 24 jaar ziet kerken als een ‘betrouwbare’ tot ‘zeer betrouwbare’ informatiebron voor maatschappelijke vraagstukken. En een meerderheid van de ondervraagde ongelovigen vindt, dat de kerk zich moet uitspreken over armoede in de samenleving.

Cijfers
De WRR telt in ons land circa zeven miljoen christenen, 950.000 moslims en 300.000 à 400.000 overige religieuzen (hindoes, joden, boeddhisten). Onder die zeven miljoen christenen zijn 237.000 ‘orthodoxe gereformeerden’ (GKV, CGK, NGK, GHK en VGKN), 221.000 ‘bevindelijke gereformeerden’ en 148.000 leden van evangelische en pinkstergenootschappen. De grootste stromingen, RK en PKN, trekken in 3300 gemeenten elk weekend zo’n 800.000 kerkgangers en steunen daarbij op 3500 priesters, predikanten en diakens, 800 pastorale werkers en 545.000 vrijwilligers. Ruim vier op de tien Nederlanders staan ingeschreven bij RK of PKN. De harde kern, de ‘religieus gebondenen’ omvat volgens de WRR ongeveer 28 procent van de ruim zestien miljoen Nederlanders.


De staat en de zin van het leven
De discussies in de Nederlandse politiek over religie en maatschappij spitsen zich toe op de rol van de Islam en integratie van allochtonen. In die discussie valt vaak de term ‘scheiding van kerk en staat’. Aan de precieze betekenis van dat begrip besteedt de WRR ook de nodige aandacht.

Ons land kent al honderden jaren een scheiding tussen kerk en staat. Grofweg komt dat erop neer, dat er godsdienstvrijheid heerst en dat kerk en overheid zich over en weer niet met elkaars ‘inhoud’ bemoeien.
Zodoende ontstaat een ‘publiek domein’, een stuk van de wereld dat wij met anderen gemeen hebben. En dat domein valt weer uiteen in de staat en de politieke en burgerlijke samenleving. Of die domeinen echt neutraal zijn, is trouwens de vraag. Critici geloven dat achter de ‘neutrale’ inhoud vaak een zeer bepaald mens- en maatschappijbeeld schuilgaat.
Ook vinden sommige filosofen het publieke domein ‘overtransparant’. De werkelijkheid lijkt te verdwijnen onder de talloze gezichtspunten waaronder zij kan worden beschouwd. De massamedia en internet storten al die meningen en opvattingen dag in, dag uit over ons uit en zo wordt het moeilijker om te spreken van één realiteit. Datzelfde gebeurt trouwens met religies; aloude vaste kaders lossen op en ieder leest zijn Bijbel op z’n eigen manier en trekt daar conclusies voor zijn leven uit.

Bezweringsformules
Wij leven in een moderniserende maatschappij, die rationeel zegt te denken en daarbij de nadruk legt op doelen en middelen. In die maatschappij leven echter ook religieuzen, die veel meer denken in termen van intrinsieke waarde en betekenis. Dat verschil valt volgens sommigen niet op te lossen met ‘bezweringsformules’ over de scheiding van kerk en staat en de religieuze neutraliteit van de publiek ruimte, die we toch met elkaar hebben afgesproken. Religie maakt domweg deel uit van het leven van burgers en is een wijze om hun maatschappelijke aspiraties, visies en idealen uit te drukken. Daar moet een overheid dus mee kunnen omgaan.
Het rapport citeert instemmend de Duitse filosoof Jürgen Habernas. Volgens hem wordt de ontwikkeling van de ‘moderne, democratische’ maatschappij bedreigd doordat zij mensen voor onmogelijke opgaven stelt en daarom niet ‘werkelijk verplichtend’ kan zijn. ‘Mensen kunnen naar het algemene hedendaagse inzicht alleen gehouden zijn tot het mogelijke; veel politieke discussies gaan daarom niet over de vraag wat wenselijk of moreel verplichtend zou zijn, maar over wat economisch en sociaal mogelijk is. Religieuze tradities beschouwen “het onmogelijke” echter als reëel en verplichtend in hun handelen. Zij hebben vormen gevonden om zich te verzoenen met het voortdurende tekortschieten, dat uit die opvatting voortvloeit.’ Volgens Habernas is dat van groot belang voor de moderne maatschappij, want als die ‘haar grootse belofte van een menselijke wereld’ niet kan inlossen, dan bestaat het gevaar dat teleurgestelde burgers haar aanvallen. Terreuracties als rond de Twin Towers ziet hij als een uiting van zulke teleurstelling.

Groeiende kloof
De WRR ziet mede daardoor een groeiende kloof tussen burger en overheid, hoeveel moeite die overheid ook doet om de burger ‘inspraak’ te geven. ‘Mensen hebben minder overzicht en controle over hun leven, maar krijgen wel steeds meer verantwoordelijkheid voor wat zij van hun leven maken. Mede daarom verlangen zij naar een leefbare en zorgzame verhoudingen in maatschappij, politiek en bestuur. Tegelijkertijd klagen overheden en bestuurders, dat burgers onverantwoordelijke consumenten zijn, die slechts hun eigen belang voor ogen hebben. Maar burgers willen meer verbondenheid, geborgenheid en saamhorigheid en zien de overheid eerder als verstoorder dan als hulp daarbij.’ Die verlangens van burgers zijn in feite ‘geloofs- en waardeoordelen’ en daarom zou de overheid de religieuze gemeenschap moeten ‘verlokken’ mee te doen aan dat debat. Dat brengt de verhouding tussen religie en publieke sfeer weer in beweging. ’Noch wat religie is en doet, noch wat de eigenheid is van de publieke sfeer staat in die discussie tevoren vast.’ In die discussie liggen de nodige drempels, want ‘de bezinning op de rol van religie in de samenleving wordt sterk belemmerd door de clichématige wijze waarop religie wordt gezien en hoe erover wordt gedacht’. Maar tegelijkertijd geldt dat, ‘waar de door het publieke bestuur georganiseerde hulpverlening doorgaans sterk gebureaucratiseerd en geprotocolliseerd is, vrijwilligers en professionals vanuit een religieuze achtergrond in staat blijken tot aandachtige en toegewijde presentie’.



Bezige bijtjes
Onderzoek toont een direct verband aan tussen kerkgang, vrijwilligerswerk en politieke activiteiten. Zo doet 34 procent van de Nederlanders, die zichzelf beschouwen als lid van een kerkgenootschap (maar niet per se hun kerk bezoeken), vrijwilligerswerk. Bij mensen, die minstens eens per maand een kerk van binnen zien, bedraagt dat percentage 44. Bij politieke activiteiten liggen die percentages dichter bij elkaar (56 en 58).
Onderzoeken naar vrijwilligerswerk tussen 1975 en 2005 suggereren volgens de onderzoekers ‘dat het kerkelijke leven stimuleert tot maatschappelijk activisme’. Daarbij is werkelijke kerkgang belangrijker dan de vraag tot welke kerk iemand behoort. Het rapport concludeert, dat kerkgangers gemiddeld tweemaal zoveel vrijwilligerswerk doen dan niet-kerkgangers. De uitersten: van de lager opgeleide niet-kerkgaande stedelijke jongeren doet dertien procent aan vrijwilligerswerk, van de hoger opgeleide oudere kerkgangers zonder betaald werk houdt zestig procent zich daarmee bezig. En weer concludeert het rapport: ‘De ontbinding van kerkelijke gemeenschappen en het wegvallen van kerkelijke netwerken doet een belangrijke bron van sociaal engagement en maatschappelijke deelname opdrogen.’ De onderzoekers onderstrepen, dat religieus individualisme niet hetzelfde is als egoïsme. Maar hun beeld is toch, dat deelname aan de maatschappij vooral tot stand komt via sociale (kerkelijke) netwerken, compleet met sociale normen en sociale controle ‘en waarin de drempel laag is om een appèl op elkaar te doen’.
De meest bij de maatschappij betrokken mensen zijn te vinden onder humanisten, ‘ongebonden spirituelen’ en christenen. Niet-religieuzen en niet-humanisten tonen zich het minst betrokken. Zo besteden religieuze mensen niet alleen meer tijd, maar ook meer geld aan goede doelen. Christenen geven vooral voor kankerbestrijding (91%), de Hartstichting (85%), het Rode Kruis (75%), het Leger des Heils (67%), de Dierenbescherming (58%) en Greenpeace (49%). Alleen bij de bescherming van dieren worden ze voorbijgestreefd door gevers uit nietreligieuze, gematigd humanistische hoek (59%).

Zorg om zorg
De WRR besteedt speciale aandacht aan de geestelijke verzorging in instellingen, leger en gevangenissen, omdat die circa 1300 hulpverleners ‘een interessante en spanningsvolle middenpositie innemen tussen de privésfeer en het publiek domein’. Al was het alleen maar, omdat deze hulpverleners onafhankelijk van geloof en denkrichting uit publieke middelen worden betaald. Zij maakt zich daarbij ook zorgen over de ruim 3,5 miljoen mantelzorgers in ons land. Want ‘riskant is, dat de vergrijzing van het kerkelijke vrijwilligerskorps en de personeelsproblemen onder pastoraal personeel niet kan opvangen wat de overheid niet meer bieden of garanderen kan.’ Eenzelfde probleem speelt in de medische sector. ‘Kerken vullen met hun charitatieve en diaconale activiteiten met wisselend succes de gaten in de verzorgingsstaat. Maar die vertoont de laatste tien jaar ook barsten en scheuren.
De betere sociale en medische techniek roepen nieuwe zorgvragen op en de overheid reageert op twee manieren: enerzijds meer marktwerking in de zorg, anderzijds tracht ze meer maatschappelijk draagvlak te scheppen voor steun en
hulp (bijvoorbeeld via de Wet maatschappelijke ondersteuning.’

Manieren van zingeven
In het beeld van de WRR bewerken de hulpverleners de ‘humuslaag’ van morele betrokkenheid en onderlinge solidariteit. Daarbij speelt de scheiding van kerk en staat eigenlijk geen enkele rol, maar de WRR ziet wel een nieuwe scheiding ontstaan: tussen de staat en de manier waarop burgers hun leven zin geven. Zij onderscheidt daarbij kerkelijke, humanistische, spirituele en nihilistische zingevingsstijlen. En vraagt zich direct af, of de overheid niet meewerkt aan de ‘erosie van de humuslaag’ door ‘de facto één specifieke nihilistische en hedonistische zingevingsstijl te ondersteunen’. Een stijl van leven, die zich juist kenmerkt door minder betrokkenheid op de maatschappij en het nastreven van persoonlijk comfort.

Moderne goddelijkheid
In zijn bijdrage aan het rapport geeft prof.dr. Gabriël van den Brink een verhelderende kijk op bewegingen in de moderne maatschappij. Hij hanteert daarvoor de termen ‘moderniteit’ en ‘het goddelijke’.
Het begrip moderniteit legt hij uit als heterogeen mét structuur. ‘Het moderne leven staat in het teken van meervoudigheid en diversiteit. En dat moet ook wel, want moderne mensen gaan voortdurend heen en weer van het ene domein naar het andere.’ Het goddelijke is volgens hem ‘een kracht die (tijdelijk) de verdeeldheid van het menselijke bestaan opheft. We voelen die kracht op het moment dat we worden geraakt door een vorm van eenwording, verzoening of betrokkenheid. Voor een moment komen we dan strijd, gemis of vijandschap te boven.
Het duiden en bevorderen van die eenheidservaring is de kern waar het in vrijwel alle religieuze tradities om draait.’

Heil en heelheid
Van den Brink vindt niet, dat kerken zich in dienst moeten stellen van de moderne (gebroken) maatschappij.
‘Kerken hebben niet zozeer een functie als wel een opgave: het bevorderen van heil en heelheid. Wereldwijd moeten ze zich inzetten voor rechtvaardigheid en vrede en nationaal moeten ze zich sterk maken voor respect en fatsoen in het publieke domein. Op sociaal niveau moeten ze geborgenheid scheppen en voorkomen dat mensen geestelijk of fysiek alleen komen te staan en op individueel niveau moeten zij de heiligheid van het leven en de liefde vormgeven.
De grote vraag is: hoe doe je dat in een moderne context?’ Hij ziet daarbij vier forse problemen.
Allereerst is de rol van het Westen in de wereld niet meer zo duidelijk. Het Oostblok is geen gemeenschappelijke vijand meer, economieën als China en India zijn in opkomst en het ideaal van de Europese Unie verbleekt, waardoor het nationalisme terugkeert. Ook de houding van burgers in het publieke domein is een probleem. ‘De zeer assertieve opstelling leidt gemakkelijk tot egocentrisch en ruw gedrag. Mensen letten niet op medeburgers en overtreden bijvoorbeeld gemakkelijk verkeersregels. Dat vraagt om een beschavingsoffensief.’ Veel mensen hebben behoefte aan ‘lichte gemeenschappen’ (een kerk is een zware, verplichtende gemeenschap), want ze zijn soms eenzaam en willen meer met elkaar delen. ‘Maar oude structuren waarin dat gebeurde – kerk, wijk, vakbond, sportvereniging – zijn in verval en vooralsnog worden meer gemeenschappen afgebroken dan opgebouwd en dat bezorgt de burger een gevoel van crisis.’ Als vierde probleem ziet hij de afhankelijkheid van de mens. ‘De moderne mens wordt voortdurend opgeroepen zelfstandig te zijn, maar we blijven afhankelijk. De moderniteit geeft bitter weinig antwoorden op ziekte en gebrek, verdriet of dood, eigen tekortkomingen en het kwaad van anderen.
Daarom zoeken velen naar wijsheid, troost of zingeving. Maar niet in de oude bronnen. Het lijkt wel alsof de kerken niet in die vraag kunnen voorzien. We voelen een spirituele leegte, die we niet kunnen oplossen met de gezelligheid van medemensen. Een stilte, die ermee te maken heeft dat de geestelijke bronnen van het Westen zijn opgedroogd, geblokkeerd of veronachtzaamd… maar waar desondanks veel vraag naar is.’

Dubbele opgave
Daarop kun je als gelovige op drie manieren reageren. Je kunt je terugtrekken uit ‘die goddeloze wereld’, vasthouden aan je geloof en uit naam daarvan de wereld veranderen en de harde en cynische wereld als een realiteit aanvaarden en je geloof als een privé-aangelegenheid beschouwen. Zelf kiest Van den Brink voor een ‘dubbele opgave’. ‘De breuken erkennen en de belofte van het goddelijke bevorderen. Dat kan alleen als je de werking van het goddelijke in de meest gewone dingen zoekt en je idealen in de meest alledaagse praktijken investeert. Dat betekent, dat spiritualiteit niet als kritiek op of als alternatief voor de wereld wordt gezien, maar als poging om op de meest praktische manier aan heelheid en betrokkenheid te werken.’

Sander Klos is lid van de NGK in Deventer en hoofdredacteur van Opbouw.


Zes functies van religie
Religie geeft mensen een identiteit (eenheid, wortels).
Religie biedt leiding aan het handelen in buitengewone omstandigheden.
Religie maakt het mogelijk, dat mensen niet terugdeinzen voor toeval of noodlot, maar dat in vrijheid aanvaarden als een mogelijkheid tot zingeving Religie biedt iets, dat verder gaat dan alleen de solidariteit van een kerkgemeenschap (heilige gemeenschappen).
Religie biedt universele modellen, die het mogelijk maken de samenleving als één geheel te zien, dwars door de chaos van alledag heen (wat is de zin van het leven?).
Religies hebben een mobiliserend en emancipatoir vermogen (zijn een spirituele spiegel).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief