Over leven en dood (4): Vernieuwing
2010-11-26
Het vierde dat ik mij kan herinneren is dat ik van de trap viel. Oma-Putten was inmiddels oma-Leiden geworden. Zij woonde boven, beneden woonde haar schoonzuster – Meuie voor iedereen, ongeacht de familierelatie. En zij riep terwijl ik van boven naar beneden viel: 'O Cootje, wat ben jij gauw beneden!' En zo stond mij het lachen nader dan het huilen! - Jaargang 54
- nummer 23
Ook Adam en Eva vielen van boven naar beneden. 'In het christendom is de term zondeval geïntroduceerd', lees ik in Wikipedia.
En terwijl zij vielen, riep God: 'Waar? Wie? Waarom?' – waar ben je? wie heeft je verteld? waarom heb je dat gedaan?
Het hart van de vader bonkt als het kind een ongeluk krijgt. Zelfs als het kind een ongeluk máákt...
Dáárom jaagt hij hen weg, weg van de boom des onheils.
En dáárom bouwt hij een muur van vuur, vuur om de boom des levens. En op de dag van het oordeel zal het vuur laten zien wat ieders werk waard is. Als het blijft staan, zul je beloond worden. Als het verbrandt, zal je daarvoor de prijs betalen. Maar jijzelf zult worden gered, als door vuur heen.
Zie je Eva staan, daar onderaan de paradijstrap?
'Met hulp van de HEER heb ik dan toch maar een man geschapen!' Jaren later: 'God heeft mij ondanks alles een ander kind gegeven!' Eva, moeder van alle levenden! Het lachen staat haar nader dan het huilen!
Tijdens de vlucht uit Oost-Pruisen, winter 1945 – mars van miljoenen – heeft gravin Dönhoff (senior, alias Mahlenberg) geen tijd om te treuren, te begraven, medelijden te hebben. Leven over de dood heen, overleven!
Wat zeg je daar: de dood hoort bij het leven? (Anthonie Kamerling). Nee, zeg ik je: na de mensenzoon hoort bij de dood het leven!
'Daar hebben wij eeuwenlang op gewacht', zeiden Papoea's tegen zendeling Van Stelten.
'Het moet ergens beter zijn', laat Rushdie een van zijn romanfiguren zeggen.
'Ik geloof niet in een hemel. Ik wil graag een hemel op aarde hebben – als dat kan', zei Corneille.
Ja, dat kan, zegt de eerste echte mens sinds Adam. Het kan en het zal!
De schepping heerst niet over de mens, maar de mens heerst over de schepping. Zo was het in het begin. Zo zal het zijn in het happy end. Dit was de taak van de mens. Dit is de zaak van de mensenzoon.
Zie je ze daar staan – of knielen, wat maakt het ook uit?
Duizenden en duizenden jaren geleden! In die tijd begon men de naam van de HEER aan te roepen.
Dreunt dat niet door heel de bijbel heen? Oude Testament: roep je mij aan, ik geef antwoord, in de nood zal ik bij je zijn, je bevrijden en met roem overladen. Nieuwe Testament: dan zal ieder die de naam van de Heer aanroept worden gered.
Zie je ons staan, daar op het bordes van het koninklijk paleis?
Lof, eer en prijs... nee, niet voor onze oudste broer (Adam) maar voor onze beste broer (Jezus)!
Een lied van je verwondering dat nòg jouw naam niet onderging, maar weer opnieuw geboren is uit water en uit duisternis. Wij zullen naar zijn land geleid doorleven tot in eeuwigheid en zingen bij zijn wederkeer een nieuw gezang voor God de Heer. (Gz 225:3,5) Negentien eeuwen geleden schreef Ignatius al: 'Daar aangekomen zal ik mens zijn'. Eindelijk!
Oma-Leiden ligt op haar sterfbed. In het halfdonker van de nacht zegt ze Psalm 27 op:
Zo ik niet had geloofd, dat na dit leven
mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou
mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
Aan de andere kant van de open schuifdeur zegt Meuie: 'Maar Letta, het is niet na-dit- leven, maar in-dit-leven'.
'Nee', zegt Letta, 'néé, na-dit-leven. Zo ik niet had geloofd dat ná dit leven mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou...'.
En deze Bijbelse ziel zal niet zwak en zwevend, maar sterk en levend zijn.
Drs. Koos Veefkind is emeritus predikant van de NGK
van Amersfoort-Noord.
De dode zal leven.
De dode zal horen: nu leven.
Ten einde gegaan en onder stenen bedolven:
dode, dode, sta op,
het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken,
een stem zal ons roepen: Ik open
hemel en aarde en afgrond
en wij zullen horen.
En wij zullen opstaan
en lachen en juichen en leven.
(ELB 48)
| OPSTANDING Zullen we elkaar herkennen op de nieuwe aarde natuurlijk zullen we dat – wat zal ik blij zijn als ik je daar terugzie beste broeder Nicolai uit het West in Buitenpost lieve zuster Pompert uit de Prins Hendrikstraat in Krommenie jullie zullen er allemaal zijn mijn broeders en zusters op de grote dag van Jezus zullen we elkaar herkennen op de nieuwe aarde natuurlijk zullen we dat niet – we zullen onherkenbaar zijn als we elkaar terugzien beste broeder Nicolai met een gezonde volwassen geest lieve zuster Pompert met een mooi gaaf lichaam wat zullen we anders zijn een schare die niemand kan tellen we zullen op Jezus lijken! |