Wat is de mens...
1990-08-17
Daar word je wel even stil van, want wat de dichter van Psalm 8 over de mens zegt is niet gering! " ..bijna goddelijk .;" en " ..met heerlijkheid en luister gekroond .. " Je zou er verlegen van worden als je met deze woorden in de hand voor de spiegel staat en naar jezelf kijkt. Dat ben ik dus: " ..bijna goddelijk .. " en '".met heerlijkheid en luister gekroond .. "- Jaargang 34
- nummer 17
En dat is niet alleen van mijzelf gezegd, maar ook van mijn buren in de straat en in de kerkbank. Wat een hoge status. En wat een eervolle taak brengt dat met zich mee.
Heersen
De psalmdichter gebruikt daarvoor het werkwoord " ..heersen .. ". Heersen over de schepping. Het werk van Gods handen wordt in onze handen gelegd. Heel de schepping ligt aan onze voeten (vers 7), " ..schapen en runderen altegader en ook de dieren des velds de vogelen des hemels en de vissen der zee .." Dat alles heeft de HERE aan mensen gegeven om daarover te heersen.
De psalmdichter zegt dat tegen Israël, Gods eigen volk, dat, omringd door heidenvolken, de opdracht had anders te zijn, apart, heilig. Dat aparte uitte zich met name in de houding tegenover natuur. Psalm 8 onderstreept wat in de scheppingsgeschiedenis al blijkt. Alle natuurverschijnsplen zijn niet iets om bang voor te zijn en dan te gaan vereren, nee, de natuur is niet goddelijk.
Want de Here God zit niet in de natuur, maar Hij staat er àchter, Hij is de Schepper van alle dingen. Je hoeft er dan ook niet bang voor te zijn, je mag er niet voor buigen, integendeel, natuur moet voor jullie buigen. Dat moet vandaag in christelijke kring nog steeds met kracht gezegd worden, nu de new-age beweging ons wil wijsmaken, dat mensen, dieren en dingen samen deel uitmaken, van één samenhangend, goddelijk, systeem. Als mensen dat systeem doorbreken, door te gaan heersen over dingen en dieren, komt daar niets dan ellende van. Kijk maar naar milieuvervuiling. Nee, zegt Psalm 8, de mens is " ..bijna goddelijk .. " en " ..gekroond met heerlijkheid en luister .." De mèns en niet de dieren en dingen zijn bijna goddelijk. Daarom is de mens heerser over dode en levende natuur.
Dat mag voor wetenschappers een stimulans zijn om door te gaan met onderzoeken en ontdekken, bedwingen van de natuur, tot heil van de mensheid.
Maar, zegt u, hebben de new-age denkers dan geen gelijk als ze erop wijzen dat vele eeuwen wetenschap en techniek ons de erfenis van verziekt milieu en gemorrel aan menselijk leven, dreigen na te laten? Zeker, daarin hebben ze gelijk, groot gelijk zelfs. Maar ze hebben geen gelijk, als ze zeggen, dat dat komt doordat mensen het goddelijke in de natuur hebben veronachtzaamd.
Want we leren van de Schrift, dat het komt doordat mensen God hebben veronachtzaamd.
Grenzen
We zijn psalm 8 vanuit het mldden gaan lezen, beginnend bij dat positieve mensbeeld: bijna goddelijk, heerser over dieren en dingen. Zo mag de mens de schepping te lijf gaan, ontdekkend onderzoekend en bedwingend. Zo mag de mens zijn eigen leven te lijf gaan. Hij mag het naar zijn hand zetten, regelen en richting geven, ervoor vechten, niet bij de pakken van lijden en dood gaan neer zitten. Dat staat in het centrum van de 8e psalm. Dat krijgt een zwaar gewicht en dat is ook in onze tijd nodig.
Maar teruglezend naar het begin van de psalm stuiten we toch ook op grenzen. Niet dat aan de grootheid van de mens als bijna goddelijk en heerser over de schepping wordt afgedaan, maar de psalmist wil ons bewaren voor hoogmoed. Dat grenzen stellen begint al bij het woordje " ..bijna .. ", " ..bijna goddelijk .. ". Letterlijk staat er: 'weinig minder dan goddelijk'. AI scheelt het blijkbaar niet veel, wij zijn God niet!
Verwondering
Verder teruglezend zien we hoe de psalmist ons nog kleiner maakt: " ..Aanschouw ik het werk van uw vingers, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt, wat is de sterveling, dat U om hem denkt; het mensenkind, dat U naar hem omziet .." (vers 4,5). Wie komt, kijkend naar de met sterren bezaaide hemel op een wolkeloze avond, niet onder de indruk van Gods scheppingsmacht? " ..Wat is de mens .. " Wie ben jij sterveling nou helemaal, lijkt de sterrenhemel ons toe te roepen, jij stofje aan een weegschaal, jij speldeknopje in Gods schepping. Kijkend naar de indrukwekkende sterrenhemel, moet het ons hogelijk verbazen, dat HERE ons mensen zo hoog heeft en houdt.
Die verbazing zal ons bescheiden moeten maken. Niet om te zeggen, O, het is dus niet waar, dat wij op een haar na goddelijk zijn, want dat zijn we wel. Maar juist de verwondering daarover zal ons voorzichtig en bescheiden moeten maken als we Gods schepping steeds verder onderzoeken en onderwerpen. Die verwondering is de tweede zekering die de dichter inbouwt om menselijke hoogmoed de kop in te drukken.
Afhankelijkheid
Nog verder teruglezend naar het begin van de psalm stuiten we op die bekende kinderen en zuigelingen.
Je vraagt je af: wat blijft er dan over van dat " ..bijna goddelijk ..", dat heerser-zljn over de Schepselen van God? Dit: dat ons bijna-goddelijk-zijn wel betekent, dat we ons tegenover de dieren en dingen goed kunnen redden, maar niet dat we ons tegenover God kunnen handhaven. Tenzij we bij al onze grootheid en bijnagoddelijkheid tegenover de schepping, als kinderen en zuigelingen zijn tegenover de Schepper.
Wat dat inhoudt laat zich makkelijk raden. Wie ooit heeft gezien hoe een baby of peuter zich gedraagt vlak voor het te eten krijgt, begrijpt het.
Uitgestrekte armpjes, enthousiaste geluidjes, met heel z'n wezen gericht op moeder of vader, die eten zal geven. Volkomen afhankelijk van die ouderlijke zorg voor zijn leven.
Zo leeft een mens voor God, in volstrekte afhankelijkheid van Hem.
In die afhankelijkheidsrelatie ligt de kracht van de mens. Niet zijn bijna-God-zijn, maar zijn afhankelijk-van-God-zijn verleent hem goddelijke kracht: " ..Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest.."
Dat is de belangrijkste beveiliging tegen vergoddelijking van de mens. Want tegenover de schepping is hij alleen heel wat mans, als hij voor God wordt als een weerloos en volkomen afhankelijk kind. De kracht van ons bijna-goddelijk-
zijn wordt in zwakheid openbaar, in volkomen afhankelijkheid van Hem, die ons onze bijnagoddelijkheid heeft verleent.
Dus als wij in de laboratoria van de wetenschap, maar ook op school en in huis, tuin en keuken onze macht over de schepping uitoefenen, laat het dan altijd zijn in het besef van afhankelijkheid van God. Want alleen in dat geloof kunnen wij kwaad, dat zich in schepping tegen God verheft baas blijven. Dan zal alles wat God bestrijdt verstommen, er het zwijgen toe doen (vers 3).
Sterk zijn in kinderlijke afhankelijkheid van God de Vader. Dat is de weg, waarop de grote Zoon van God ons is voorgegaan. Hij, die kinderlijk-afhankelijk bad, in Gethsemane bijvoorbeeld, maar die ook de schepping aan zich onderwierp, zieken genas, stormen bedwong en dood en lijden overwon.
Lijst
"..O HERE, onze Heer, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde .. "
Met deze woorden begint en eindigt de psalm. Ze vormen als het ware de lijst, waarin alles wat over de mens gezegd wordt, is gevat. Vanuit het belijden van Gods grootheid gaat het naar het spreken over menselijke grootheid en vandaar voert het terug naar Gods grote naam en faam over de hele aarde. Dat is wat de psalmdichter ons wil leren: wie de lof wil zingen van de menselijke mogelijkheden moet beginnen en eindigen met de lof van God. Alleen dan kunnen wij mensen Gods schepping veilig beheren en beheersen: " ..O HERE, onze Heer, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde .. "