Diaconie in historisch perspectief

2007-10-26
  • Jaargang 51
  • nummer 21
De Bijbel is realistisch over sociale verhoudingen. Nergens wordt ons voorgehouden naar een utopische samenleving te streven. Wel zegt de Bijbel, dat een ieder recht en gerechtigheid moet betrachten en de naaste moet liefhebben als zichzelf. In de eerste christengemeenten werd het diaconaat heel praktisch ingevuld, maar naar mate het christendom aan invloed won, ontstond de noodzaak de diaconie hechter te organiseren.

In het middeleeuwse Europa kreeg de zorg voor de armen een min of meer vaste structuur. Wat bekend is over die tijd, laat zien dat er nauwelijks een scheiding was tussen kerkelijke en overheidszorg.
Armen konden terecht bij de eigen parochie, de lokale overheid of een van de vele liefdadige particuliere instellingen.
De Reformatie gaf het diaconaat weer een gelijkwaardige plaats in de ambten.
Op een paar zaken lag de nadruk. De ‘verzorgingsorde’ van 1 Timoteüs 5:4 stond centraal. In tijden van nood rustte de verzorgingsplicht op de kinderen of verwanten. Pas daarna was het de beurt aan de kerk. Pas als allerlaatste mocht de overheid inspringen. De diaken had een geestelijke en een materiële taak. Hij was er om te helpen én te troosten. En hij moest er goed op letten, dat hulp alleen terechtkwam bij hen die het nodig hadden.

Vier bedieningen
Toch maakte de Reformatie geen einde aan de bestaande organisatie van de sociale zorg. De diaconieën van de gereformeerde kerken, die na 1572 ontstonden, kregen een rol naast de overheids- en particuliere steunverlening.
De gereformeerde diaconie was er alleen voor de eigen lidmaten. In de zestiende eeuw was dat nog een kleine minderheid van de bevolking. De inrichting van de diaconieën was ontleend aan de vluchtelingengemeenten, die in Londen en Emden waren ontstaan. In Emden was de diaconie rond 1600 opgedeeld in vier ‘bedieningen’.
De ‘diaconie van het gasthuis’ was er voor de zieken, wezen en invaliden. Ook zieke reizigers en doortrekkende armen konden in het gasthuis terecht. De tweede bediening was de ‘diaconie van de huiszittende armen’. Dit betrof ouden van dagen, weduwen en gezinnen en ieder die buiten eigen schuld niet in eigen onderhoud kon voorzien.
Elke zaterdagmiddag kwam het college van diakenen onder voorzitterschap van een van de predikanten bijeen en konden de armen zich daar vervoegen om bedeling in natura – brood en turf – en zo nodig wat geld. Er waren ook nog bedieningen voor schippers en voor vreemdelingen.

Grotere rol
Toen de gereformeerde kerk in de zeventiende eeuw de bevoorrechte kerk was geworden, veranderden de verhoudingen. Het onderscheid tussen kerkelijke en overheidszorg vervaagde, ook al omdat de bestuurlijke en kerkelijke elite vaak uit dezelfde personen bestond. Hoe de relatie tussen kerkelijke en overheidszorg vorm kreeg, was sterk afhankelijk van plaatselijke verhoudingen. De diaconie van Amsterdam was zo rijk, dat zij zich onafhankelijk van het stadsbestuur kon opstellen. In Groningen werd de diaconie feitelijk de uitvoerende instantie voor alle armen van de stad. In veel dorpen en plaatsen ontstonden vormen van samenwerking. Zo vormden in Zeeland de diakenen en de stadsarmenmeesters een gezamenlijk college met één kas. In andere plaatsen was er één kas, maar bleven de colleges gescheiden. Maar vrijwel nergens bleef het ideaal van een ‘vrije’ diaconie bestaan.

Gestempeld
Bedeeld zijn was in de tijd van de Republiek absoluut geen pretje. In Alkmaar konden de bedeelden rond het midden van de achttiende eeuw zich zaterdagmiddag melden bij de diakenen. Een gezin kreeg maximaal 3 gulden per week, een alleenstaande 2,25 gulden. Dat lag ruim onder dat, wat een gemiddelde arbeider verdiende. Ook werd brood en - in de winter – turf uitgedeeld. In veel dorpen gebeurde dat na de kerkdienst. Bedeeld zijn betekende ook een stempel. Weeskinderen droegen uniformen, waaraan zij gemakkelijk te herkennen waren. In Leeuwarden droegen de bedeelden tekens op hun kleren. Een S betekende ‘stadsarme’, een D ‘kerkarme’.
Elke kerkelijke groepering had zo zijn eigen merkteken. Omdat in veel kerken de zitplaatsen werden verhuurd, waren er voor de armen dikwijls alleen achteraf nog wat plaatsen. Vaak werden daarom aparte ‘armenkerken’ gehouden. Kinderen, van wie de ouders het schoolgeld niet konden betalen, gingen naar de armenschool.

Schuiven met armen
Aan het eind van de achttiende eeuw kwam er steeds meer kritiek op het stelsel van sociale zorg. De patriotten vonden dat er te veel en te gemakkelijk werd bedeeld om de bedeelden voor de eigen kerk te behouden. Ook vonden zij de diaconieën te weinig opvoedend ingesteld. Zij waren er te weinig op uit de bedeelden weer een onafhankelijke plek in de samenleving te geven. Pogingen in de Franse tijd om de armenzorg helemaal in handen van de staat te leggen, slaagden door sterke oppositie vanuit de kerken evenwel niet.
De overheid kreeg wel steeds meer greep op de armenzorg. Dit leidde echter niet tot verbetering. Zo bepaalde de Wet op het Domicilie van Onderstand uit 1818, dat iedere armlastige moest worden bedeeld in de gemeente, waarin hij geboren was. Pas als iemand vier jaar achtereen in een andere gemeente woonde, werd deze gemeente zijn ‘domicilie van onderstand’. Dit gold voor zowel burgerlijke armenbesturen als diaconieën. In de praktijk leidde de wet tot een onheilig naar elkaar toeschuiven van armen door kerken en gemeenten. Bevoogding en stigmatisering bleven ook aan de orde van de dag. Streng werd toegezien op de levenswandel van de bedeelden.
Berucht werden ook de uitgereikte klompen, waarin DA (diaconie-armen) was gebrand. Bovendien noodzaakten de slechte economische omstandigheden in de eerste helft van de negentiende eeuw de diaconieën en armenbesturen vaak de ondersteuning tot een minimum te beperken.

Kiem voor socialisme
Deze praktijk van armenzorg is later sterk bekritiseerd. De bekende gereformeerde predikant en ‘sociale profeet’ J.C. Sikkel meende dat het socialisme, dat in de tweede helft van de negentiende eeuw sterk opkwam, binnen de kerkmuren was ontkiemd ‘in de harten van wie daar koud zaten of stonden’. De diaconie had hen zelfs hun laatste schat – ‘hun eergevoel’ – afgenomen. De Doleantie van 1886 streed niet alleen tegen de vrijzinnigheid, maar ook tegen de diaconale praktijk. Abraham Kuyper wilde geen volkskerk, maar een kerk van actieve, belijdende gelovigen. Diaconie was in Kuypers opvatting geen randgebeuren, maar behoorde bij de kern van kerk en geloof. Herwaardering en vernieuwing van het diaconale werk was een van zijn programmapunten.
Toch kenden de diaconie en armenzorg in de negentiende en twintigste eeuw maar één rode draad: de overheid kreeg meer en meer het roer in handen. De armenwetten van 1854 en 1912, die bepaalden dat de kerkelijke en particuliere zorg primair was en staatszorg alleen ondersteunend, konden daar niets aan veranderen. In 1917 nam de overheid voor het eerst meer kosten van armenzorg voor haar rekening dan de kerkelijke en particuliere instellingen samen. Deze trend zette gestaag door en na de Tweede Wereldoorlog werd zij vastgelegd in een stelsel van sociale wetten. Vanuit dit perspectief was de Algemene bijstandswet een logisch gevolg van een ontwikkeling, die lang daarvoor was ingezet. Maar de aan de wet ten grondslag liggende gedachte, dat welzijn en welvaren voor ieder bereikbaar was, bleek een utopie. Is dat een nieuwe kans voor het diaconale werk?

Nieuwe kansen?
Dit overzicht, waarin overigens maar een enkele hoofdlijn kon worden aangestipt, laat de diaconie niet van haar beste kant zien. Onderbelicht blijven de heel concrete werken van barmhartigheid die altijd zijn verricht. Toch lijkt er in de kern iets ongewenst ingeslopen te zijn. Zolang de Nederlandse samenleving door het christendom was gestempeld, viel vaak nauwelijks verschil te zien tussen diaconie, overheidszorg en particulier initiatief. Bij de hulp aan armen spelen diverse beweegredenen een rol. In de voogdenkamer van het Amsterdamse Nieuwezijds Huiszittenhuis waren motiverende spreuken aangebracht als ‘Doet wel aen den Armen. U loon is in den Hemel’. Meer in het algemeen springen twee motieven in het oog. De kerk handelde vanuit het charitas-motief, de overheid hanteerde het openbare-ordemotief. Maar omdat kerk en staat zo sterk vervlochten waren, vloeiden deze drijfveren om hulp te verlenen ook in elkaar over. Zo werd vaak zorg verleend, of ook onthouden, uit verkeerde motieven en met onzuivere bedoelingen. In onze postchristelijke tijd zal deze situatie niet snel meer ontstaan. Biedt dit mogelijkheden voor een onbaatzuchtig optreden van de diaconie in het publieke domein?

Rolf van der Woude is historicus en verbonden aan het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) aan de Vrije Universiteit.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief