Ingezonden

1990-08-31
  • Jaargang 34
  • nummer 18
Zijn de 3FvE verbindend?
1. Als de Drie Formulieren van Enigheid door ambtsdragers worden ondertekend, wat is daarvan dan de betekenis? Binden de belijdenisgeschriften onze ambtsdragers? Tot nu toe heb ik gedacht dat zulks nogal vanzelf spreekt; want wie zijn handtekening onder een contract zet is daaraan gebonden. Ook ons Accoord van kerkelijk samenleven stelt in art. 17, dat ambtsdragers de 3FvE dienen te ondertekenen. "Indien een ambtsdrager de ondertekening weigert of niet langer voor zijn rekening kan nemen zal de uitoefening van zijn ambt worden opgeschort...".
Door ondertekening van de 3FvE betuigt men onder ons zijn instemming met de leer van de kerk.

2. In 'Opbouw' van 3-8-1990 schrijft drs. H. de Jong, dat het gewoon te gek is dat wij aan deze belljdenlsçeschriften uit een heel andere tijd en cultuur gebonden zouden zijn. De 3FvE hebben volgens hem hun tijd gehad, zelfs als ze zouden worden gemoderniseerd. Wel zal het wezenlijke wat in die oude papieren staat ook nu nog naar voren moeten komen, maar met 16e eeuwse geschriften moeten we wat voorzichtiger worden.

3. Als ik drs. de Jong goed heb begrepen dan hecht hij wel veel waarde aan de kern van de leer uit de 3FvE, maar niet veel aan de ondertekening ervan. Drs. de Jong acht zich kennelijk niet meer gebonden aan de belijdenisgeschriften. Hebben de 3FvE dan voor hem geen verbindend karakter meer? Hij heeft toch zijn handtekening geplaatst?
Heeft drs. de Jong wel de vrijheid om zich van de binding aan de belijdenisgeschriften te ontdoen?

4. Om alle misverstanden te voorkomen: ik heb veel bewondering voor de Schriftuitleg van drs. de Jong en voor zijn preken (voorzover ik die ken). Ook het taalgebruik van drs. de Jong vind ik buitengewoon boeiend. Toch heb ik tegen zijn 'losbandigheid' een aantal bezwaren:
a. psychologische bezwaren.
Van buiten onze kerken vindt men weer stokken om de hond te slaan; daardoor wordt onrust in eigen gelederen veroorzaakt. Dit argument wordt door meerderen genoemd, maar dat is mijns inziens niet het sterkste. Weliswaar behoren vleeseters rekening te houden met vegetariers, maar er zijn grenzen.
b. historische bezwaren. In de Reformatietijd, maar ook na de Afscheiding is er in en buiten de Hervormde kerk zeer veel gediscussieerd over de binding aan de belijdenis (o.a. quia en quatenus).
Van deze diepgaande meningsverschilren merk ik bij drs. de Jong nagenoeg niets. Maar ... de geschiedenis is niet normatief.
c. juridische bezwaren. Drs. de Jong heeft meer dan eens zijn handtekening onder de 3FvE geplaatst.
Doet hij dat niet weer?
Heeft hij dan nog het recht om zich Ned.Ger. predikant te noemen?
Is de publieke trouw van drs. de Jong niet in geding? Toch behoeft ook dit bezwaar niet doorslaggevend te zijn, mits drs. De Jong in overeenstemming met de Bijbel onderwijst en preekt. Wel vind ik, als dat het geval is, dat er een publieke oplossing moet worden gevonden voor art. 17 van het Accoord van kerkelijk samenleven.
d. sociale bezwaren. Treedt drs. de Jong niet (te) individualistisch op? Hij leeft en werkt toch in een kerkverband? Hij kan toch weten dat deze opvatting velen verontrust?
Mag drs. de Jong zo schrijven, zonder daartoe toestemming te hebben ontvangen?

5. Samenvattend en concluderend: Ik heb tegen de opvatting van drs. de Jong psychologische, historische, juridische en sociale bezwaren. Ook als ik in aanmerking neem dat drs.
de Jong grote verdiensten heeft voor onze kerken. Naar mijn oordeel dienen onze kerken (elke plaatselijke gemeente) zich uit te spreken over de handhaving van art. 17 van ons Accoord van kerkelijk samenleven.

6. Lectuur
Accoord van kerkelijk samenleven Ned.Ger. kerken (verklaring en art. 17)
Chr.enc. 2e dr.: belijdenisschrift, Kampen, 1956
Prof.dr. J. van Genderen: De ref. belijdenis in discussie, 's- Gravenhage, 1971
Prof.dr. D. Nauta: De verbindende kracht der beLgeschr., Kampen, 1969
Prof.dr. A.D.R. Polman: Onze Ned. Gef. Bel. I, bladz. 9-103, Franeker, ± 1950.

Dronten, augustus 1990, A. Kadijk

Naschrift
Aangezien ik van mening ben dat ik in mijn artikelen 'Woekeren met het ene talent' lang genoeg over de aangesneden zaken aan het woord ben geweest wil ik het nu kort houden.

1. De leer van Christus' kerk draagt een verplichtend, niet vrijblijvend karakter en het is zeker terecht dat van de voorgangers gevraagd wordt zich daaraan van harte en royaal te verbinden en zich daarmee voor hun medebroeders en -zusters herkenbaar en aanspreekbaar te maken.
Een eenvoudige handtekening onder de belijdenisgeschriften kan de mondeling in de gemeente gedane beloften dienaangaande onderstrepen.

2. Omdat de leer van de kerk in oude belijdenisgeschriften geformuleerd staat - wij hebben tot nog toe geen betere, zullen die voorlopig ook wel niet krijgen en toch dragen ze hoe mooi ze ook zijn op een soms hinderlijke wijze het merk van hun tijd - is een juridische binding daaraan hachelijk. Te vaak is immers gebleken dat juist de kleinste geesten in de kerk daarin' een uitnodiging zien om hun lust tot kritiek op anderen bot te vieren en zo een geest van achterdocht en wantrouwen tegen goede evangeliedienaars onder het kerkvolk te laten rondwaren.

3. Daarom bepleit ik een geestelijke en soepele binding aan de bel ijdenisgeschriften.
De mogelijkheid moet open blijven om in een konfessionele herkenbaarheid ten aanzien van bepaalde, al lang bedenkingen opwerpende punten twijfels te uiten en een meer schriftuurlijk denken te bevorderen. Dit gewelddadig af te knijpen zou frusteren en bovendien het theologisch denken tot saaiheid veroordelen.

4. Reeds als predikant in de nog ongedeelde vrijgemaakte kerken nam ik dit standpunt in en ik ben dáárom (en niet om een ondertekening van de Open Brief) in 1968 geschorst. In Amsterdam (gemeente en regio) wist men dit en men heeft mij als predikant aanvaard. Ik voel mij sindsdien nederlands gereformeerd predikant, in feite en in rechte.

5. Toen ik schreef 'dat het gewoon te gek is ... enz. (zie punt 2 van het 'ingezonden') had ik niet de drie formulieren van de belijdenis maar de liturgische formulieren op het oog.

6. 'Treedt drs. De Jong niet (te) individualistisch op?' Ik denk dat als ik individualistisch was ik me minder kwetsbaar zou opstellen en mij meer in stiekemheid zou hullen. Het is waar, ik weet dat mijn opvatting velen verontrust maar hun opvatting verontrust mij weer. Toch zeg ik dit niet hardvochtig; ik bemin al mijn kritische broeders en zusters hartelijk, - zoals ik merk dat br. Kadijk het mij doet.

H. de Jong, Zeist

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief