Ingezonden
1990-09-14
Vrijgemaakt. maar met respect- Jaargang 34
- nummer 19
In vier artikelen in Opbouw schreef Ds. H. de Jong (geen familie van me) over de relatie Nederlands Gereformeerd - Vrijgemaakt Gereformeerd.
Deze artikelen hebben me bijzonder getroffen. Al jaren ken ik Ds. De Jong vanuit zijn schrijven in Opbouw.
En in die jaren heb ik hem leren waarderen als een buitengewoon scherpzinnig, openhartig, evenwichtig en zachtmoedig schrijver.
De genoemde vier artikelen vertonen echter een bitterheid die me opschrikt: dit ben ik van Ds. De Jong zo niet gewend. Zijn oordeel over de Vrijgemaakte kerken (waartoe ik behoor) was steeds duidelijk, maar mild. Van die mildheid is met name in De Jongs laatste artikel niet veel meer over. Dat bracht me tot het schrijven van dit stuk.
Het is bekend dat Ds. De Jong (en enkele andere predikanten in de Nederlands Gereformeerde kerken) er niet bepaald goed opstaan bij de vrijgemaakt gereformeerde smaakmakers.
Waardoor komt dat? Ze stellen vragen, die voor veel vrijgemaakten bij voorbaat verdacht zijn en waarop naar het idee van die vrijgemaakten het definitieve antwoord al lang gegeven is: over het gezag van de belijdenis, het karakter van de Bijbel, de plaats van de vrouw in de gemeente, de vormgeving van de liturgie etc.
En het lijkt wel of alle vrijgemaakten (met Dr. W.G. de Vries voorop) hier een uitgesproken mening over hebben.
Toch is dit niet waar. Wat Ds. De Jong en anderen in Opbouw publiceren, heeft doorgaans mijn hartelijke instemming. Ik proef erin de warme liefde voor God en Zijn Woord, maar zonder een krampachtig vasthouden aan bepaalde traditionele zienswijzen.
En ik weet zeker dat er veel meer vrijgemaakten zijn die - al lezen ze Opbouw misschien nietdezelfde weg zoeken te gaan als de nederlands gereformeerden nu met vallen en opstaan gaan. Een weg waarbij men op een Bijbels gefundeerde manier sympathetischkritisch omgaat met de gereformeerde traditie. Een weg ook van waardering voor de gereformeerde én de evangelische manier van denken, en een zoeken naar integratie van het goede, het blijvende in beide tradities.
Daar zijn natuurlijk risico's aan verbonden.
Het kan namelijk zijn dat niet een hart voor God, maar een hart voor de wereld kritiek levert op opvattingen binnen de gereformeerde traditie. Maar dat mag niet verhinderen toch vol te houden met te zeggen: alleen als we werkelijk durven doordenken en doorspreken over wat Gods boodschap vandaag voor ons betekent (en voor iedereen), dan kunnen we echt kerk en chrlsten zijn in deze wereld.
Ik ben blij met veel wat in de Nederlands Gereformeerde kerken kan (op liturgisch gebied wel heel duidelijk), en ik betreur het dat er binnen de Vrijgemaakte Gereformeerde kerken zo weinig mogelijk blijkt. Voor een lief ding zou ik willen dat in de Vrijgemaakte kerken het besef eens doordrong dat we daar - als we zo doorgaan als nu - met z'n allen gevangen dreigen te worden in een verstikkend 'kerkelijk systeem'. Een systeem dat alles regelt, vastlegt en voorschrijft. Zo'n systeem voorkomt natuurlijk wel normloosheid, maar van christelijke vrijheid is er net zomin sprake.
Van harte hoop ik dat Ds. De Jong van mij wil aannemen dat lang niet alle vriggemaakten zo denken als de door hem aangehaalde Dr. De Vries.
En de toenadering in Enschede lijkt mij meer een soort losweken van een smaldeel uit de Nederlands Gereformeerde kerken. Om niet te zeggen op vissen in - naar de opvatting van Dr. De Vries - troebel water.
Er zijn echter andere vrijgemaakten dan Dr. De Vries c.s. Ze laten zich weinig horen in de vrijgemaakte pers (misschien iets voor Opbouw?).
Binnen de gemeenten zijn ze in de minderheid. Ze eisen ook geen 'erkenning' of zo op. Maar met een zekere jaloersheid kijken ze naar de Nederlands Gereformeerde kerken (vanweg dat 'ene talent't). Want wat hen bezighoudt, zien ze handen en voeten krijgen in die kerken. Niet dat er geen vragen bij ze leven, maar daar gaat het nu niet om.
Daarnaast zien ze ook de goede kanten van de Vrijgemaakte Gereformeerde kerken. Denk aan de gereformeerde scholen, andere organisaties, een gereformeerd dagblad.
En als ik me niet vergis zien de nederlands gereformeerden die goede kanten van de Vrijgemaakte kerken ook best. Daarom zouden we zo graag samen optrekken. Wat is het dan jammer dat de officiële vrijgemaakte lijn zo hard en kortzichtig is. Ik hoop dat er spoedig een kentering zal optreden.
In ieder geval: vrijgemaakten met respect voor de nederlands gereformeerden zijn er. Dit stuk moge er een bewijs van zijn.
C.P. de Jong, Alphen aan den Rijn.
-----------------------------------------------------
Reactie
De artikelen van ds. De Jong 'Woekeren met het ene talent' vragen om een reactie, al was het maar omdat je je daardoor als lid van de Geref. K. vrijg. persoonlijk aangesproken voelt. Ik beperk mij tot het laatste artikel, dat gedeeltelijk, evenals de eerdere, werd overgenomen in het Ned. Dagblad - al werden ons daarbij de meest treffende passages, b.v. de fundamentele weerlegging van de beschuldiging 'huis dat tegen zichzelf verdeeld is' en de kostelijke vergelijking met Jona onder de wonderboom helaas onthouden.
De Jongs kritiek op de vrijgemaakten is niet mals; zelf gebruikt hij het woord 'bitter'. Helaas moet ik hem in veel opzichten gelijk geven. Toch meen ik dat hij in zijn (vaak begrijpelijke) ver-bitter-ing bepaalde zaken over het hoofd ziet. Zijn irritatie is vooral ontstaan door een boekje van dr. W.G. de Vries. Maar dr. De Vries is, ook al mocht hij als praeses van de jongste vrijgem. synode fungeren, niet de officiële woordvoerder van onze kerken. Zijn mening is slechts een van de vele (zeer uiteenlopende) meningen binnen de vrijgem. kerken. Niemand is er aan gebonden. Je mag het binnen deze kerken vrijelijk met hem oneens zijn; en dat blijkt zo nu en dan ook wel in de vrijgem. pers, al is de diversiteit wel groter dan via die pers naar buiten komt.
De Jong wekt de indruk dat 'de vrijgemaakten' allemaal zo denken als dr. De Vries. In zijn boeiende vierde artikel gebruikt hij eerst het onaangename (want onbepaalde) woordje 'men'. "Men ontziet zich niet, groepen van leden ... los te weken.! Men heeft het immers op onze kerkelijke ondergang voorzien.! Stad en land reist men af om tegen ons te waarschuwen".
Met 'men' wordt niemand in het bijzonder aangeduid, en ieder wordt dus uitgenodigd om zich het gezegde aan te trekken - wat meestal hierop neerkomt dat niemand het zich aantrekt. Ik vind het in wezen een hatelijk woordje dat dan ook het betoog verzwakt. Wat hier gezegd wordt moge dan waar zijn voor sommige vrijgemaakten (q.e.d.), het is zeker niet de mening van velen onder ons. Later gaat ds. De Jong over op 'zij', 'hun' en 'hen': "Gaat een lid van hen naar ons over, dan achtervolgt men hem.! Naar ons toe hebben ze. duidelijk een blinde vlek.! ...hun opvattingen en tradities ..."
Steeds het beeld van 'de vrijgemaakten' als een monoliet.
Ik vind het jammer dat ds. De Jong hier zo veralgemenend schrijft. Toegegeven dat het aan bod laten komen van opvattingen en standpunten die de toonaangevende kerkelijke scribenten niet graag horen niet de sterkste zijde van speciaal onze kerkelijke pers is, toch zal het ds. De Jong zeker bekend zijn dat er onder ons ook andere opvattingen zijn t.a.v. Ned. Ger. Kk. dan de boven geciteerde. Heeft de irritatie die het boekje van dr. De Vries bij hem gewekt heeft ook bij hèm een blinde vlek veroorzaakt?
Het zijn uiteindelijk niet de meningen van dr. De Vries, maar de officiële uitspraken van onze kerken, waarop wij gezamenlijk aangesproken kunnen worden. En dan zou ik graag nog eens willen wijzen op de uitspraken van de synodes van Heemse en Spakenburg, die m.i. een verblijdende ommekeer in ons kerkelijk denken markeren. Als ds. De Jong dáárop onze kerken nog eens zou willen aanspreken ...
De twee belangrijkste conclusies van de synodes zijn m.i. deze:
1) Het is zonneklaar, "dat er gelovigen zijn buiten de kerk, d.w.z. de concreet aanwijsbare kerk zoals wij die in ambten, samenkomsten etc. kennen."
De Here werkt in zijn welbehagen nieuw leven, ook kerkelijk leven, buiten de grenzen van de kerk. Wie de vergader-arbeid van Christus beperkt tot de concreet aanwijsbare kerk zoals wij die in ambten, samenkomsten etc. kennen (hiermee bedoelt de synode steeds: de Geref. K. vrijg.) versmalt die vergader-arbeid op onaanvaardbare wijze.
2) De Bijbel en de belijdenis spreken onderscheidend over de kerk. Wanneer art. 28 NGB zegt: buiten haar is geen heil, dan ziet dat 'haar' op "de vergadering van art. 27, d.i. ten principale de kerk zoals zij wordt samengebracht uit alle volken, door alle tijden heen."
Ik vind dit zeer belangrijke uitspraken, die het meer verdienen besproken te worden dan welke particuliere opvattingen ook. Dit is wel iets anders dan wat decennia lang door velen in onze kerken is geloofd en geleraard. Ik beperk mij tot één klein stukje kerkgeschiedenis.
In 1985 schreef dr. Arntzen in het N.D. (6-8-85): "Men moet onderscheiden tussen de heilige, algemene christelijke kerk zoals beleden in art. 27 NGB, én de concreet aanwijsbare kerkvergadering zoals deze in haar kenmerken wordt beleden in art. 29." Hierover werd hij in De Reformatie (31-11-85) berispt door dr. W.G. de Vries: "Dr. Arntzen biedt hiermee een al lang achterhaalde en weerlegde exegese van art. 27-29, waarmee hij onze kerken eigenlijk weer terug-voert tot achter de Vrijmaking en naar de Kuyperiaanse leer over de kerk". "Is alles wat K. Schilder over dit ingrijpende thema heeft geschreven dan tevergeefs geweest? En keren we terug naar de dertiger jaren?" Dr. De Vries noemt de overtuiging van K. Schilder dat in art. 27-29 steeds sprake is van dezelfde, zichbare kerk 'het enige juiste standpunt inzake de kerk'.
Doch zie, nu heeft de synode van Spakenburg deze 'al lang achterhaalde' uitleg bijna letterlijk in haar acta opgenomen en ons daarmeegelukkig - weer teruggebracht tot voor de Vrijmaking, tot prof. H. Bavinck, ja zelfs tot Calvijn, die de kerk als 'la compagnie de Dieu', de kerk van art. 27, onderscheidde van de kerk als 'la compagnie des fidèles, de kerk dus van art. 29. Het is er wel ver vandaan dat het woord van dr. De Vries in onze kerken toonaangevend is.
Hoe groot de invloed is die deze uitspraken momenteel hebben, en hoe groot in het algemeen de invloed van synode-uitspraken is, daarover hebben zowel ds. De Jong als ondergetekende misschien onze twijfels. Maar er is toch méér te zeggen over wat er 'sinds de veroordeling van ds. Hoorn' in onze kerken veranderd is dan wat ds. De Jong daarover zegt.
Al is het bereiken van 'kerkelijke eenheid' niet van primair belang, wij hoeven het verlangen daarnaar en de hoop daarop niet op te geven.
Ph. Roorda Bzn, Zuidhorn.