Horen naar het Woord (2)
1990-09-14
Na de korte weergave van het spreken van Janse en Schilder in het vorige artikel wordt nu dieper ingegaan op de verschillen tussen beiden, zoals Vink die in zijn toespraak naar voren bracht.- Jaargang 34
- nummer 19
Schilder wilde de boodschap van de profeten horen vanuit het geheel der Schriften. Als Jesaja bv. spreekt van Gods beheersing van de volken en over het zenden door God van koningen der volken, dan zullen we die woorden van Jesaja moeten verstaan in verband met de voor ons voleinde schriftopenbaring. Die voleinde schriftopenbaring legt inderdaad verband tussen de zonde der volkeren en het gericht over de volkeren.
Dit verband blijkt o.a. duidelijk in de Openbaring van Johannes.
Babel wordt geoordeeld over haar zonden.
Vink: "Maar in die wereld, waarover het gericht komt, leeft ook de kerk en die krijgt haar deel van de gemeenschap aan het gericht over de volkeren.
Ook de kerk krijgt gemeenschap aan het 'wee', dat door de gerichten over de volkeren komt. Maar dat niet alleen, er komt voor de kerk nog iets bij. In de crisis van de "eindtijd wordt ook de antithese verscherpt. De hulp, die de aarde biedt aan de kerk, wordt minder. De kerk krijgt ook de slagen te verwerken, die Babel haar wil toebrengen. Profeten, getuigen worden gedood. Die benauwing komt er voor de kerk bij. "
Een belangrijke vraag is nu, of dat altijd is vanwege de zonden van de kerk. De bijbel laat duidelijk zien, dat dat niet zo is. Er worden getuigen gedood om hun trouw. De kerk deelt in het wee, dat over de volkeren komt, maar heeft tevens te maken "met de smarten der kerk, die verbonden zijn aan het dragen van de versmaadheid van Christus".
Zo heeft Schilder geluisterd naar Jesaja en andere profeten en hun boodschappen verstaan in verband met de gehele openbaring.
Janse over de profeten
Janse heeft de vraag gesteld of er verbondswraak is en gericht vanwege de verbondsvloek. Wanneer deze vraag zo algemeen gesteld wordt, zal er niemand zijn, die daar zonder meer 'neen' op antwoordt.
Janse stelde de vraag in 1940 in het algemeen, maar werkte het antwoord uit in een bijzondere vorm.
Vink: Hij ziet de Verbondswraak gekomen in de duitse bezetting.
Zodat wie zich daartegen verzet, zichzelf aan de Verbondsroede onttrekken wil. En geen oordeel verdraagt over de zonden der kerk."
Janse wees o.a. op Jeremia 15 : 1 e.v. "AI stond Mozes met Samuel vóór Mij, dan zou mijn ziel zich toch niet tot dit volk neigen: weg met hen, uit mijn ogen, laat hen heengaan!
..... Ik zal hen maken tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken der aarde ..." Verder heeft Janse gewezen op Jeremia 29, waar de profeet de ballingen zegt, dat ze zich moeten onderwerpen aan de vijand, "want in haar vrede zal uw vrede gelegen zijn". .
Vink: "Dat zegt de HEERE tot ons nu (Vink geeft de mening van Janse weer - v.W.), want dat heeft de HEERE door de dienst van Jeremia destijds tot het volk van Juda en tot de weggevoerden' naar Babel gezegd.
En de HEERE zegt ons door de dienst van Ezechiel (14: 13): "Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken en zal hetzelve de staf des broods breken en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie.
" En de HEERE zegt dit tot ons, omdat Ht] dit destijds door de dienst van Ezechielliet profeteren. Janse hoort dus naar het concrete woord der profetie in de concrete situatie, alsof die profeten nu met hetzelfde woord en met dezelfde boodschap gezonden waren."
Schilder heeft in De Reformatie van 10 augustus 1945 een uitvoerig artikel geschreven onder de titel 'Jeremia en 'het verzet' '. Hij wees er op, dat de beoordeling van de concrete situatie, zoals Janse die gaf, niet juist was. De situatie in bezet Nederland was een totaal andere dan die van Juda ten opzichte van Babel.
Wie parallellen wil trekken, moet een juist gezicht hebben op de concrete situatie. Jeremia had een bijzondere openbaring over de bijzondere omstandigheden. "Jeremia wist van de concrete situatie, wat ons in onze situatie niet geopenbaard was."
Schilder heeft op dit eenzijdig horen naar het Woord gewezen. Horen naar het Woord betekende in de bezettingstijd ook "de geschreven bevelen tot verzet tegen de antichrist"
te onderhouden. Zulk verzet heeft niets te maken met nationalisme.
Vink: "Het ontbreken van het juiste gezicht op de concrete situatie heeft hier - ook bij Janse - dus het horen naar het Woord belemmerd. We dienen er echter rekening mee te houden, dat Janse in zijn blik op de concrete situatie juist bepaald wil zijn door zijn horen naar het Woord.
Wanneer ik mijn bijbel lees, zegt Janse, dan kan ik mij er niet aan ontworstelen, dat in het licht van de profetie van Jeremia en in het licht van Romeinen 13 de HEERE mij leidt tot zulk een beoordeling. Zodat wij ... de vraag overhouden: heeft Janse niet alleen een verkeerde beoordeling der concrete situatie in het heden gehad - zodat zijn parallellen onjuist zijn -, maar heeft Janse wel goed naar het Woord gehoord?"
Van zijn horen naar Romeinen 13 is _het niet zo moeilijk om te zeggen: dat is door Janse verkeerd verstaan, want hij vergat de positie van koningin Wilhelmina in Londen in het licht van Romeinen 13 te zien.
Maar ook ten aanzien van zijn spreken over Jeremia moet worden gezegd, dat hij niet goed geluisterd heeft. En daarom is zijn beoordeling van de concrete situatie én de bijbelse boodschap in die concrete situatie niet juist.
Wat doet Janse, als hij Jeremia leest? Hij hoort teksten, maar hij hoort er de Schriften niet meer in.
Hij herkent de boodschap van de voleinde schriftopenbaring niet. En bij zijn 'toepassing' van het woord van Jeremia verzuimt hij in rekening te brengen wat aan de kerk ná Jeremia is geopenbaard.
Het is merkwaardig, dat Janse als schriftbewijs voor zijn conclusies in een artikel in Pro Ecclesia (een blad, dat tijdens de oorlog verscheen) naast elkaar zet: Deuteronomium 28, Jeremia 29, Daniel 1, Ezechiel 14: 14 en Hebreeën 4 en 6. Dat is merkwaardig, omdat Janse daarmee zeggen wil, dat deze teksten dezelfde inhoud hebben. Hier ligt het principe voor de verwarring, waarin Janse bij zijn horen naar het Woord zichzelf heeft gebracht.
Vink: "Want in Hebr. 4 en 6 is de openbaring in een verder ontwikkeld stadium gekomen. En dat niet alleen: maar is de openbaring nieuwtestamentisch geworden. Hebr. 4 en 6 zeggen: het is voor de kerk, die niet meer getrouw is om het Verbond met de HEERE te bewaren, nog veel erger dan voor Juda uit de tijd van Jeremia. Voor Juda was het een ballingschap van 70 jaar. Dan kwam de weg terug. Maar laat ons gewaarschuwd zijn, zegt Hebr. 6, tot ieder, die in Gods nieuwe Verbondsbedeling afvallig wordt. Het kan wel eens zo zijn, dat de weg terug voor hem gesloten blijft. Want het is onmogelijk, dat wie afvallig wordt, weer vernieuwd wordt tot bekering."
(slot volgt)