Amos' voorbede
1990-09-28
Wie de profetieën van Amos doorbladert wordt getroffen door de onophoudelijke stroom gerichtsaankondigingen.- Jaargang 34
- nummer 20
Aanklacht stapelt zich op aanklacht. Dat is ook hard nodig: maatschappelijk onrecht paart zich aan afgoderij. "De rechtvaardige wordt voor geld verkocht en de arme voor een paar schoenen ... een man en zijn vader gaan naar hetzelfde meisje, om mijn heilige naam te ontwijden; op verpande kleden strekken ze zich uit naast elk altaar".
(Am. 2:6,7) Onrecht en afgodendienst gaan hand in hand. En de HEERE?
Als een leeuw verheft Hij zich hiertegen.
Hij walgt van de hele situatie (5:21) en Amos moet Gods walging over het volk uitstorten. Aanklacht stapelt hij op aanklacht.
Een onverwachte wending
In Amos 7: 1-6 krijgen we opeens een heel andere situatie voor ogen.
Niet langer de profeet tegenover het volk, maar een samenzijn van God met zijn profeet waarbinnen een persoonlijke sfeer is. De HEERE laat aan Amos zien wat Hij van plan is, en Amos wordt daar zo bij betrokken, dat hij in de gelegenheid is daarop te reageren.
Tot twee keer toe krijgt Amos vizionair voor ogen welk oordeel de HEEREvan plan is aan Israël te voltrekken. Eerst (7:1) dreigt Hij met een geweldige sprinkhanenplaag.
Die komt op een uiterst ongelukkig moment. De eerste oogst is naar de koning gegaan (als belasting), de boeren hebben dus nog niets in hun schuren. En uitgerekend nu een sprinkhanenplaag? Dat betekent het einde voor die boertjes! Amos moet er niet aan denken. Vervolgens (7:4) dreigt de HEERE met een grote droogte. In felle apokalyptische kleuren schildert de HEERE dit oordeel.
Maar dan Amos' reaktie. Op heel verschillende manieren had Amos kunnen reageren. Heel fatalistisch bijvoorbeeld: "U heeft het nu eenmaal besloten, machtige God, zo moet het ook zijn ..." Of hij had als Jona kunnen reageren, die genoeglijk wachtte op de omkering van Ninevé: "Hááá, eindelijk krijgen de goddelozen ervan langs!". Maar Amos doet noch het één, noch het ander. Hij gaat bidden. Hij bidt: Here, HEERE, vergeef toch! (7:2) ... Houd toch op! (7:5)
Profetisch en priesterlijk
Amos heeft aanklacht op aanklacht te stapelen, maar in dit samenzijn met God slaat Hij een heel andere toon aan. Hij bidt tot God. Hij smeekt: houd ermee op, met dat oordeel!
We zien hier de profeet als priester optreden. De tegenstem bemiddelt hier. Niet de rechtvaardige tegenover de goddelozen, maar de rechtvaardige voor de goddelozen. Net als Jezus: profeet bij uitstek, priester in optima forma.
Hiermee is iets heel wezenlijks gezegd over de plaats van de kerk in de wereld. Meestal wordt die plaats aangeduid met de zinsnede: 'Wel in, maar niet van de wereld'. Een typering, die op zich wel hout snijdt.
Toch is er véél te weinig mee gezegd.
Wat erin ontbreekt is de bijzondere verhouding waarin de kerk tot de wereld gesteld is. De betrokkenheid op de wereld ontbreekt erin.
Zowel de profetische als de priesterlijke betrokkenheid.
Enerzijds is de kerk van Godswege bedoeld als kritische stem tegenover de wereld. Wijzend op het onrecht en de afgodendienst heeft de kerk, heeft de christen de wereld te waarschuwen voor Gods oordeel over de zonde. Oproepend tot bekering. Van de kerk en de christen moet een profetisch appèl uitgaan. Echter, deze profetische taak heeft hand in hand te gaan met de priesterlijke dienst. Biddend, dat de HEERE geduid heeft met de wereld, pleitend op het bloed van Christus voor het behoud van de mensheid. Elk profetisch appèl, dat niet gedragen wordt door priesterlijke Ijefde verwordt tot hoogmoed en moralisme. Heel het gelovige verzet tegen machten van onrecht en afgodendienst wil gedragen zijn door voorbede, middelaarschap.
'HEERE, vergeef toch! ... Houd toch op!'
De inhoud van Amos' voorbede
Leerzaam is Amos' houding van voorbede. Zeker zo leerzaam is de inhoud ervan. Hij argumenteert met de HEERE en let op zijn argument: "Hoe zou Jakob staande blijven, het is klein!" Dat is alles. Meer zegt hij niet. Als U op dat volkje toornt, God, als U optreedt tegen Jakob, dan is het fffttt weg! Dat houdt toch geen stand. Het is klein.
Amos wijst God op Israëls nietigheid.
Heel opvallend, omdat ook dat anders had gekund. Zo zien we Abraham voor het behoud van Sodom en Gomorra pleiten door zich te beroepen op Gods gerechtigheid.
"Zult U dan de rechtvaardigen met de goddelozen verdelgen?" En God zegt: "Ik zal de hele plaats sparen, terwille van de 50 ... de 45 ... de 40 ... de 30 ... de 20 ... de 10! rechtvaardigen, die in haar zijn" (Gen. 18:16-33). Zo had Amos ook kunnen bidden.
Hij doet het niet. Hij wijst de HEERE op Jakobs nietigheid. En dat ook dit argument de HEERE diep raakt blijkt uit het vervolg: "Dit berouwde de HEERE. Het zal niet geschieden, zei de HEERE." (Am. 7:3,6) En zozeer wordt de grote God door het argument van Jakobs kleinheid geraakt, dat Hij zijn oordeel laat varen.
Gods zwakke plek
Amos 7:1-6 laat iets heel ingrijpends zien. Wij kennen vaak maar één tegenstelling: die tussen rechtvaardigen en onrechtváardigen, godvrezenden en goddelozen. Inderdaad is dit de meest principiële tegenstelling, die er tussen mensen kan bestaan.
Dat blijkt ook uit het vervolg van Amos' vizioenen: Wanneer het volk zich niet bekeert, wordt alsnog Gods oordeel uitgesproken (7:7-9).
De uiteindelijke tegenstelling binnen het menselijk geslacht is daarom die tussen godvrezenden en goddelozen.
Op een scheiding tussen die twee loopt de wereldgeschiedenis ook uit.
Maar dit is niet de enige tegenstelling in de Schrift. In de Schrift komen we ook het onderscheid tussen de sterken en de zwakken, de.
groten en de kleinen tegen. Met de zwakke wordt dan heel konkreet bedoeld: de wees, de weduwe, degene die verdrukt wordt in de poort, de vreemdeling. En keer op keer blijkt, dat de HEERE voor de zwakken een zwak heeft. Mensen die door en door afhankelijk zijn roepen Gods medelijden op, Gods erbarming.
Amos heeft weet van deze wonderlijke genegenheid van de HEERE voor het kleine en zwakke en ... weet met een beroep daarop God tot berouw over het oordeel te bewegen.
Onze zwakke plek?
Hoe haaks staat Gods zwakke plek op onze natuurlijke voorkeur! Wij worden geimponeerd door hetgeen krachtig en ongebroken is. Wij pronken met ons nationale elftal, met onze mooie auto, met ons knappe gezichtje. En heb je een heel mooi rapport, dan ben je al gauw het lieverdje van de juffrouw. Zo zien wij het kleine al gauw over het hoofd, zo hoog zien we op tegen het grote.
En toch is het absoluut noodzakelijk, dat wij ons Gods zwakheid eigen maken. Het is een zaak van het Koninkrijk.
Jezus zocht de kleintjes, de gekneusden, de zieken, de outcasts, de kinderen. Waar zit ons hart? Waar staan wij eigenlijk in de wereld?
Dekken we ons temidden van de 'grote' mensen, onder de indruk van hun grote auto's, geimponeerd door hun grote woorden? Of hebben we oog voor het schlemieltje van de klas, die kollega onderaan de pikorde, die depressieve vrouw, waar iedereen langsheen loopt en wie ook maar klein en zwak zijn in deze wereld waar grote bekken de dienst uitmaken.
Werkelijk het is een zaak van Gods Koninkrijk, ja, zelfs een zaak van onze Toekomst. Denk maar aan Mat.
25: "Want Ik heb honger geleden en jullie hebben Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en jullie hebben Mij te drinken gegeven. Ik ben vreemdeling geweest en jullie hebben Mij gehuisvest, naakt en jullie hebben Mij bekleed, ziek en jullie hebben Mij bezocht. Ik ben in de gevangenis geweest en jullie zijn tot Me gekomen ... Want inzoverre jullie dit aan één van mijn minste broeders hebt gedaan, hebben jullie het aan mij gedaan ...
"Dank U, Vader in de hemel, dat U Zich niet te groot voelt voor ons, voor mij. 0 God, bewaar ons ervoor, dat ook wij ons nooit te groot voelen voor het kleine!"