Godsverduistering (3)

1990-09-28
  • Jaargang 34
  • nummer 20
"Hoe krijgen wij een genadige God?" Die vraag is nog altijd van belang. Want de Godsverduistering heeft alles te maken met de oerzonde; de moderne vervreemding van God is een zeer schuldige vervreemding.
God staat niet om de hoek op ons te wachten, bereid om in te spelen op onze pogingen om de gevolgen van een ontspoorde mondigheid te bestrijden. Het kan alleen tot een ontmoeting met Hem komen, wanneer Hij ons mensen rechtvaardigt van onze schuld en wij Hem smeken om zich genadig weer naar ons toe te wenden.

Happy
Van mensen die met thema's als 'schuld' en 'genade' bekend zijn, mag verwacht worden dat zij iets kunnen met deze benadering van de Godsverduistering en met de uitweg daaruit die Graafland wijst. Maar hoe zit het met al die mensen, voor wie God inderdaad niet terzake doet? Zouden bv gedreven milieu-aktivisten, die zich een ongeluk geschrokken zijn van de kwalijke gevolgen van het proces van mondigwording van de mens, zich aangesproken voelen door het appèl om het kwaad bij de wortel uit te roeien en de rebellie tegen God te beëindigen?
De vraag stellen is haar beantwoorden: er zijn maar heel weinig milieu-aktivisten die zich iets voor kunnen stellen bij een persoonlijke God die de verkwistende mensheid ter verantwoording roept. Toch is dat een voorwaarde, wil het spreken over God relevantie hebben. En dan hebben we het nog niet gehad over al die mensen, die het wel bèst vinden zoals de wereld draait: de verstokte automobilisten, de onkerkelijke buren die als hoogste doel hebben dat ze drie Keer per jaar met vakantie gaan, de jongens voor wie voetbal àlles is, de TROS- en VERONICAfans enz. enz. enz. Zij tobben zich niet af over de schaduwzijden van de mondigheid van de moderne mens, maar genieten op en top van de vele mogelijkheden die de westerse samenleving hun biedt. Zulke mensen halen helemàál de schouders op als het woord 'God' valt. Zij ervaren de Godsverduistering allerminst als een probleem, laat staan dat zij geïnteresseerd zijn in een mogelijke oplossing daarvan. Zij zijn, om met Graafland te spreken, zo happy met zichzelf, dat zij onvoorstelbaar ver af zijn van het nulpunt waarop zij gaan inzien dat het met de wereld en met henzelf alleen nog maar goed komt als God goddelozen rechtvaardigt.

Algemene openbaring
De beangstigende vraag is nu, of het leven van deze mensen niet aantoont dat je ook zonder God uitkomt, dat het geen 'must' is om in Hem te geloven. Houden wij ons in de kerk dan inderdaad met dingen bezig, die behoren tot de franje aan het leven die heel wel gemist kan worden?
Vergis je niet! zegt Graafland. Want het is niet waar, dat al die mensen voor wie God een overbodigheid is, volkomen met Hem hebben afgerekend en van Hem af zijn. Daarvoor heeft God toch te zeer zijn stempel gedrukt op de werkelijkheid. Mensen kunnen wel denken dat de werkelijkheid zonder God kompleet is, maar af en toe zullen ze toch stuiten op de sporen die Hij in de wereld heeft achtergelaten en die door geen menselijke mondigheid kunnen worden uitgewist. Graafland doelt hier op wat wij algemene openbaring noemen: God doet niel alleen van zich spreken in de bijbel, maar er zitten ook in de gewone werkelijkheid om ons heen allerlei verwijzingen naar Hem. Daarbij is te denken aan de imposante schoonheid en verbazingwekkende gekompliceerdheid van de schepping: zo getuigt bijvoorbeeld de (sterren)hemel van Gods grootheid (psalm 19:2 Groot Nieuws Bijbel; vgl. Rom. 1:20). Maar Graafland wijst ook op de kennis van Gods wet waarover heidenen blijken te beschikken (Rom. 2:14,15): Gods normen voor goed en kwaad zijn kennelijk op een of andere manier toch ook een natuurlijk gegeven. Dat de in Godsverduistering levende mens daarmee niets doet, is vers twee; het gaat erom, dat er iets natuurlijks zit in religie en dat een menselijke mondigheid die God uitrangeert geen recht doet aan de wèrkelijkheid.

Niet uit de lucht gegrepen
Het waardevolle van deze verwijzing naar Gods algemene openbaring is, dat daardoor de Godsverduistering in een ander perspektief komt te staan. Het lijkt in onze samenleving zo volmaakt vanzelfsprekend, om ervan uit te gaan dat de werkelijkheid zonder God kompleet is. Een gelovige schijnt iemand te zijn, die iets religieus toevoegt aan de feiten, zodat God 'uit de lucht gegrepen' lijkt. Maar is die voorstelling niet veel te simpel? Is al die religie op aarde nu werkelijk enkel en a,lIeen aan het brein van mensen ontsproten, die nog niet ontdekt hadden hoe de wereld nu echt in elkaar steekt?
Of moeten wij het veeleer omdraaien en konstateren, dat de Godsverduistering getuigt van een reduktie van de werkelijkheid? Doet de religieuze mens uiteindelijk niet meer recht aan de dingen dan de wijsneus die het spreken over God een evidente overbodigheid vindt? Ik bepleit hier niet, dat christenen hooghartig het hoofd schudden om de dwaasheid dat mensen niet eens meer in God geloven. Wie zelf nog nooit onder de Godsverduistering geleden heeft, dient zich ernstig af te vragen of hij zijn tijd wel kent en misschien ook of hij zichzelf wel kent. Nee, een wereld die zo ingericht is dat het lijkt alsof God er niet is, stelt ons voor een reëel probleem. Maar laten wij daarbij niet van de weeromstuit gaan denken, dat 'gelovig zijn' op geen enkele manier aansluit bij de feiten en dat, omgekeerd, een leven zonder God je reinste vanzelfsprekendheid is. Het levert op zijn minst een aantal forse problemen op voor de filosofie, om te konkluderen dat de werkelijkheid zonder God kompleet is. Natuurlijk, daar liggen al die TROS- en VERONICA-fans niet wakker van. Maar hebben zij daarmee het gelijk aan hun kant? Ik wil maar zeggen: z6 uit de lucht gegrepen is God nu ook weer niet. Daarvoor zitten er voor het geloof net iets teveel aanknopingspunten in de gewone werkelijkheid om ons heen.

Verblinding
Maar als die aanknopingspunten er zijn, is het dan niet te pessimistisch om uit te gaan van een fundamentele diskontinuïteit tussen de natuurlijke mens en God? Heeft Berkhof dan toch gelijk met zijn bewering, dat mensen die schrikken van de gevolgen van een ontspoorde autonomie, nog slechts één hoekje om hoeven te gaan om God te ontdekken? Nu, inderdaad zou je kunnen zeggen dat zij in hun zorg en verontrusting gekonfronteerd worden met God. Zij worden gewaar, dat de schepping het niet verdraagt als de mens zich opwerpt als haar god en heer; in de problemen waarmee zij worstelen schreeuwt de wereld het uit dat het zonder God niet gaat. Voor onze ogen wordt zichtbaar, dat onder de druk van de feitelijkheid barsten ontstaan in de koepel van Godsverduistering die om het leven heen staat. In die zin blijft de mens dus gekonfronteerd worden met God, al is hij nog zo druk doende geweest Hem te negeren. Alleen - die konfrontatie als zodanig werkt nooit uit, dat mensen zich alsnog aan Hem gewonnen geven. Paulus' verwijzing naar Gods algemene openbaring is allerminst optimistisch getoonzet. In Romeinen 1 is het thema niet, dat de natuurlijke mens al een heel eind op weg is om God te kennen, maar dat hij zich verzèt tegen de waarheid van God waar hij mee gekonfronteerd wordt. De religiositeit die Paulus waarneemt is voor hem dan ook geen hoopvol teken, maar het schrikwekkend bewijs van de weigering van de mens om voor de enig ware God te buigen. De waarheid over God, die inderdaad in de werkelijkheid oplicht, wordt in ongerechtigheid tenonder gehouden; de mogelijkheid om God te kennen, loopt op niets uit doordat mensen er verblind en dwaas op reageren (Rom. 1:18-23). Anders dan de Rooms-Katholieke theologie heeft de Reformatie dan ook in de algemene openbaring geen opstapje voor de mens gezien, om op eigen kracht al enigszins tot God te naderen, waarna de genade de rest doet. De koppigheid en verblinding van de mens is zo groot, dat hij God blijft miskennen, ook als Deze langs natuurlijke weg van zich doet spreken. God komt er eenvoudigweg niet doorheen, door die muur van verzet, tenzij ... - tenzij de mens wedergeboren wordt. AI krijgt de mens het nog zo benauwd van de ontspoorde autonomie, hij zal nooit zijn vergissing erkennen en ootmoedig bij God terugkomen, tenzij ... - tenzij de Geest van Jezus Christus hem ertoe drijft zich met God te laten verzoenen.

Het werk van de Geest
Ook Graafland komt in zijn boek uit bij dit werk van de Geest. Daar ligt naar zijn mening de enige mogelijkheid, om heen te breken door het gevoelen van zovelen, dat God totaal irrelevant geworden is. Hij heeft geen enkele illusie, dat de Godsverduistering 'vanzelf' wel weer zal overgaan. Waarom zou een milieu-aktivist zich plotsklaps bij zijn strijd gaan laten motiveren door het geloof, dat de schepping als een sieraad moet kunnen flonkeren tot eer van de Schepper? Welke argumenten zou je moeten aanvoeren, om iemand die zich best wel happy voelt ervan te overtuigen, dat hij niet zonder God kan in dit leven? Zeker, er zijn g6ede argumenten om vraagtekens te zetten bij dat gevoel van 'happy zijn' in een Godloze wereld, zo goed als je een milieu-aktivist erop kunt aanspreken dat zijn ijver een betere basis verdient dan die van het evolutionisme. Maar denk niet dat het ook maar iets uithaalt, tenzij ... - tenzij de Geest mensen de ogen opent, hen doet beseffen dat zij gezondigd hebben door God er buiten te laten, hen doet ontdekken dat er geen vernieuwing zonder verzoening mogelijk is. Zijn wij dus machteloos als het erom gaat de Godsverduistering te verdrijven? Ja, zegt Graafland, maar het is geen passieve machteloosheid; zij drijft ons tot een vurig gebed om de krachtige werking van Gods Geest.

Verrassend
Op dit punt neemt het boek een enigszins verrassende wending. Zo op het eerste gezicht heeft deze uitkomst iets tams; heel die berg van problemen rond de Godsverduistering lijkt het muisje te baren van een overbekend en daardoor weinig boeiend dogma: de noodzaak van de wedergeboorte. Maar zoals Graafland erover schrijft, ga je toch weer de oren spitsen. In de eerste plaats neemt hij hier afstand tot de formuleringen van de Dordtse Leerregels.
Hij erkent, dat dit belijdenisgeschrift in essentie goed gesproken heeft over die noodzaak van wedergeboorte en dat de verwerping van de remonstrantse opvatting in dit opzicht terecht was en aktueel blijft.
Tegelijk oefent hij kritiek uit op scholastisch gedachtengoed in hoofdstuk III/V en waarschuwt voor de lijdelijkheid waartoe de Leerregels daarmee aanleiding kunnen geven. Nu hoeft deze kritiek de Nederlands Gereformeerde lezer niet te verbazen; tientallen jaren geleden heeft prof. Jager al op hetzelfde gewezen.
Maar het is toch opmerkelijk, dat een Gereformeerde Bonder als prof. Graafland die kritiek nu bijvalt zonder een blad voor de mond te nemen.
Dat vind ik zo aantrekkelijk van zijn boek; hij waardeert de gereformeerde traditie, maar is niet te bang om er ook eens van te zeggen: daar en daar deugt zij niet en kan zij tot ontsporingen leiden! Met andere woorden: wij zijn als Nederlands Gereformeerden niet de enigen die de pretentie hebben in de gereformeerde traditie verder te gaan, maar daarbij de noodzaak ervaren hier en daar gaatjes te prikken in de belijdenis, om te voorkomen dat zij een harnas wordt dat ons in de voortgang belemmert.
Belangrijker is echter nog, in de tweede plaats, dat Graafland aandacht vraagt voor een zijde van het werk van de Geest waarover de gereformeerde traditie een bijna volkomen stilzwijgen bewaart. Dat de Geest blinde mensenogen wil openen voor Gods verzoenende aanwezigheid in Christus; dat Hij onverzettelijke vijanden van God wil maken tot dienaren vol goede werken; dat Hij in afgestompte christenen een laaiend vuur van liefde en vertrouwen wil ontsteken - daarover spreekt de belijdenis zo royaal, eerbiedig en enthousiast, dat zij ons vaak ver vooruit is. Maar dat de Geest voor de verovering van mensenharten gebruik kan en wil maken van charismata zoals de gaven van profetie en genezing - daar ruimt onze traditie geen plaats voor in. De argumentatie is bekend: die gaven waren nodig aan het begin van de kerkgeschiedenis; nu wij echter over de bijbel beschikken zijn zij niet meer nodig.
Graafland zet bij die argumentatie vraagtekens met een beroep op … Calvijn. Die was weliswaar vuurbang voor het misbruik van de charismata zoals hij dat waarnam bij doperse extremisten, maar in beginsel hield hij het voor mogelijk, dat de Geest in bijzondere tijden zich opnieuw van bijzondere gaven zou bedienen.
Graafland merkt op, dat Calvijn daarbij dacht aan zijn eigen tijd en aan een 'charismatisch' reformator als Luther in het bijzonder. Hij gaat dan als volgt verder: "Laten we er nu eens van uit gaan, dat Calvijn gelijk heeft met zijn opvatting, dat de Geest zich als regel niet van bijzondere gaven bedient. Dan blijven er uitzonderingen op die regel mogelijk.
Die uitzonderingen zijn te verwachten in zeer bijzondere tijden.
De tijd van Luther en Calvijn wàs zo bijzonder: de kerk moest toen een uitzonderlijk grote hobbel over. Dat is gelukt dankzij een bijzondere werking van de Geest. Zouden wij dan in onze tijd niet op iets dergelijks mogen rekenen? Want heeft de kerk in onze tijd niet een minstens zo grote hobbel te nemen - die van de Godsverduistering? Hebben wij het recht om vast te stellen, dat de Geest ons daarin nooit en te nimmer tehulp zal snellen met bijzondere werkingen?"

Calvinistisch-charismatisch
Graafland zou Graafland niet zijn, als hij hier niet zou waarschuwen voor een christelijk leven, waarin het accent verlegd wordt van de rechtvaardiging van de goddeloze naar de charismatische begiftiging van vromen. Ook hier ziet hij weer het risico van het 'harmoniedenken': de Geest wordt nogal eens voorgesteld als degene die inspeelt op de spirituele mogelijkheden van de mens.
Mij dunkt: hij ziet geen spoken. De diskontinuïteit tussen God en mens heeft ook betrekking op het spirituele.
Ik kan mij nooit aan de indruk onttrekken, dat Pinkstermensen en charismatici daaraan nog wel eens voorbijgaan en veel te kritiekloos de extase van hun eigen geest interpreteren als de manifestatie van de Heilige Geest. Het is duidelijk dat Graafland die kant niet op wil. Maar hij wil zich vanwege dat risico evenmin laten terugdringen in de hoek waar het charismatische wordt buitengesloten.
Hij wijst op Koreaanse kerken, die in het spoor van Calvijn gaan maar daarbij open staan voor het charismatisch werk van de Geest en zo in hun samenleving een opvallende wervingskracht ten toon spreiden.
Zijn vraag is: hebben wij hieraan geen boodschap?
Het komt mij voor dat wij hiermee aan het denken gezet worden. Dat is iets anders dan knopen doorhakken inzake al die lastige vragen rondom de Pinksterbeweging en de charismata.
Daarvoor heb je meer nodig dan 15 verrassende bladzijden in een boek dat vanuit de gereformeerde traditie over de Godsverduistering wordt geschreven. Maar het lijkt mij van enorm belang, om er met Graafland voor te waken dat het een nietszeggende kreet wordt: "Verwacht het van de Geest!" Als het waar is, dat die verwachting het enige is dat ons rest in onze machteloosheid om mensen uit de Godsverduistering weg te leiden, dan zal het erom gaan ook werkelijk open te staan voor de Geest, kritisch onderscheidend maar ook ootmoedig onbevangen.
(slot volgt)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief