Tussen kerk en keuken
1990-09-28
Kosters- Jaargang 34
- nummer 20
"Vorige week is mijn paraplu gestolen ... Uit de kerk nog wel" zei een kennis van me somber. Ze had kort daarvoor verteld dat de Tien Geboden in hun kerk niet meer voor werden gelezen, dus ik zei: "Alsjeblieft...
daar heb je het al. Ik zou maar vlug vragen of de kerkeraad het lezen van de wet weer invoert".
Dat was wel even een misser, want een andere dame uit het gezelschap zei vinnig: "Niet iemand uit de kerk natuurlijk. Tijdens de preek zijn er mensen het portaal binnengekomen en hebben een paar paraplu's en een leren jasje meegenomen. En nu gaan de deuren op slot als de kerkdienst begint. De koster kan die verantwoordelijkheid niet dragen."
De koster van de kerk waar onze gemeente onderdak heeft gevonden, loopt tegen de tachtig en maakt niet de indruk, dat de verantwoordelijkheid hem erg drukt. Hij houdt er als nevenbedrijf een boerderij op na, geholpen door een paar zoons. Het is een bijzonder mild en aardig mens. Precies zoals ik vind dat een koster moet zijn.
Reinier noemt hem dan ook 'Opa Koster'. Een tijdje geleden kwam Reinier na de kerkdienst naar de consistoriekamer. "Dominee Ruard", zei hij tegen onze predikant, "ik weet van wie de kerk is". "Nou, vertel eens Reinier" , zei onze pastor geïnteresseerd. Ik weet niet waar hij op rekende, maar het antwoord was niet echt verheven.
"Van opa Koster", zei Reinier triomfantelijk.
"En als die er niet is een beetje van mijn vader, want we wonen er dicht bij en we hebben een sleutel."
"Ik dacht dat de kerk van de Here God was", glimlachte de dominee.
Reinier was niet echt overtuigd. Hij had de kerk altijd als het domein van onze overbuurman gezien en was daar niet een, twee, drie, van af te brengen.
Nu zijn er hier en daar ook kosters en vooral kosteressen, die in de grond van hun hart dezelfde mening zijn toegedaan.
Een tijdje geleden hoorde ik van een vriendin, uit een ander deel van het land en behorend tot een andere kerk (ik zeg het er maar bij, voor u denkt: "Aha ... die ken ik") het volgende: Ze draait mee in een groepje, dat zorgt voor de bloemen in de kerk. Een tijdje geleden was er een speciale dienst.en zij moest voor het boeket op de tafel vóór in de kerk zorgen. Ze had flink wat bossen bloemen gekocht en om ze goed te kunnen schikken, had ze ze op de plavuizen gelegd. Buiten druilde het van de regen, en terwijl ze heen en weer liep tussen vaas en bloemen, werd er gebeld. Het was de organist die tijdens de dienst zou spelen en omdat hij uit een andere plaats kwam, niet het risico wilde lopen te laat te komen. Ook vond hij het plezierig om even aan het orgel te wennen. Ze liet hem binnen en ging verder met de bloemen terwijl hij begon te spelen.
Door het middenpad kwam de kosteres aan. "Wat is dat voor zwijnerij in MIJN KERK" riep ze schril en: "WIE heeft de organist binnen gelaten."
Mijn vriendin schrok op uit haar genoegelijke stemming. Boze voetstappen op plavuizen klinken erg hard. Ze zei: "Ik ... je kunt die man toch niet buiten laten staan, Nel, en die rommel ruim ik als ik klaar ben heus wel op hoor ... zo doe ik het thuis ook!"
"Ik had met hem afgesproken hoe laat hij kon komen. Wat je thuis doet kan me niet scheien ... maar dit is mijn domein", stampte de kosteres.
"Nee ... dat is niet waar ... De kerk is van God en daarna van ons allemaal, .. maar kijk eens, ik heb nog wat bloemen over, zal ik die maar in een vaas op de andere hoek van de tafel zetten?" zei de vriendin verzoenend, want ze heeft een hekel aan scenes.
"NEE ... dat vind ik liturgisch niet verantwoord", zei Nel kwaad. Mijn vriendin was perplex. Ze had er een paar uur een snert humeur door, maar moest naderhand wel lachen.
Natuurlijk is deze gebeurtenis zeldzaam en ik ken verder vrijwel geen koster die de kerk zo als het verlengde van zijn huiskamer ziet, dat de Here God Zelf onderhuurder is geworden. 'De boze koster' van Van de Hulst is verdwenen en mét hem de koster, die na een festiviteit waar hij of zij niet onmiddellijk bij betrokken is, rondgaat als één van Sneeuwwitjes dwergen. "Wie heeft er op mijn stoeltje gezeten en wie heeft er uit mijn kopje gedronken en wie' heeft mijn lepeltje gebruikt" roepend.
Misschien vraagt u zich af waarom ik over deze gebeurtenis schrijf.
Vooral omdat wij naar mijn weten (ik ben vanuit mijn jonge jaren aan gymzaaltjes gewend) weinig kosters hebben in onze kerken.
De verklaring is eenvoudig. Ik vind eigenlijk dat een kerk ook door de week een paar uur open zou moeten zijn. Gewoon om er even stil te zitten.
Bij onze koster (die niet eens onze koster is) levert dat geen problemen op. Diefstal van een paraplu vind ik geen ramp. Maar m'n regenjas neem ik mee de kerk in.