De laatste vergissing

1989-04-28
  • Jaargang 33
  • nummer 9
Mevrouw Andrea was van voor de genetische revolutie. Geboren aan het eind van de twintigste eeuw behoorde ze tot de laatste mensen die de invoering van de euthanasiewetten en het genetische paspoort nog hadden meegemaakt. Omdat ze nog op de oude manier was verwekt kwam zij niet in aanmerking voor het nieuwe paspoort. Hetzelfde gold voor haar leeftijdgenoten. In de maatschappij konden ze daarom niet meer functioneren. Zij die niet kozen voor een - uiteraard vrijwillige - euthanasie werden opgenomen in verzorgingscentra.

Mevrouw Andrea was 52 toen ze werd geplaatst in het centrum. Ze kreeg een klein appartement toegewezen op de begane grond en werd van de ene op de andere dag patiënt.
De volledige verzorging zou duren totdat ze de financiële lasten daarvan niet meer zou kunnen dragen.
Of, voor het geval dat eerder zou zijn, tot het moment dat haar leven op al dan niet natuurlijke wijze een einde zou nemen. Maar dat sprak voor zich. Ruim achttien jaar woonde mevrouw Andrea nu in het verzorgingscentrum aan de rand van de stad. Meestal zat ze in haar grote, met pluche beklede stoel voor de televisie. Rechts was het raam, dat uitzicht bood op het liefelijke groen, links was de deur. Achttien jaar lang was die deur elke dag precies twee maal geopend door een in wit geklede bewaakster, Zwijgend bracht die haar eten, haalde haar afval op en controleerde of ze nog leefde. Als zij weer weg ging trok de bewaakster zonder een woord te zeggen de deur achter zich dicht. Alleen aan de buitenkant zat een deurkruk.
Hij was een vergissing. Glaswerk en micro-elektronica domineerden de omgeving waar hij werd verwekt.
Allesomvattend wit vermenigvuldigde het laboratoriumlicht zich in het tegelwerk van de wanden. Het moet zo'n tweeëntwintig jaar geleden zijn, nu. De computer had al direct na de bevruchting in vitro vastgesteld dat zijn genenplaatje niet naar wens was. Gedeeltelijke kleurenblindheid en een genetisch defect dat zou kunnen wijzen op een verhoogde kans op hart- en vaatziekten.
Maar de computer had zich verslikt, ondanks de perfecte omstandigheden.
Zonder blikken of blozen had het apparaat de uitverkoren streepjescode geplakt op het buisje waarin hij een ogenblik daarvoor twee ernstige genetische defecten had vastgesteld. Vooruitlopend op een onbestaanbare nieuwe toekomst had de cel in het buisje zich al gedeeld. Het leven in een maatschappij die alleen perfecte mensen accepteerde zou hem niet worden bespaard. Wat eigenlijk zijn lot had moeten zijn, een onbeleefde dood, ongezien temidden van honderden broertjes (meisjes werden in het aangrenzende laboratorium verwekt), waarna de buisjes bij de afwas konden, ging zijn neus voorbij.
Hoewel er van een neus toen nog lang geen sprake was.

Dat uitgerekend hij ter wereld kwam was niet alleen een vergissing, maar ook een wonder. Alle controles en een vruchtwaterpunctie ten spijt werd hij gewoon geboren.
Toen ze uiteindelijk merkten dat zijn genoom niet klopte was hij al tien.
Het was voorpaginanieuws. De pers bedacht een passende naam: Zombie. De levende dode. Politiek gezien was het kantje boord. De oppositie sprak van groot emotioneel en financieel leed dat de gemeenschap zou treffen. De betrokken minister deed zijn uiterste best om zijn geschade geloofwaardigheid weer uit te deuken. Er was sprake geweest van grove nalatigheid, dit kind had niet geboren mogen worden, de controles zouden worden verscherpt, dit zou de laatste vergissing zijn. De minister mocht blijven.
Zombie niet. Nog dat zelfde jaar werd hij van school gehaald. Zijn ouders zouden schadeloos gesteld worden mits ze hun kind zouden afstaan. Voor zijn eigen bestwil en voor het welzijn van de gemeenschap.
Hij zou er niets van voelen, meende de woordvoerder van het team van medici dat terminale gevallen regelde.
In het vroege voorjaar van 2053 liep hij weg van huis. Niemand hoefde hem iets te vertellen. Amper tien . jaar oud had hij het naderende onheil feilloos aangevoeld. Hij had geen geld, hij had geen genenpaspoort en was dus ten dode opgeschreven.
Maar de stad was groot en niemand lette die zomer op hem.

Hij leerde snel, wist aardig in zijn onderhoud te voorzien. Zonder pas kon je nergens afrekenen, dus rekende hij niet af. Het beduvelen van de elektronische beveiligingen' was in feite kinderspel. Maar lang hield hij het niet uit in de stad. Hij werd gezocht door de politie en elke uiting van criminaliteit werd toegeschreven aan een jochie van tien: de Zombie-man. Zijn signalement kwam op de kabel. In het najaar trok hij de stad uit. In de uitgestrekte bossen op de hellingen aan de noordzijde van de stad bouwde hij een soort hut. Hij overleefde de eerste winter en de vele die daarna kwamen. Maar nog éénmaal moest hij terug naar de stad.
Hoe zou ze er uit zien, peinst hij. Ze moet de zeventig al voorbij zijn. De deur naar de woonkamer staat half open. Schimmig en gehaast werpt het televisiescherm haar blauwige licht tegen de wanden en het plafond; in de onverlichte kamer doet het bijna pijn aan je ogen. De grote pluche stoel staat met de rug naar hem toegekeerd. Het brengt hem in verwarring. Hier heeft hij niet op, gerekend; hoe kan hij zichzelf nu introduceren zonder haar te laten schrikken? Leunend tegen de deurpost monstert hij de massieve achterkant van de stoel die haar volledig aan het zicht onttrekt. Ze verwacht zeker geen bezoek en in elk geval niet via het slaapkamerraam.

Veel had hij er destijds niet van begrepen, toen het statige huis aan de overkant plotseling van eigenaar veranderde en mevrouw Andrea van de ene op de andere dag uit het zicht verdween. Ze was te oud, zei men in de buurt. Het was maar beter zo. Hij had haar snel vergeten.
Net als iedereen trouwens; er waren gewichtiger zaken. Pas toen hij al jaren in het bos woonde, pas toen de loop van de seizoenen het meest gewichtige was wat hij kon bedenken, pas toen was de herinnering aan mevrouw Andrea weer boven komen drijven. Ze zaten in hetzelfde schuitje. Zij te oud, hij kleurenblind.

Wat later had hij zich met een schok gerealiseerd dat zij zijn enige verbinding vormde met een tijdperk waarin het bestaansrecht van een mens nog boven alle twijfel verheven was. Hij moest haar spreken.
Iedereen was er blijkbaar van overtuigd dat het leven voor hem niet de moeite waard was en, omgekeerd, dat hij ook geen enkele nuttige functie meer vervulde. Zombie, het wandelende lijk. Dat was zijn naam.
Eigenlijk kon hij ze geen ongelijk geven. De gemeenschap had hij niets meer te bieden en wat hem zelf betrof, wat was er nou eigenlijk nog aantrekkelijk aan zijn leven?
En toch deed hij elke dag niets minder dan zijn uiterste best om in leven te blijven. Eten, drinken, een beetje beschutting tegen de kou, het kostte moeite genoeg. De verbetenheid waarmee hij vocht voor zijn eigen bestaan, groeide met de dag, maar hij kon haar niet beredeneren.

Waarom hield hij van het leven, terwijl hij er zelf de zin niet eens van in zag en de mensen massaal zijn bestaansrecht aanvochten? Als er iemand was die dat wist, dan was het mevrouw Andrea.
Hij weet het al. Eerst zal hij het licht aan doen, en dan langzaam naar voren lopen. Een beetje zal ze nog wel schrikken, maar daar is dan niets aan te doen. Dan zal hij zich voorstellen en haar de tijd geven om te bedenken wie hij ook alweer was.
Voorzichtig doet hij een stap naar voren. Hij staat nu inde kamer, krap twee meter van de stoel. Hij rilt, maar het is niet koud. Met zijn rechterhand zoekt hij achter zich langs de muur naar de schakelaar van het licht, zijn ogen gefixeerd op de achterkant van de stoel. Het pompeuze meubelstuk geeft nog geen teken van leven. Ongestoord blijft het gericht op het licht en geluid brakende televisietoestel. Boven het lawaai uit is de stilte in de kamer bijna voelbaar. Bang dat hij zijn vraag zal vergeten als hij straks oog in oog staat met zijn oude overbuurvrouw, blijft hij hem geluidloos voor zichzelf herhalen: waarom wil ik het leven? De zoekende beweging van zijn rechterhand stokt. De lichtschakelaar.
Nu eerst diep ademhalen.
De spanning laten wegglijden.
Als hij het licht aangeknipt heeft, raakt hij even in paniek. Plotseling fel verlicht voelt hij zich een indringer.

Het duurt twee seconden voordat hij zich weer durft te bewegen.
Langzaam zet hij koers naar de stoel. Mevrouw Andrea moet hem kunnen zien. Hij wil haar aankijken als zij met hem praat.
Voetstappen echoën op de gang.
Niemand hoorde ze aankomen, ze hebben geen richting, ze zijn er plotseling en vullen de harde gang me geluid. De sleutel in de deur.
Twee ogen. Een koele driehoek van licht valt van buiten de donkere kamer binnen, breidt zich uit over de vloer en neemt bezit van de pluche stoel. Twee bewakers in wit steken hun hoofd om de deur. Niets beweegt.
Zonder iets te zeggen trekken ze zich terug en sluiten de deur af-met twee slagen van het slot.
Op de televisie komt het wereldnieuws voorbij.
Op goed geluk springt hij uit het kozijn in het gras dat nat is van de avonddauw. Voorzichtig duwt hij het slaapkamerraam weer dicht. Hij leunt met zijn rug tegen de muur.
Hijgend, het hoofd achterover. De gedachten gieren door zijn kop. Met elke bonzende hartslag dringt zich een ander beeld aan hem op. De televisie, het geluid op de gang, de lichtknop, de bewakers, de stoel.

Het beeld van de stoel, vlak voordat hij in paniek het licht uittikte en naar de slaapkamer ontqlipte staat in zijn gedachten gegrift. De stoel was leeg.
Helder en koud is de nacht. Een gestalte maakt zich behoedzaam los van het gebouw. Ongezien, ongewenst en onbeantwoord. De laatste vergissing van de wetenschap. De laatste mens naar Gods beeld. Zijn voetstappen laten een duidelijk spoor achter in het natte gras. Het spoor voert omhoog, in noordelijke richting, weg van de stad.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in het maandblad 'Aktie'.



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief