Zo weinig - en toch zoveel ...

1990-10-12
  • Jaargang 34
  • nummer 21
Eén van de verschillen tussen het pastoraat in een kerkelijke gemeente en dat in de krijgsmacht is wel, dat bij laatstgenoemde vorm van pastoraat het contact met mensen doorgaans van korte duur en vaak éénmalig is.

Wanneer je als legerpredikant in een opleidingscentrum werkt en om de paar maanden met een nieuwe vloedgolf van pas opgekomen dienstplichtigen te maken krijgt, beperken de contacten zich tot een enkel gesprek met die jongens, die met een probleem zitten - of het helemaal niet meer zien zitten ... - en ermee naar jou toe komen.
En ook bij de parate onderdelen maak je de dienstplichtigen hooguit tien maanden mee.
Hèb je dan met sommigen van hen een goed contact opgebouwd, dan zie je ze toch al gauw weer verdwijnen - en vinden ze daarna wéér een pastor, bij wie ze letterlijk en figuurlijk zomaar naar binnen kunnen lopen?

Dat is voor een dominee in de krijgsmacht heus wel eens frustrerend, maar het hoort om zo te zeggen bij deze vorm van pastoraat.
Er zit dus zeker een bepaalde eenzijdigheid en beperking aan categoriaal pastoraat (dat is: pastoraat voor een bepaalde categorie, zoals studerenden, zeevarenden, gevangenen, patiënten in ziekenhuizen of verpleeginrichtingen).
Naar mijn ervaring heeft dat echter niet alleen nádelen, maar net zo goed vóórdelen.
Eén daarvan is, dat veel mensen gemakkelijker bij een - in bepaalde zin - 'vreemde' pastor binnenlopen en hem (of haar) in vertrouwen nemen.
Zeker als de drempel laag is en het dus niet veel moeite kost om contact te krijgen. En dat is doorgaans juist de situatie!
In het leger: de dominee hoort er immers helemaal bij - het uniform dragend als teken dat hij geïntegreerd in de militaire samenleving werkt -, en tegelijk weet men dat hij in zekere zin 'onder en boven de wet staat' en daarom de vertrouwensman (of -vrouw) bij uitstek is.
Iedereen kan zómaar binnenlopen en een beroep op de predikant doen.
Of hij komt uit zichzelf langs, op je buro, in de werkplaats, tijdens een mars, in de bar, in het bivak, op de oefening ergens in de bush-bush ...
Ook in het ziekenhuis: even een seintje via de verpleging of het secretariaat is genoeg. Of je hoeft niet eens naar de pastor te vragen, want hij komt zèlf op de afdeling en bij je bed ...
Zo heb ik het jarenlang ervaren, zowel in het leger als in het ziekenhuis.
Maar wat ik het belangrijkste vind: ik heb zo dikwijls gemerkt, dat zo'n kortdurend en soms maar éénmalig contact toch zo enorm belangrijk kan zijn en wonderlijk veel kan betekenen.
Het zijn werkelijk niet altijd de urenlange gesprekken of regelmatig terugkerende bezoeken, die een .diepgaand en wezenlijk pastoraal contact teweegbrengen!

Ik herinner me, dat ik in het Militair Hospitaal in Utrecht, waar ik bijna acht jaar gewerkt heb, eens het verzoek kreeg van een mevrouw op de afdeling gynaecologie, of ik haar wilde opzoeken.
Ik ging zo gauw mogelijk naar haar toe en stelde me aan haar voor.
Ze zei: "Wat fijn dat u gekomen bent."
Omdat we elkaar voor het eerst ontmoetten wilde ik eerst wat nader met haar kennismaken. Maar daar was ze op dat moment te moe voor.
"Zou u alleen met me willen bidden?" vroeg ze.
"Zeker wil ik dat."
"Zou u het Onze Vader met me willen bidden?"
Toen ik de bekende woorden uitgesproken had, zei ze "Dank u wel" en stak me ten afscheid de hand toe.
Verwonderd verliet ik haar kamer.
Toen ik haar kort daarna weer opzocht en zij zich wat beter voelde, vertelde ze me hoe dankbaar ze voor dat gebed was geweest en hoeveel het voor haar op dat moment had betekend.
Met nog méér verwondering ging ik toen bij haar weg: dat zó weinig zovéél kan betekenen.

Zulke dingen heb ik dikwijls ondervonden.
Nog een ander voorbeeld.
Als pastores in het Hospitaal deden wij om beurten dagelijks de ronde op de intensive care en de hartbewaking.
Op een dag ben ik bij het eerste bed met iemand in gesprek.
Aan de andere zijde ligt iemand, die net is opgenomen en die enkele jaren daarvoor Ook al wegens een hartaanval bij ons gelegen heeft.
Ik vang op, dat hij aan zijn vrouwen dochter, die bij zijn bed zitten, vraagt: "Wie is dat? de dominee, hè?"
Zodra het gesprek met de eerste beëindigd is ga ik naar hem toe. Het is duidelijk, dat de man heel erg ziek is.
Ik lees in zijn ogen het besef, dat het wel eens sterven kan gaan worden.
Omdat hij erg doof is, is het moeilijk om contact met hem te krijgen, maar enkele woorden zijn genoeg. Hij weet op Wie hij zijn vertrouwen mag stellen.
Tenslotte leg ik mijn hand op zijn hoofd en spreek de zegen over hem uit. Van mijn collega, die die nacht de wachtdienst heeft en wordt opgeroepen, hoor ik naderhand, dat hij diezelfde nacht in vrede is heengegaan en dat de familie zich intens dankbaar toonde voor die woorden en dat gebaar van zegen, waarmee hun man en vader het leven mocht verlaten.
Wanneer ik mijn herinneringen goed zou nagaan, zou ik een boek vol over dergelijke ervaringen kunnen schrijven, zowel uit de tijd dat ik in de kazerne werkte als uit de periode in het ziekenhuis en reva,lidatiecentrum.

Vluchtige contacten?
Ja, vaak wel: kortdurend, onverwacht, eenmalig.
Maar zeker niet in de negatieve zin van: oppervlakkig, nietszeggend, onbetekenend.
Unieke ontmoetingen!

Veel meer dan wij vaak beseffen kunnen wij door weinig - een enkel woord, een hartelijk gebaar, een kort bezoek, even een luisterend oor, een eenvoudig teken van echt begrip en meeleven - héél veel voor een ander betekenen.
Daarin ligt ook de kracht en waarde van het krijgsmachtpastoraat.

Dominees in dienst
Niet alleen voor dienstplichtigen is 'het leger' een aparte ervaring. Een aantal predikanten uit onze kerken is afgestaan voor de geestelijke verzorging onder militairen, dienstplichtig en beroeps.
Ook voor hen was de overgang van het bekende vertrouwde leven thuis, naar het instituut krijgsmacht een grote stap.
De overgang naar een totaal ander leven.
Uit reacties op het werk onder de militairen blijkt, dat de meeste kerkleden nauwelijks enig idee hebben van wat die dominees daar doen. Of, dat er nog een beeld bestaat, dat overeenkomt met hoe het twintig of dertig jaar geleden was.
In dit en de komende nummers van Opbouw komen de dominees in dienst aan het woord om door iets wat ze hebben meegemaakt een indruk te geven van hun werk.
Tot slot van deze serie een poging tot een plaatsbepaling van de geestelijke verzorging.

W.H. Louwerse

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief