Kerkmuziek

1990-10-26
  • Jaargang 34
  • nummer 22
Waar serieus aan de eredienst gewerkt wordt, moet ook de kerkmuziek gewetensvol ter hand worden genomen.
In het lied geeft de gemeente uitdrukking aan haar geloof. Het Is goed de HEER te belijden (Ps. 92,2).
Met instrumenten (Ps. 33,2; 43,4; 71,22; 92,4; 98,5; 144,9; 147,7; 149,3; 150,3-5). Een voorschrift is dat zelfs (Ps. 122,4). De HEER troont op onze lofzangen (Ps. 22,4).
Maar in het lied zingt de gemeente zich minstens evenzeer het heli te binnen. Het lied Is ook verkondiging (Ps. 9,12; 22,23; 40,10; 51,17; 71,16; 92,3.16; 145,7.12). Het lied is ook onderricht (Ps. 22,32; 71,18; 78,1-4; 79,13; 89,2; 145,4; Col. 3,16). Het lied is ook vermaan en bemoediging (Col. 3,16; vgl. Efez. 5,19).
Niet in de laatste plaats klinkt In het lied ook de vraag, de klacht en de aanklacht (Ps. 2,1; 10,1.13; 13,2-3; 22,2-3; 43,2; 44,25; 74,1.11; 79,10; 80,13; 88,15).
Een goed lied zal altijd een nieuw lied blijven (Ps. 33,3; 40,4; 96,1; 98,1; 144,9; 149,1; Jes. 42,10; Openb. 5,9; 14,3). Niet dat een lied niet meer dan eens gezongen en nooit vertrouwd mag worden. Op de nieuwe aarde blijft het lied van Mozes (Exod. 15,1-18) klinken (Openb. 15,3). Een nieuw lied kan een oud lied zijn dat nieuw blijft, omdat het nog steeds weer nieuwe geheimen prijsgeeft en nieuwe zeggingskracht blijkt te hebben.
AI was het maar omdat het vertrouwde klinkt in een andere omstandigheid, In een ander liturgisch verband of In een andere muzikale bewerking. Het oude lied van Mozes (Exod. 15,1-18) klinkt als lied van het Lam (Openb. 15,3) nieuw.
Daarom zal de kerkmusicus als leerling van het hemels koninkrijk uit zijn voorraad nieuwe en oude schatten te voorschijn brengen (Mat. 13,52).
In deze bijdrage lets over de plaats en de functie van het lied en de kerkmuziek, de cantor en de cantorij, de organist en de Instrumentalisten in de gemeente en dan In het bijzonder in de eredienst. En iets over de scholing van cantor en organist en de verantwoordelijkheid van de kerkeraad daarvoor. Een toekomstdroom of al praktijk in veel gemeenten?

Het lied
Er bestaan verschillende vormen van gezangen: behalve strofische liederen (coupletliederen) zoals de psalmen en gezangen uit het Liedboek ook korte acclamaties en langere gezangen op een prozatekst.
De keuze van psalmen en gezangen voor de eredienst hangt af van hun plaats en hun functie daarin. Een gezang kan zelfstandig functioneren als drager van de dienst: zo kan het bijvoorbeeld gezongen worden als bemoediging, als gebed, als schriftlezing (een al of niet berijmd, maar in elk geval getoonzet bijbelgedeelte 1), als geloofsbelijdenis of als zegenbede. Maar een gezang kan in de dienst ook een reactie vormen op een ander element van de dienst (bijvoorbeeld een schriftlezing of de preek). Tenslotte kan een lied met het oog op de tijd van het kerkelijk jaar gezongen worden of gewoon om het lied zelf (bijvoorbeeld in een zangdienst).
Verschillende vormen van eredienst zoals de hoofddienst op zondagmorgen, de dienst met bijzondere aandacht voor de kinderen, het avondgebed en het morgengebed, de leerdienst en de zangdienst zullen voor een deel ook vragen om verschillende vormen van gezang. Strofische liederen zijn volop te vinden in het Liedboek voor de kerken (psalmen en gezangen), al behoeft de keuze niet altijd daartoe beperkt te blijven. Naar andere vormen van gezang zoals het kinderlied, het niet-strofische gezang en de acclamatie zal in elk geval buiten het Liedboek gezocht moeten worden".
Een acclamatie is een korte getoonzette regel tekst, waarmee de gemeente bijvoorbeeld een groet, een schriftlezing, een voorbede of een zegen beantwoordt. Een acclamatie is ook goed mogelijk in de vorm van een canon, waarbij de gemeente tot een eenvoudige vorm van meerstemmigheid komt.

De cantorij
Een cantorij kan waardevolle bijdragen leveren aan de eredienst. Als voorwaarde daarbij geldt dat de cantorij uit de gemeente gevormd3 en namens haar mee draagster van de dienst ts". Met de gemeente als draagster van de dienst verdraagt zich immers geen koor van buiten, dat een optreden verzorgt.
De cantorij kan een scala aan bijdragen leveren. Zo kan de gemeente nieuwe melodieën voorzingen en eenstemmig of meerstemmig met de gemeente meezingen. De cantorij kan ook plaatsvervangend voor de gemeente zingen. Daarbij valt allereerst te denken aan het bijbels motet: een meerstemmige toonzetting van een bijbelse passage. Het motet kan een functie hebben als vorm van schriftlezing of verkondiging. Het is ook goed mogelijk de cantorij te laten zingen bij de tafelviering of de inzameling van de gaven.
Tenslotte kan de cantorij in wisseling met de gemeente zingen. Vormen die daarbij gebruikt kunnen worden zijn het strofische lied (zoals bijvoorbeeld de psalmen en gezangen uit het Liedboek), het prozagezang met een refrein voor de gemeente en de psalmodie. Onder een psalmodie verstaan we een toonzetting van een onberijmde psalm (of eventueel een ander in de bijbel voorkomend lied): de opeenvolgende verzen van de psalm worden op telkens dezelfde melodische formule door de cantorij gereciteerd, enkele keren afgewisseld door een antifoon (in feite een refrein) van de gemeente.
Inmiddels is een keur aan eigentijdse, Nederlandstalige liedbewerkingen, motetten en psalmodieën beschikbaar". Met name de componist Willem Vogel heeft op dit terrein zijn sporen verdiend, al is hij zeker niet de enige.

De cantor
De cantor geeft leiding aan de cantorij en stimuleert zo door de vorming van een geschoold kader in de gemeente en de gemeentezang.
In meer dan één opzicht kan de vorming van een aparte kindercantorij en speelgroep zinvol zijn: daarin kan een vorm van geloofsoverdracht plaatsvinden; er wordt een bijdrage geleverd aan de culturele vorming van de kinderen en tegelijkertijd krijgen zij een zinvolle plaats in de eredienst.
Tenslotte kan aan de cantor eventueel een rol toebedeeld worden in de catechese, voor zover die liturgie en kerkmuziek betreft. Aan de hand van het kerklied zouden trouwens veel onderwerpen uit de catechese aan de orde kunnen komen.

De organist
De organist is ook mee drager van de eredienst. Een aantal taken kunnen aan hem of haar toevertrouwd worden".
Door middel van een intonatie reikt de organist de gemeente en eventueel de cantorij de toonhoogte en het tempo van een te zingen lied aan. De begeleiding van de zang van de gemeente en eventueel die van de cantorij behoort eveneens tot de taak van de organist. Een veelheid aan vormen kan daarbij gehanteerd worden om ook het oude lied telkens weer nieuw te laten klinken.
Van een strofisch lied kunnen één of meer strofen instrumentaal uitgevoerd worden, terwijl de gemeente de tekst van die strof(en) meeleest.
Bij de tafelviering of de inzameling van de gaven kan orgelmuziek of andere instrumentale muziek op zijn plaats zijn. Goed gekozen instrumentale muziek kan iets hebben van verkondiging of ook inkeer en belijdenis.
Tenslotte is er rondom de diensten het inleidend en uitleidend orgelspel.
Het behoort ook tot de taak van de organist andere instrumentalisten in de gemeente in te schakelen voor een bijdrage aan de muziek in de dienst.

Vormen van beurtzang
In aansluiting bij gebruiken uit het verleden van de christelijke eredienst zijn allerlei vormen van beurtzang tussen gemeente, cantorij en instrumenten moqelljk". Beurtzang versterkt de betrokkenheid bij het gezongene van alle deelnemers eraan. Beurtzang is niet alleen mogelijk bij prozagezangen en psalmodieën, maar ook bij strofische liederen.
Het is dan wel van belang dat de wisseling van zangers en eventueel speellieden aansluit bij de geleding van de liedtekst. Een aantal mogelijkheden worden hier bij wijze van handreiking genoemd.
In geval van liederen met een groot aantal korte strofen (bijvoorbeeld de psalmen 9, 31, 71, 74, 81 en 116 of de gezangen 9, 25, 39, 40, 96, 223, 325, 347 en 482 uit het Liedboek) kunnen de afzonderlijke strofen door wisselende groepen gemeenteleden gezongen worden. Daarbij is het mogelijk de kinderen de strofen te laten zingen die zij kennen of pas geleerd hebben.
Bij een als ketendicht geschreven lied als gezang 150 kan de zang met elke nieuwe strofe aan een nieuwe groep zangers overgedragen worden.
Zo neemt telkens een nieuwe groep de laatste regel van de vorige groep over.
Helaas zijn in het Liedboek maar weinig gezangen (zoals gezang 347) uitgerust met een dubbelmelodie. De strofen van zo'n gezang kunnen wisselend door mannen en vrouwen afzonderlijk op één van beide melodieën en door mannen en vrouwen samen en dan tweestemmig op beide melodieën tegelijk gezongen worden. In gezang 69 daarentegen is de dubbelmelodie bedoeld om de tweespraak reliëf te geven.
Bij liederen met langere strofen is het mogelijk één of meer strofen in een meerstemmige bewerking door de cantorij, het orgel of een groep instrumenten te laten uitvoeren. Zo klinkt dezelfde melodie telkens anders en steeds weer nieuw. De tekst van zo'n koorvers of orgelvers kan daarbij door de gemeente meegelezen worden.
Bij refreinliederen (waarvan Muus Jacobse er een groot aantal geschreven heeft) ligt een verdeling tussen een solist en de gemeente of tussen de cantorij en de gemeente voor de hand (zij bijvoorbeeld de gezangen 2, 11, 52, 6i, 76 en 162).
Bij een lied als gezang 103 is zelfs een driedelige geleding mogelijk waarbij bijvoorbeeld de regels 1-4 door een solist, de regels 5-8 door de cantorij en de regels 9-12 door de gemeente gezongen worden.
Maar ook in andere liederen kan een door de liedtekst aangereikte geleding benut worden voor een vorm van beurtzang binnen de strofen.
Enkele voorbeelden daarvan volgen hier.
In psalm 80 kunnen de regels 5-6 van de strofen 1, 3 en 7 bij wijze van refrein door allen gezongen worden en de overige regels van de berijmde psalm in contrast daarmee door slechts een deel van de gemeente (bijvoorbeeld enkel de mannen, de vrouwen of de kinderen) of de cantorij. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld van de regels 5-6 in de drie strofen van psalm 122; de regels 9-10 in de vijf strofen van gezang 6 of de regels 1-2 in de drie strofen van gezang 42.
Ook telkens herhaalde uitroepen als 'kyrie eleison' (zie bijvoorbeeld de gezangen 145, 175 en 178) of 'halleluja' (zie bijvoorbeeld de gezangen 205,212 en 400) kunnen geaccentueerd worden door alleen die door allen te laten zingen en de overige regels door slechts een deel van de gemeente, de cantorij of een solist.
In gezang 46 vormen de regels 5-6 van elke strofe een verkorte echo van de regels 1-4; ook dat kan door een vorm van beurtzang reliëf krijgen.

Bekwame kerkmusici
Omdat goedè kerkmuziek wezenlijk is voor het gemeenteleven in veel breder opzicht dan alleen de eredienst, moet het beheer daarvan toevertrouwd worden aan bekwame kerkmusici. Kerkeraad en gemeente moeten daarom cantor en organist aanmoedigen zich te laten scholen en op zijn minst bijdragen in de kosten die zij maken voor scholing en liturgische gebruiksmuziek.
Er zijn goede adressen voor de scholing van amateur-kerkmusici.
De Commissie voor de Kerkmuziek organiseert op verschillende plaatsen in het land cursussen kerkmuziek". Deze_cursussen bereiden voor op het examen kerkmuziek voor organist en/of cantor. De Gereformeerde Organistenvereniging belegt de laatste jaren op verschillende plaatsen in het land praktijkgerichte studiedaqen". Een suggestie tot slot: wanneer gemeenten in hun eigen midden geen geschikte cantor kunnen vinden, zouden kerken kunnen overwegen gezamenlijk (bijvoorbeeld in regioverband) een cantor aan te stellen.

1) Een aantal door de dichter zelf als rijmbrieven bestempelde liederen van Willem Barnard leent zich als lezing van een gedeelte uit de nieuwtestamentische brieven (zie de gezangen 96,97, 104, 105, 106, 107 en 108 uit het Liedboek).
2) Voorbeelden van niet-strofische psalmen (zie onder de nummers 1-150), gezangen (zie onder de nummers 151-160 en 201-371) en acclamaties (zie onder de nummers 207-371) zijn onder meer te vinden in de bundel Gezangen voor Liturgie (Gooi en Sticht Hilversum 1984).
3) Een paar artikelen over Organisatorische aspecten van het cantoraat van de hand van Jos van der Kooy zijn te vinden in Organist & Eredienst (jaargang 1986 blz. 227, 263-264).
4) Een serie artikelen Over de plaats van het koor in de eredienst van de hand van Barend Schuurman is te vinden in Eredienstvaardig (jaargang 1986.blz. 140-143, 184-187,285-288).
5) Voornamelijk te verkrijgen bij de Stichting Centrum voor de Kerkzang (Om de Kamp 9, 7964 KT Ansen) en de Commissie voor de Kerkmuziek (2e Schuytstraat 226, 2517 TR Den Haag). De genoemde adressen verstrekken ook catalogi van beschikbare uitgaven.
6) Zie over dit onderwerp de artikelen over Funktie en gebruik van het orgel als liturgisch instrument van Frans Brouwer in Eredienstvaardig (jaargang 1986 blz. 37-40, 87-90).
7) Zie over dit onderwerp de brochure Alternatim zingen (1976) van Barend Schuurman; te bestellen bij de Stichting Centrum voor de Kerkzang.
8) Adres cursuswerk: Postbus 203, 3970 AE Driebergen.
9) Adres cursuswerk: Slinge 20,9406 EC Assen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief