Verbond, welvaart en orde

1989-05-12
  • Jaargang 33
  • nummer 10
Inleiding
In onderstaande beschouwing zal het niet In eerste Instantie gaan over vragen die betrekking hebben op ons omgaan met ons Inkomen en over ons omgaan met de natuur. Dus niet de vraag of Je wel belasting moet betalen of de vraag of Je wel een koelkast mag kopen. Niet dat deze vragen op zich onbelangrijk zijn. Maar voor de vraagstelling die ons nu bezig houdt zijn die vragen niet relevant.
Ik zeg niet dat deze te vergelijken zijn met dat soort van vragen waarmede, zoals K. Schilder dit wel eens heeft uitgedrukt, de redacteur van een gemiddelde kerkbode wordt geconfronteerd.
Vragen over bloedworst eten, fietsen op zondag en trouwen met je nicht. In het onderstaande wil Ik In feite op de problematiek achter de bovengenoemde vragen Ingaan en dus een relatie aanbrengen met het denken over de toekomst van onze samenleving.

Achtergronden
In onze tijd wordt de vraag naar de toekomst van onze samenleving op steeds indringender wijze gesteld.
Bij het zoeken naar een antwoord op deze vraag wordt een direct verband gelegd tussen deze toekomst en het omgaan van de mensen met de krachten die in de wereld zijn gelegd en ook met het omgaan met de welvaart. Over de gehele wereld - en niet alleen in onze welvarende westerse landen - gaan er stemmen op van hen die naar voren brengen dat deze wereld aan de mens is toevertrouwd mede met het oog op de komende generaties.

Onder de titel 'Verbond, welvaart en orde' hield prof.dr.
J.G. Knol op j.l.. 8 april zijn referaat op de jaarvergadering van onze persvereniging: een boeiende en inspirerende lezing over ons omgaan met onze welvaart. Er volgde dan ook een levendige diskussie.
In een bewerkte versie publiceren we nu dit referaat, zodat zij die de lezing gehoord hebben het allemaal nog eens kunnen nalezen, en zij die de lezing niet gehoord hebben er alsnog kennis van kunnen nemen.

De redaktie



Met behulp van wetenschap en technologie kan door een principiële verandering in productie- en consumptiepatronen de mens toch wel in staat worden geacht om de wereld duurzaam leefbaar en bewoonbaar te houden.
Daarbij gaat het, in de moderne opvatting, niet meer alleen maar om de vervuiling en uitputting van de natuur, maar ook om de gezondheid van de mens. De wetenschap en technologie ten dienste van de uitbanning van ziekten en kwalen veroorzaakt hetzij door erfelijke factoren, hetzij door maatschappelijke verhoudingen, hetzij door consumptieve gedragingen van de mensen.
In het christelijk denken over de toekomst van onze samenleving wordt de goddelijke opdracht om goede rentmeesters te zijn als beslissend motief centraal gesteld. De christenen mogen weet hebben van een bijbelse opdracht om de wereld te bouwen, te bewaren, te verzorgen en te helen als goede rentmeesters.
De aarde kan de christen niet onverschillig zijn omdat de aarde als zodanig niet zal vergaan maar wel de elementen d.w.z. de kwade krachten die de wereld en de mensen die daarop leven nog in hun macht houden.
Tegen deze achtergrond wil ik in onderstaande beschouwing op bovenvermelde problematiek nader ingaan. Daarbij wil ik uitgaan van een m.i. in de bijbel gelegen verband tussen verbond, welvaart en orde.

Volgorde van het betoog
In de eerste plaats wil ik het kader schetsen waarin mijn beschouwingen een plaats hebben en waarop men tijdens de loop van het betoog steeds kan terug grijpen.
Daarna maak ik enkele opmerkingen over het verbond en over twee kerngeboden t.w. het onderhouden van de sabbat en de zorg voor weduwen en wezen.
Vervolgens worden enkele tendenties in onze moderne samenleving aangeduid en worden deze tendenties in verband gebracht met de reeds genoemde twee geboden.
Tenslotte zullen enkele praktische conclusies worden getrokken.

Het kader
In de eerste plaats wil ik me wat de houding van de christenen t.o.v. de welvaart betreft aansluiten bij de nog steeds actuele analyse van de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester uit Lucas 15, zoals die in 1949 door de toenmalige Kamper oudtestamenticus Prof. B. Holwerda op een meisjesbondsdag in Amsterdam is gegeven.
De gelijkenis is bekend. De rentmeester, een notoire schurk, stelt met behulp van zijn macht, zijn toekomst veilig. De rentmeester stelt, als zijn ontmaskering aanstaande is, zijn schurkachtigheid in dienst van de veiligstelling van zijn toekomst.
In een wereld vol bedrog gebruikt hij het bedrog om in de toekomst veilig te kunnen leven. En deze schurk wordt geprezen.
Christus prijst deze methodiek aan.
Ook de gelovige moet aan de toekomst denken. Ook vandaag de dag wil Christus dat wij voorzichtig tegenover ons geslacht zijn. Wij moeten in onze beslissingen het oog houden op de toekomst. Holwerda vertaalt nu deze gelijkenis zo dat de christenen gebruik moeten maken van de mammon, d.i, de god van de wereld die gestalte krijgt in het geld, om daarmede hun toekomst veilig te stellen. De christen mag zich niet overleveren aan het geld, aan de god van de wereld, maar hij moet hem als schepsel gebruiken. Geld om daarmede vrienden te maken, geld om daarmede de gemeenschap der heiligen te bouwen. Want als we dat doen dan zal die zelfde gemeenschap ons ontvangen in de eeuwige tabernakelen.
Diepgravend is dan ook de slotzin: "Maar dan ook beslist mijn portemonnaie, zo vaak ik die te voorschijn haal, over mijn ingaan in de eeuwige tabernakelen". Ik zou hierbij nog een kanttekening willen plaatsen.
Naar het mij voorkomt verdient het aanbeveling om niet zozeer de eeuwige tabernakelen in het centrum te plaatsen als wel de nieuwe aarde.
Dat is deze aarde die op een punt des tijds zal worden omgezet.
Wij kunnen nu ook zeggen dat ons handelen met de krachten in deze wereld, dat ons handelen met onze welvaart, bepalend is voor ons ingaan in de nieuwe aarde als Christus wederkomt op deze aarde.
Daarbij gaat het niet in eerste instantie om wat de individuele mens doet maar gaat het om de vraag wat wij als christelijke gemeenschap met de goden van deze tijd doen?
In de bijbel gaat het nimmer om een casuïstiek, een opsomming van zonden en overtredingen zonder meer. Maar het gaat altijd om de instelling van het volk ten opzichte van de wetten ten leven.

Het verbond
In het bijbels denken over de mens en over zijn verantwoordelijkheden staat de verbondsrelatie centraal.
Van het begin af is er een verbond waarin de unieke betrekking tussen God en de mens tot uitdrukking komt.
In de bijbel zijn er meerdere verbonden te onderscheiden. Het verbond dat God sloot met Adam en in Adam met de gehele mensheid. En de mensheid wordt nog steeds hierop aangesproken en heeft nog alles te maken met de realiteit van dit verbond.
Daarna (na de eerste regenbuien) het verbond met Noach waarin God heel duidelijk zich garant stelt voor de toekomst van onze wereld.
En daarna het verbond met Abraham en zijn zaad en in Abraham met ons als geestelijke kinderen van, Abraham. In het nieuwe verbond geeft God weer kansen aan de mensen.
Uit de volkerenwereld kiest Jahwe zich een volk om daarin een voorbeeld te zijn voor de volkeren rondom.
Het valt buiten het kader om uitvoerig in te gaan op allerlei verschilpunten.
Maar ondanks al die verschillen: elk verbond in de bijbel wordt gekenmerkt door dezelfde structuur.
Er is aan de ene kant sprake van de verbondseis waarin wordt geformuleerd wat God van de mens verwacht.
En daarnaast is er de belofte dat God zich verbindt aan die mens die in Zijn wegen wandelt. Dat Hij de mens voorspoedig wil maken; de mensheid die in Zijn wegen wandelt zal het welgaan.
En elk moment wanneer we weer bepaald worden bij het verbond dat God met ons en onze kinderen voortdurend sluit, spreekt Hij daarin uit dat Hij ons weer .kansen geeft.
Geloven in het verbond is geloven dat God ons elke dag weer kansen geeft om aan Zijn eis te voldoen. En ook geloven dat God ons echt die kansen geeft en ons wil helpen bij het volvoeren van deze opdracht.
Het is dan ook duidelijk een mistekening van het verbond als wij ervan uitgaan dat we niet aan Gods eisen kunnen voldoen. Wij denken dan dat God aan ons eisen stelt die wij niet kunnen vervullen.
Wij zijn dan zo gefixeerd op de idee van zonde dat we vergeten dat God ons heel gewoon vervulling. van zijn verbondeis vraagt d.i. de wereld te bouwen, te bewaren, te verzorgen en te helen. Niets meer maar ook niets minder. Dit vraagt vertrouwen dat God ons ook perspectief geeft.
Voor doemdenken is er in de relatie tussen' God en mens geen. plaats.

Twee geboden
In de bijbel wordt het verbreken van de verbondsrelatie beschouwd als afgoderij.
Afgoderij is dan ook vertrouwen stellen op een god die zijn beloften niet waar kan en wil maken.
Nu wil ik in verband met mijn betoog stellen dat de kern van deze afgoderij zich uitdrukt in de negatie van het sabbatsgebod en in het ontkennen van de zorg voor weduwen en wezen.
Nu weet ik wel dat er nog meer te zeggen valt over de afgoderij en de zonden die daaruit voortvloeien, maar de bijbel noemt deze zonden vele malen en zeer uitdrukkelijk.

Twee aspecten van het sabbatsgebod
Wat het gebod van het negeren van de sabbat betreft zijn er twee aspecten van belang. In de eerste plaats heeft het gebod van de onderhouding van de sabbat een cultische betekenis. Het niet onderhouden van de sabbat krijgt dan ook in het O.T. een cultische betekenis. en komt tot uitdrukking in de aansluiting bij de cultuur van de volkeren rondom.
In tegenstelling tot de andere godsdiensten erkent de bijbel de waarde van de arbeid. Arbeid is een goddelijke opdracht waaraan God Zijn zegen verbindt. In de arbeid geeft God a.h.w. de instrumenten om aan de eis van het bouwen en bewaren te voldoen. En omdat de arbeid waardevol is, daarom mag de mens rusten. Rusten en genieten van het waardevol zijn van de arbeid.
Het marxisme heeft terecht de arbeid centraal gesteld terwijl de gangbare economische wetenschap maar blijft praten over het nut en de onlust van de arbeid. Maar er is ook nog een ander aspect. In het onderhouden van de sabbat spreekt de gelovige zijn geloof uit in een God die de mens garanties geeft voor zijn levensonderhoud. De mens behoeft op zondag niet voor zijn dagelijks brood. te zorgen omdat deze zorg door God van de mens is overgenomen. De mens mag voor zijn dagelijks brood werken, maar water en brood zijn gewis omdat God de sabbat in stand wil houden.
Een zevende, 14% van de week, wordt gegarandeerd.
En dat wordt gezegd tegen een , woestijnvolk dat op de rand van het bestaansminimum leeft.
God wil niet dat de mensen zich inhun arbeid verbonden weten met vreemde goden. Arbeid is een opdracht aan de mens gegeven en in de arbeid kan de mens zijn gaven en capaciteiten ontplooien. En dan ook weten dat Hij zorgt.

De zorg voor weduwen en wezen
En dan is er de zorg voor weduwen en wezen. In deze zorg krijgt het grote gebod gestalte. De wereld heeft kansen in zoverre de mens zich verbonden weet met de weduwen en wezen, met de rechtelozen en de hulpelozen.
Dit is een uitdrukkelijke eis die de Here in het verbond aan de gelovigen stelt. Maar men kan ook nog verder gaan. Ook dit gebod reikt verder dan de kring van de gelovigen.
Maar wel kan het leven in het verbond als voorbeeld werken voor de wereld die van een bijbels verbond niet wil weten. In het verbond weten we ons voor elkaar verantwoordelijk.
Er mogen geen rechtelozen zijn.
Zorg voor weduwen en wezen betekent in het verbond erkenning van hun rechten. Deze zorg is niet primair een plicht, maar primair een recht. Weduwen en wezen hebben recht op zorg omdat zij ook kinderen van het verbond zijn. Maar nogmaals, de geboden hebben een wijdere strekking. Ook voor de wereld geldt dat weduwen en wezen rechten hebben omdat zij mensen zijn en aan ons zijn toevertrouwd.
Maar het niet zorgen is het opbreken van de relatie tot de naaste.
Het is juist de diepste negatie van het grote gebod. Als ik mijn medemens niet erken in zijn rechteloosheid dan breek ik de relatie met hem op. In het bijbels denken betekent dit dan ook dat ik de God die mij in het verbond plaatst met weduwen en wezen in Zijn Vaderschap negeer.
Hij noemt zich toch een vader van wezen.
Deze twee geboden worden tot het gehele mensengeslacht gesproken en het is duidelijk een conserverende werking van Zijn Geest dat de zorg voor de arme en de verdrukte mens ook door mensen wordt aanvaard die niet uit het verbond denken.
Christenen hebben in deze zin geen monopolie.
En gelukkig wordt ook bij nietchristenen de arbeid als zinvol ervaren.
Nu mag het dan waar zijn dat bij de niet-christenen de band met de Verbondsgod is verbroken, maar dat neemt niet weg dat op allerlei terreinen christenen en nietchristenen zich verbonden weten in hun zorg voor de toekomst en in hun zorg voor de rechtelozen in onze samenleving.
Maar van het volk van God moet een sprake uitgaan. In het verbond krijgt Gods volk weer kansen om de wereld te wijzen welke wegen er naar de toekomst moeten en kunnen worden bewandeld.

Over de welvaart
In de bijbel wordt het verkrijgen van welvaart duidelijk verbonden met de onderhouding van Gods geboden.
Nu weet ik ook wel dat er ook in de bijbel teksten voorkomen die erop wijzen dat het de goddelozen goed gaat en de rechtvaardige heeft het maar kwaad te verduren. Deze voorzienigheid blijft een geheim.
Maar toch, God heeft Zijn wetten ten leven gegeven en in het onderhouden van Zijn geboden is grote beloning.
De zonde heeft verwoestend gewerkt, maar uiteindelijk en in diepste wezen blijft God aan Zijn Woord getrouw.
En de wetenschap, ook de economische en technische wetenschap kan om die trouw heen.
Het begrip 'welvaart' heeft te maken met produceren en consumeren; Wanneer er meer wordt geproduceerd en geconsumeerd dan strikt nodig is, is men welvarend. Men kan over meer goederen en diensten beschikken dan voor het voortbestaan van het mensengeslacht nodig is. Door de ontwikkeling van de wetenschap en technologie is de mens in staat gesteld om welvaart te produceren.
In onze samenleving is er een sterk verband tussen produceren. Onze samenleving is gericht op de voortbrenging van goederen die door de grote massa worden gewild. Door allerlei beheers- en regeltechnieken is de industrie in staat om in de behoefte van grote massa's te voorzien.
De marxistische profetie dat de massa van arbeiders het steeds slechter zouden krijgen is niet vervuld.
Alleen zucht de wereld onder de scheve verdeling van de welvaart.
Maar we kunnen gerust zeggen dat God wetenschap en technologie aan de mens heeft gegeven als instrumenten in de ontplooiing van de geschapen werkelijkheid. Wetenschap en technologie zijn als zodanig niet afgodisch. Door wetenschap en technologie wordt het bittere dat er ook in de arbeid schuilt verzoet.
En zijn wij in staat om op grote schaal barmhartigheid te betrachten.
Juist in onze westerse samenleving met het hoge welvaartspeil krijgt het onderhouden van de twee genoemde geboden weer fundamentele betekenis voor de toekomst van onze samenleving, maar krijgt ook de afgoderij grote kansen. Alleen moeten we onze tijd en onze samenleving leren verstaan om in te zien dat deze twee geboden een eigentijdse invulling hebben.
Dit vraagt van ons dat we opmerkzaam zijn op de tendenties die er in de moderne samenleving zijn. Met het begrip 'tendenties' wil ik naar voren brengen dat er geen sprake is van natuurlijke wetmatigheden, maar dat al deze bewegingen door mensen worden gewild en in stand gehouden.

Drie tendenties
In de eerste plaats is er een wijd verbreid geloof in de macht van wetenschap en technologie.
Wij menen via technologie en wetenschap de toekomst onder controle te krijgen. Wetenschap en technologie in dienst van de autonome mens die zich zijn eigen toekomst wil scheppen, In de laatste tijd is hier nog een gevaarlijke ontwikkeling bijgekomen.
De technocratie wil zich steeds meer gaan legitimeren door de beheersing van de wereld te laten goedkeuren door de wetenschappelijke ethiek. De ethicus wordt erbij gehaald om de resultaten en de strategie van wetenschap en technologie goed te keuren. Op zichzelf, en het kan niet genoeg herhaald worden, zijn wetenschap en technologie gaven die aan de mensen zijn geschonken. Maar men kali aan deze beide een betekenis toekennen die uiterst bedenkelijke gevolgen kan hebben.
Achter wetenschap en technologie schuilen de creatieve mensen; de mensen van wetenschap en techniek komen steeds hogerop de sociale ladder. Hun uitspraken moeten worden geloofd en gerespecteerd.
Er ontstaat een elite van wetenschappers en technici die de pretentie hebben het leven te kunnen regelen en kunnen bepalen welk leven waardevol is.
In de tweede plaats wijs ik op de ontwikkeling van het ecocentrisch denken. De natuur, het ecosysteem staat centraal. Men bestrijdt het joods-christelijk denken waarin God de natuur aan de mens geeft. In dit denken hoort God in de natuur thuis; Men wil in feite niet weten van een God die de natuur heeft geschapen en nog steeds onderhoudt. Men heeft geen boodschap aan de goddelijke opdracht. De mens is natuur en de natuur is mens. Het behoud van de natuur krijgt dan zulk een hoge plaats op de prioriteitenlijst dat daaraan normen voor het handelen en normen voor het rentmeesterschap worden ontleend. Niet de wet Gods (waarin inderdaad het behoud van de natuur wordt geëist), maar het behoud van de natuur op zich wordt dan de norm.
In de derde plaats is er het streven naar de gezonde, de creatieve en technische mens. In de zgn. NOTA 2000 wordt dan ook de gezondheidspolitiek centraal gesteld. De gezondheidzorg in dienst van de gezondheidspolitiek.
De samenleving op weg naar de maatschappij van gezonde mensen waarbij de gehandicapte mens wel recht van bestaan heeft maar toch in diepste wezen niet voldoet aan de normen. In deze samenleving past een politiek die zoveel mogelijk het afwijkende moet voorkomen. Nu is op zich het gehandicapt-zijn, het ziek-zijn, niet wat God bedoeld heeft met Zijn Schepping. Maar tegelijkertijd kunnen we erkennen dat juist in de ontmoeting met het gehandicapt-zijn en met het ziek-zijn, ons kansen worden geboden om echt als naaste te kunnen functioneren. Deze drie tendenties wijzen naar een moderne samenleving waarin volledig wordt vertrouwd op wetenschap en technologie.
En in samenhang met de wetenschappelijke ethiek wordt beslist over de waardigheid van het leven. In die moderne samenleving wordt de menselijke waardigheid steeds meer gemeten met aan de wetenschap ontleende maatstaven.
De moderne mens die zich conformeert aan de grondbeginselen van de moderne samenleving krijgt dan vele gelegenheden om te rusten van zijn arbeid. Maar hij heeft geen sabbat nodig omdat hij geen weet heeft van een God die de arbeid zinvol heeft gemaakt en heeft ingepast in Zijn gang naar de nieuwe aarde. De moderne mens leeft in die wereld zonder verbondsgeschiedenis en zal steeds meer zonder historische wortels willen leven. De orde Deze drie tendenties passen in een orde die steeds meer wordt gedomineerd door het vrije spel der maatschappelijke krachten. Er moet weer - een samenleving komen met concurrentie tussen vrije, sterke en creatieve mensen. In deze orde die gedomineerd wordt door een elite van wetenschappers en technologen wordt de arbeid gericht op de toekomst die wetenschappelijk wordt voorspeld. De arbeidende mens heeft geen belofte meer nodig dat zijn arbeid gezegend is.
In deze orde is de beste waardevoller dan de mindere en heeft dus recht op meer en beter leven. Voor een beter leven staan wetenschap en technologie garant. Een leven onder het regime van de wetenschappelijke ethiek die het oordeel zal vellen over de leefwaardigheid van het leven.
In deze orde is het uitgangspunt de onbeperkte behoeften en dus noodzakelijkerwijs ook een schaarste aan middelen. In de samenleving moet dan een keuze worden gemaakt welk leven men menswaardig. en beschermwaardig vindt. Het lot van de zieke en gehandicapte mens is overgeleverd aan een systeem van sociale wetten binnen de orde van de concurrentie.
Nu mag men niet zomaar zulk een systeem verwerpen.
Maar het gevaar is zo groot dat in het spel der maatschappelijke krachten wetenschap en technologie het voor het zeggen hebben. Zij hebben de macht en ontlenen aan deze macht fundamentele rechten op respect.
Het moet wel duidelijk zijn dat ook wetenschap en technologie mogelijkheden zijn die in de schepping zijn besloten. Maar in vele gevallen krijgen wetenschap en technologie een afgodisch karakter d.i. het worden krachten waaraan de mens zich onderwerpt en moet onderwerpen.
Keren we even terug naar het kader van de beschouwingen.
Er is de opdracht om ons vrienden te maken met de onrechtvaardige mammon; vrienden te worden met· de machten van deze wereld.
Dat geeft aan dat er altijd mogelijkheden zijn. Wetenschap en technologie kunnen inderdaad welvaart brengen en tot op zekere hoogte ook wel zekerheid.
Wetenschap en technologie kunnen welvaart verschaffen waarmede we goede dingen kunnen doen. We kunnen met behulp van wetenschap en technologie de aarde bouwen, bewaren, verzorgen en helen.
Maar juist als wij deze machten zien als schepsels en door God gegeven mogelijkheden, dan verliezen deze machten hun afgodisch karakter en zullen dan heilzaam zijn voor het gehele mensengeslacht. Er zijn ook mogelijkheden m.b.t. de zorg voor weduwen en wezen. Wat zijn de moderne weduwen en wezen? Zijn dat niet de ongeborenen en de afgeleefden?
Gaan wij wel zorgvuldig om met het leven van deze "rechtelozen".
Hebben wij niet veel meer zorg over voor ziekten voortkomende uit maatschappelijke. verhoudingen en vanuit gedrags- en levensgewoonten, dan zorg voor het ongeboren leven en het leven van de ouden?
Is het te verwonderen dat Gods toorn gaat over naties waarin het ongeboren leven geen kansen krijgt en waarin afgeleefden geen plaats meer wordt gegund? Zijn abortus en euthanasie in wezen niet de perverse ontkenning van de zorg voor weduwen en wezen?
Wij leven in een samenleving waarin inkomen en werkgelegenheid belangrijke en zelfs overheersende doelstellingen zijn.
Wij leven in een samenleving waarin weinig meer wordt overgelaten aan de zorgende God en Vader.
God is niet zozeer dood, maar hij wordt ingeruild voor wetenschap en technologie.
Het is zo verleidelijk om de beloften van het verbond te ruilen voor de beloften van wetenschap en technologie.
De mens wil zekerheden in deze tijd. Hij wil bron van eigen welvaart zijn.Hij de gezonde, de creatieve mens. Zeker die mens zal zich vanuit eigen normencomplex behoorlijk gedragen. Hij zal wel zorgen voor de inferieure medemens want wij zijn allen immers mensen. En zal dan ook wel eens een voorbeeld kunnen zijn. Maar aan deze inferieure mens een plaats der ere te geven volgens ps. 113, dat kan problemen opleveren bij de verdeling van schaarse middelen. Kunnen wij nog wat doen?
We moeten geen blauwdruk willen maken van de toekomst. Wij kunnen de toekomst niet beheersen. Maar wel kunnen we ontwikkelingen onderkennen en "analyseren. We kunnen gebruik maken van de goden van deze tijd o.m. om te zorgen voor de moderne weduwen en wezen.
Wij kunnen meedoen in organisaties zoals de vereniging voor de bescherming van het ongeboren kind; meedoen met ouderverenigingen ter bescherming van de verstandelijke gehandicapten.
Als wij oog krijgen voor de noden die er in de wereld zijn, zien we ook dat er vele mogelijkheden zijn.
Wij kunnen pleiten voor een herinschakeling van de gehandicapte mens b.v. door ook aan vrijwilligers een inkomen te verschaffen. De middelen zijn er voor mede dank zijn wetenschap en technologie.
Ook in onze samenleving ziet men een ontplooiing van de scheppingsgaven en het is een vreugde als wij daaraan mogen meewerken.
De wereld kan ons wel eens een voorbeeld zijn als het gaat om het omgaan met goederen en met mensen. Wie zal dat ontkennen? Maar daarom moeten wij als christelijke gemeente een voorbeeld zijn voor die wereld die het van eigen , kracht verwacht. Wat zal het een vreugde zijn als door het woord van die gemeente de mensheid weer leert rentmeester te zijn ziende op de beloften die in Adam zijn gegeven en in Christus zijn vervuld.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief