Diskussie rondom het ene talent (2)

1990-11-09
  • Jaargang 34
  • nummer 23
Iemand die ook recht heeft op enig weerwoord mijnerzijds is de vrijgemaakte dr. W.G. de Vries. De lezer weet, ik had hem nogal scherp aangevallen als auteur van het boekje 'De Vrijmaking in het vuur' en daarop heeft hij in De Reformatie met een lang artikel gereageerd. Het bezwaar van weer een antwoord daarop is natuurlijk dat onze lezers het bedoelde artikel van De Vries niet onder ogen hebben gekregen, maar dat is toch geen reden om er helemaal aan voorbij te gaan. Ik wil er drie opmerkingen over maken.
1. Dr De Vries wekt de suggestie dat ik vanuit een persoonlijke geraaktheid geschreven zou hebben. Nu, daar kon hij best eens een beetje gelijk in hebben. Weliswaar had ik in het begin van mijn artikel juist gezegd dat er in de persoonlijke sfeer wel iets verbeterd was in de verhouding tussen de vrijgemaakten en de nederlands gereformeerden. Daar ben ik blij om en ik participeer daar ook wel in. Maar er zijn momenten dat ik in die verbetering van de betrekkingen toch niet zo goed kan meekomen ..Waarom niet? Heeft de ervaring van nu zo'n vijfentwintig jaar geleden mij schichtig en wantrouwig gemaakt? Toen ik het boekje van De Vries las (waarvan ik volhoud dat er een hautaine toon uit spreekt) beleefde ik alles van toen nog weer eens opnieuw. Dat was trouwens ook al het geval geweest bij mijn overdenking van het akkoord van Enschede. En ik weet niet hoe anderen dat hebben maar bij mij verloopt de herbeleving van moeilijke dingen vaak emotioneler dan de beleving zelf. Een 'narrow escape' in het verkeer bijvoorbeeld beroert mij bij het overdenken van de dag 's avonds op bed heftiger dan het doormaken van het gebeuren zelf. Ik kan dan baden in mijn zweet. Vergelijkbare dingen neem ik waar bij mijn herverwerking van de zestiger jaren.
Wat is dat? Uitgestelde pijn waarover rente berekend is? Beginnende stramheid van geest? Kun je het (uit de verte!) vergelijken met een KZ-syndroom?
Hoe dat ook zij, ik heb met het normaal doen tegen de vrijgemaakten wel eens moeite. Men zegt dan van die zijde wel dat we niet kinderachtig moeten zijn en dat er aan hun kant ook geleden is. En men haalt K. Schilder erbij die toch ook gezegd heeft dat het bij een eventuele samenspreking met de synodalen niet zozeer over de schorsingen zou moeten gaan als wel over hetgeen daar zakelijk achter ligt. En voorwaar, dat is van Schilder een bewonderenswaardig woord, juist omdat hijzelf een geschorste was. Ik oriënteer mij er graag op. Wat een voorbeeld! Maar als schorsers (of medeverantwoordelijken) mij dat voorhouden dan zeg ik: waai op! je weet niet waar je het over hebt. Toch had ik, dit wat moeizamer omgaan met het verleden bij mijzelf onderkennende, in mijn artikelen geprobeerd deze littekenpijn van me om te zetten in iets bovenpersoonlijks, iets kollektiefs. Ik bedoel dat ik het tegenover de vrijgemaakten heb opgenomen voor de eer, niet van deze of gene persoon maar van de nedertands gereformeerde kerken. Dat ikzelf nu en dan waardering bij de vrijgemaakten oogst voor wat ik persoonlijk zo eens schrijf of doe (De Vries herinnert mij daaraan) is waar en is voor mij ook mooi meegenomen, maar wat ik pas een echte verbetering van de verhoudingen zou vinden is dat zij voor onze kerken een begin van respekt zouden opbrengen. Dat zou verzachtend zijn voor de pijn waarmee velen onder ons rondlopen. Op deze strekking van mijn artikelen gaat dr De Vries echter met geen woord in. Er is trouwens wat dit betreft in zijn kerken ook nog geen wolkje als eens mans hand aan de hemel, zoals de laatste brief van de vrijgemaakte kerkeraad van Enschede-Noord aan onze kerkeraad daar (zie het ND van zaterdag 27 oktober j.l.) duidelijk laat zien. "AI waren het er maar tien in jullie gemeente die het met ons akkoord eens zijn, dan hadden jullie de eenwording nog door moeten zetten". Ja, ja ...
2. Ik had geklaagd over de gebrekkige dokumentatie in het geschrift van dr De Vries. Over dat punt verdedigt hij zich het uitvoerigst in zijn artikel. En dat niet zonder waarde en waarheid. Het is inderdaad niet zo dat zijn boekje over de hele linie aan dat euvel lijdt. Maar in hoofdstuk 5 wel en daar had ik het over. De Vries heeft namelijk een boekje geschreven over 'Het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken in de jaren zestig', zoals de ondertitel van de publikatie luidt. Hij had er m.i. goed aan gedaan het daarbij maar te laten. In hoofdstuk 5 evenwel begint hij te praten over niet meer het ontstaan maar het bestaan van onze kerken. "In een slothoofdstuk willen we de aandacht vestigen op het huidige reilen en zeilen van deze kerken" (p. 87). En daar begint de dokumentatie knullig te worden, zoals ik aan de hand van enkele voorbeelden liet zien. Ik schreef: "Wanneer De Vries een beeld ontwerpt van de nederlands gereformeerde kerken zoals die vandaag reilen en zeilen ...". Zo begon ik dus mijn kritiek op dit punt. Ik geef toe dat ik duidelijker had kunnen maken dat deze kritiek zich richtte op alleen dat vijfde hoofdstuk en niet op de rest. Als daardoor de indruk ontstaan is dat het hele geschrift op dit punt te blameren valt, spijt mij dat.
Zo had ik het niet bedoeld. Maar, eerlijk is eerlijk, het stond er ook niet.
3. Geheel onbevredigd ben ik over wat De Vries ter verdediging aanvoert voor zijn gebruik van de beeldspraak uit het evangelie over het tegen zichzelf verdeelde huis dat niet kan bestaan. Zoals de lezer zich herinnert paste hij dat toe op onze kerken. De Vries stelt het nu wel erg onschuldig voor als hij zich achter ds De Groot verstopt die in ons jaarboekje toch ook gesproken had over zaken die als een splijtzwam in onze kerken gaan werl<en. De Groot heeft zelf in zijn Kerkbode al geschreven over de onzorgvuldigheid in het aanhalen van zijn woorden. Daarover nu verder niet. Maar dat het niet meer was dan een zakelijke typering waar verder niets mee bedoeld werd kan De Vries toch niet volhouden. Want waarom dan de Heiland zelf met zoveel woorden als zegsman van die beeldspraak opgevoerd en waarom die uitdrukkelijke verwijzing naar Markus daar nog bovenop? Wel degelijk zat ih zijn gebruik van het beeld van het bouwvallige huis opgesloten wat ik eruit opmaakte. Dr De Vries zal het niet zo bedoeld hebben, dat neem ik graag aan, maar hij moet weten dat hij met zulk geschrijf hartstikke scherp overkomt, en wel in geestelijke zin. Als we ooit nog eens bij elkaar willen komen moeten we zo over elkaar niet schrijven.

De geoefende lezer zal het niet ontgaan zijn dat ik in mijn beantwoording van dr De Vries tegelijk heb zitten denken aan de sympathieke reakties die ons van vrijgemaakte zijde hebben bereikt. Ik bedoel de 'ingezondens' van de heer C.P. de Jong uit Alphen aan den Rijn en drs Ph. Roorda uit Zuidhorn. Met name met het onder punt 1 gestelde tracht ik ook hen te bereiken. De Jong is geschrokken van mijn bitterheid en Roorda vindt dat deze verbittering mij bepaalde zaken over het hoofd deed zien. Ik laat deze reakties voor hun rekening. Met hen geloof ik (en weet ik ook wel) dat er vele vrijgemaakten zijn die anders denken dan dr De Vries maar ik vraag mij af of wij zonder mijn weloverwogen uitval ooit zulke royale getuigenissen daarvan te lezen zouden hebben gekregen als nu van deze twee.
Tegen br Roorda wil ik nog opmerken dat hij weliswaar op enige bemoedigende besluiten van de synodes van Heemse en Spakenburg kan wijzen maar dat hij daar helaas niet de veel bekendere reaktie van vrijgemaakte zijde op de schuldbekentenis van de synodalen naast kan stellen. Niemand heeft verwacht en niemand mocht ook verwachten dat de vrijgemaakten de synodalen in een vlaag van euforie pardoes om de hals zouden vallen, maar een minder gelijkhebberig antwoord zou toch wel erg mooi zijn geweest. Ik vrees daarom dat de vrijgemaakte standpuntoprekkingen van de laatste tijd slechts een taktisch doel dienen: hoe komen wij het snelst met de christelijke gereformeerden tot eenheid?
Wij merken in ieder geval van die verruimingen niets. Laat overigens niemand denken dat het nu voortaan met mijn waardering voor de vrijgemaakten (als afzonderlijke gelovigen én als kerken) gedaan is.
Voor mij zijn ze geen huis dat tegen zichzelf verdeeld is en daarom niet kan bestaan. Veelmeer zeg ik met de profeet: "Verderf niet! Want er is een zegen in" (Jes. 65:8).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief