Over engelen
1990-11-09
In 1984 vertelde mijn goede vriend John Macleod, predikant te Oban, mij het volgende verhaal.- Jaargang 34
- nummer 23
De mandarijn
"In Aberdeen stond een hoogleraar, met wie ik bevriend ben. Deze was met een ander in China, juist toen daar de revolutie uitbrak. De beide westerse heren werden gevangen gezet; het was in de tijd dat aan iedere brug wel lijken bungelden.
Als Paulus en Silas hebben zij beiden gebeden om uitkomst. Misschien ook wel psalmen gezongen, wat op hetzelfde neerkomt.
Tot de deur openging. Een mandarijn verzocht ze hem te volgen. Hij leidde ze door alle gangen, tot buiten de hoofddeur van de gevangenis, een straat ver. Op de hoek groette hij hoffelijk en verdween."
Het gesprek ging naar aanleiding van het toen juist verschenen boek van H.C. Moolenburg 'Engelen'. Dat boek geeft veel recente verhalen van hulpbiedende engelen en ik hoopte er waardering voor te vinden in ons tweede vaderland. Daarom vroeg ik, bijna ademloos: "is dit voorval gepubliceerd?"
- 'Welnee', was zijn antwoord, "wie zou in dit land zo'n verhaal nog geloven?"
De jongen en de slang
In 'Readers Digest' stond in 1988 een verhaal over een Amerikaanse jongen die, enkele honderden meters van zijn huis, in de jungle op een der giftigste slangen trapte en meteen gebeten was. Hij wist dat het gif binnen weinige seconden dodelijk zou werken en dat hij de afstand naar huis niet zou kunnen halen.
Maar tot zijn geluk kwam er juist een man voorbij, die hem bij de arm nam. Van die man vernam hij, dat hij ernstig ziek zou worden, maar er wel doorheen zou komen. Wat hem te doen stond was: zich snel naar huis te laten brengen en daar te vertellen wat er gebeurd was. Met steun van de vreemde man bereikte de jongen de voordeur, viel letterlijk het huis binnen, zei dat hij gebeten was en verloor het bewustzijn.
Nu zijn ouders wisten wat de jongen mankeerde, konden snel maatregelen worden genomen. Het werd een wanhopige strijd tegen de doodmaar na weken kwamen bewustzijn en herinnering bij de patiënt terug.
Toen men hem vroeg naar de plaats en omstandigheden van zijn ongeluk, kwam de verbazing: dat de jongen die afstand nog gehaald had en zijn bewustzijn pas verloor nadat hij zijn ouders had ingelicht. Argeloos vertelde de knaap van zijn geluk, dat juist iemand passeerde die hem had bemoedigd en naar huis geholpen.
De ouders keken elkaar aan: er was geen menselijk wezen in de verre omtrek gezien!
De moeder en het zieke kind
In zijn boek 'Engelen' vertelt dhr. Moolenburg o.m over een vrouw, die met haar doodzieke kind alleen op een afgelegen boerderij was. Er moesten noodzakelijk medicamenten komen, doch er was geen telefoon en de vrouw durfde het kind niet een uur alleen te laten.
Maar aan de achterdeur werd geklopt.
Een boerenknecht gaf een pakje af: "dit moest ik hier brengen voor de zieke". En de verwonderde vrouw pakte de medicijnen uit, die haar kind het leven spaarden. Toen ze later informeerde wie die boodschapper geweest was, bleek dat in de wijde omtrek geen boerenknecht gezien was.
De zendeling in de put
Onlangs haalde de EO het verhaal op van de Indiase zendeling Sundar, die door de Tibetaanse Opperpriester in de put was gesloten, waaruit niemand ooit terug was gekomen.
Drie dagen en nachten verbleef hij tussen de resten van vorige ter dood-veroordeelden, steeds biddende.
Tot hij het slot hoorde opengaan (waarvan de sleutel bij de Dalai lama berustte), een touw werd neergelaten en hij uit de put bevrijd werd. Toen hij zijn redder wilde bedanken was deze verdwenen.
Hoe ziet een engel er uit?
Niet als een onaards, vrouwelijk aandoend wezen - met vleugels of een witte soepjurk. Een engel ziet er uit als de toevallige voorbijganger, zo onopvallend mogelijk. In de jungle dus als een ranger, op een boerderij als een boerenknecht, in het oude China als een mandarijn.
Paulus zou zeggen: "onder de Joden als een Jood en onder de Grieken als een Griek".
De schrijver van 'Engelen', die vele verschijningen registreerde, noemt deze kenmerken van een engel
hij komt uit het niet,
als een onopvallende persoon,
op een moment van hoge nood,
verleent zijn hulp,
verdwijnt in het niet
en laat een diepe indruk na.
Dit klinkt natuurlijk irrationeel voor westerse oren. Maar ook wij westerlingen, die de Bijbel gelovig aanvaarden, weten toch wel hoe het Woord over engelen spreekt? In veel gevallen bleek pas achteraf dat een engel optrad: denk maar aan de vrienden van Daniël in de oven; denk aan Petrus, die door een man uit de gevangenis werd geleid: denk aan Silas en Paulus, ook al uit het gevang verlost. De Bijbel staat vol verhalen over engelen, en zalig wie geloven.
Onchristelijk cynisme
In onze westerse wereld schijnt het erg moeilijk te zijn, de onzienlijke schepselen Gods te aanvaarden. De 'duistere' middeleeuwen hadden daar geen moeite mee. Primitieve volken leven met engelen en demonen, ja die beide. Maar sedert het westerse denken zich meer en meer concentreerde op feiten en bewijzen, getallen en gewichten, afstanden en gemeten tijden, is de kennis van de schepping - die immers in zienlijke en onzienlijke dingen bestaat - verloren gegaan. God de Heere is weggeredeneerd uit ons bestaan, omdat Hij niet meetbaar, zichtbaar en weegbaar is. De mens heeft met zijn evolutionistische theorie de mogelijkheid bedacht van een wereld, die zichzelf heeft voortgebracht. Hij meent het zonder God te kunnen stellen en staat niet open voor Gods dienaars, de engelen.
En - laten we het eerlijk bekennende christen is zozeer door de tijdgeest beïnvloed, dat hij vrijwel weerloos staat tegenover het onchristelijk cynisme van de afvallige mens. Ook onder ons zal de meerderheid engelen-verhalen beschouwen als middeleeuwse fantasie of als religieus fanatisme. Immers "wie in dit land zou zo'n verhaal nog geloven?", vroeg vriend John.
Voorbeelden? De schrijver van 'Engelen' heeft in zijn naaste (orthodoxchristelijke) omgeving de grootste tegenstand ondervonden. Christenen hebben tevergeefs getracht zijn boek de grond in te trappen. Het is niet een christelijke uitgever, maar de onderneming Ank-Hermes (namen uit de Egyptische en Griekse religies) die het boek uitgaf. Toen een van onze kinderen het boek in een winkel ter inzage vroeg, schrok het winkelmeisje en rilde; ze reikte het boek met afgewend hoofd over en vergat het in te pakken. Als het nu nog porno was geweest...
Toen wij in 1984 onze artikelen over engelen in dit blad spuide", voelden we ons aangenaam gerugsteund door wijlen ds. H.A. Algra, die in zijn Pastorale Notities schreef: "als mensen onder ons door.studie zaken in de Schrift vinden, die niet algemeen bekend of in de belijdenis opgenomen zijn - geef ze dan de ruimte; een goed Schriftgeleerde komt niet alleen met oude maar ook met nieuwe schatten". En zo hebben we meer positieve reacties gehad. Maar ook wij gereformeerden moeten nog doorgroeien. We zijn niet klaar met onze belijdenis - we moeten naar de Schrift zelf, de bron van wijsheid.
Wat moesten we beginnen zonder engelen?
U hoort het orthodoxe antwoord al: dan hebben we God de Heere nog.
Daarom nog wat vraagjes en antwoorden (catechismus heet dat). Wat moesten we beginnen zonder medicijnen?
Dan hebben we de dokter nog. - Wat moesten we beginnen zonder brood? Dan hadden we de bakker nog. - Wat moesten we beginnen zonder gloeilampen? Dan hadden we de electriciteitscentrale nog. - Wat moesten we beginnen zonder onze levenszekerheden? En nu zijn we rond: dan hebben we de Schrift nog!
En de Schrift vertelt geen middeleeuws mysticisme, wanneer die over engelen spreekt. Die is meer realistisch dan alle ongelovige wetenschappers, mitsgaders hun aanhang.
En die zegt dat de engelen (angelos = boodschappers) worden uitgezonden om ons te helpen "op de weg naar 't eeuwig zalig leven".
Zoals een el')gel voor Gods volk uitging, de woestijn door. Zoals engelen onze Heiland dienden bij de verzoeking in de woestijn.
De Schrift spreekt van kinderen, wier engel dagelijks voor Gods aangezicht komt rapporteren. En van de arme Lazarus, die door engelen gedragen werd in Abraham's schoot; precies zoals de helderziende Emanuel Swedenborg enkele eeuwen geleden beschreef, hoe hij aan sterfbedden steeds een of twee paar engelen had gezien, die de stervende dienden.
Onze zendelingen onder primitieve volken - levend op de grens tussen westers denken en natuurlijk aanvoelen - komen soms met gegevens los, waar Nederland nauwelijks raad mee weet. Een voorbeeld? Onze werkers in Nepal meldden in hun laatste brief: "Een oud-medewerker van Jumla, nu in Kathmandu, kreeg daar tijdens een bidstond allerlei beelden over Jumla. In de vallei zag ze gewapende engelen en bij de tempel, in de hoofdstraat, demonen; maar die laatste waren duidelijk in de minderheid. Ze vroeg: "Heer, is dit toekomst?" 'Nee', zei de Heer, "dit is nu!". Wij ervaren ... dat de duivel de greep begint te verliezen".
Zou het niet goed zijn, in een volgend artikel stil te staan bij de demonen?