Dominees in dienst
1990-11-23
Ontmoetingen- Jaargang 34
- nummer 24
Ze heeft uitdrukkelijk om een gesprek met me gevraagd. Om over 'het geloof' te praten. Een vrouwelijke luitenant die ik al een tijdje ken, maar van wie ik deze vraag niet had verwacht. Ik heb in m'n agenda de afspraak genoteerd stan. Ik weet dat ik een geweldige kans heb om dàt kwijt te kunnen wat mij in dit werk ten diepste bewogen houdt. Moet ik me op dit gesprek voorbereiden? Ja en nee eigenlijk. Ja, omdat ik, nu ik het van tevoren weet, God in alle rust kan bidden om wijze woorden en een luisterend hart, van beide kanten. En nee, omdat ik me toch niet te veel als een docent, als een deskundige moet opstellen. Laat het maar een ontmoeting zijn, waarin evengoed stiltes als verrassende opmerkingen mogen vallen.
Steeds meer kom ik tot de ontdekking, dat die ontmoetingen de kern van mijn werk bepalen. Niet zozeer dat ik ook een milftaire mars meeloop, met een soms wekenlange oefening meega. Niet zozeer dat ik bemiddel in conflicten, dat ik als hulpverlener optreed voor dienstplichtige en beroepsmilitairen. Die dingen zijn belangrijk en maken mijn werk nodig en enerverend. Maar in de drieënhaf jaar dat ik legerpredikant ben, concentreert mijn werk zich als het ware op het kruisembleem dat ik op mijn uniform draag.
Ik herinner me, dat ik als gemeentepredikant haast m'n best deed om op straat niet als dominee op te vallen.
Het gekke is, dat het in het leger andersom is. Je bent gewoon de dominee, voor het hele bataljon, en je zult het weten ook. Zoals laatst, toen ik temidden van een vijftiental korporaals een spervuur onderging van vragen als: geloof ik echt in een hemel en een hel? Kun je niet evengoed als islamiet of humanist goed leven?
Kun je niet ook zànder de kerk in een hogere macht, geloven? Gelegenheden te over om het van harteen eerlijk gezegd: ook weleens met de mond vol tanden - hierover te hebben. Op m'n kamer, als mensen beginnen te vertellen over ruzie en scheiding en verslaving, en ik het niet kan laten verder te vragen. Of zoals bij de ouders van die jonge marechaussee die zich door het hoofd geschoten had. Ja, ze hadden wel iets met de kerk te maken, maar die speelde in hun leven niet zo'n rol meer. En ik luister. Deel hun stiltes.
Totdat ze me zelf de gelegenheid aanreiken, te vertellen wat Jezus Christus voor hen betekenen wil.
Twee dingen moeten me wel van het hart. Allereerst vind ik het jammer, dat velen zo'n karikatuur van de kerk en het christelijk geloof gemaakt hebben. Daarmee doen ze geen recht aan de werkelijkheid. Ik vind het een voorrecht dat ik regelmatig de gelegenheid heb, heel iets anders te laten zien. Van mijn persoonlijk geloof, kerken die ik ken, hartverwarmende dingen waar christenen mee bezig zijn. Maar ik kan er niet onderuit - en dat is het tweededat we als christenheid, ook als Nederlands Gereformeerde Kerken, soms zelf bijdragen aan die weinig verheffende beeldvorming. Daar word ik nog het meest verdrietig van. En ik buig dan maar mee onder de kritiek - om tegelijk vrijmoedig op onze geweldige Heer te wijzen!
De luitenant is inmiddels geweest.
Ze heeft trouwplannen. Maar dat kan en wil ze niet los zien van een duidelijke godsdienstige keuze. Haar vriend, van huis uit katholiek, is niet zo geïnteresseerd. Zij zelf, van huis uit 'niks', is toch getroffen door wat ze zelfstandig in de Bijbel heeft ontdekt.
Ze blijkt ook weleens in een pinkstergemeente geweest te zijn.
Haar aanvankelijke vraag, of er voor hen beiden niet een redelijk midden is te vinden, ontwikkelt zich weer tot zo'n gesprek, zo'n ontmoeting als ik hierboven schetste. Een stukje pure evangelieverkondiging. We beloven elkaar het gesprek voort te zetten.
Dominees in dienst. Vanuit de militaire organisatie tel je niet altijd zo mee. Vanuit de kerken lijk je een beetje naar de rand geschoven te zijn. Maar je bent er. Je bedrijft zending.
Je werk valt bij anderen niet altijd zo op, maar je mag er God mee groot maken. En je wordt er zelf klein onder.
(Ds. C.C. Koolsbergen is legerpredikant op de Gen.-maj. Kootkazerne te Garderen).