lets over de kleine oecumene

1992-09-11
  • Jaargang 36
  • nummer 19
Het viel wel een beetje ongelukkig dat de Christelijke Gereformeerde ds. J.H. Velema zijn scherpe uitlatingen naar de Vrijgemaakte en de Nederlands Gereformeerden toe juist een kleine week vóór de samenkomst van het Gereformeerd Appèl deed. Het Gereformeerd Appèl dat immers meer schot wil zien in de kerkelijke eenheid van de zogenaamde 'Kleine Oekumene' en daartoe een gebedssamenkomst op 29 augustus in Amersfoort had "georganiseerd. Hij gooide zo wel een geduchte steen in die vijver. Daar zal hij wel geen erg in gehad hebben. Er werd trouwens op die bijeenkomst op zijn opmerkingen·zeer zachtmoedig gereageerd. Vriendelijk maar ter zake zei de heer Koot» (CGK) - en hij bedoelde natuurlijk niet al/één ds. Velema!dat we aan uitspraken van prominenten in het kerkelijke leven niet teveel gewicht moeten hechten, in het licht van Jezus' eigen woord dat één onze Meester is en dat we al/en broeders zijn. Amen, ja amen! Ja, het was om meer dan één reden fijn om op die 'familiedag' van de drie kleinere reformatorische kerken in onstena eenweziq zijn. Er was veel belangstelling en er hing een goede sfeer. De onderlinge herkenning was van de gezichten te scheppen. Er was ook een zeer goed evenwicht tussen oud en jong, viel mij op. "Wat doet u hier nu?" werd mij gevraagd. Men dacht daarbij natuurlijk aan mijn eigen kritische geluiden over (m.i. voortijdige) kerkverenigingen.
Wel (om mijn antwoord op die vraag hier even te nerheten) ik heb óók geschreven dat ik goede verhoudingen tussen onze kerken zeer op prijs stel en die ook hartelijk wil bevorderen. Niet in het minst door duidelijkheid naar alle kanten. Inderdaad zie ik eenwording niet in het naaste verschiet. Weliswaar zou dat voor de meeste aanwezigen op die zaterdagavond geen enkel probleem opleveren, maar stel dat zij in de naaste toekomst hun zin zouden krijgen, dan zou dat toch niet meer betekenen dan dat er aan de drie kerken nog een vierde werd toegevoegd. En dat is natuurlijk niemands bedoeling. Maar het Gereformeerd Appèl heeft gelijk: wil er ooit iets van komen, dan moeten we op z'n minst elkaar kennen en herkennen. AI was het al/een maar om te leren meer dingen samen te doen, ook wanneer we nog niet" van zins (zouden) zijn onze zelfstandigheid op te geven. We zijn immers al zo één. Daar mag best wat meer uitdrukking aan gegeven worden. Daarom steun ik dit initiatief van harte. Ik vind het ook goed dat het van 'gewone' kerkleden uitgaat en dat er (haast) geen dominees bij betrokken zijn.
Waarom goed? Omdat op die wijze ook de niet-ambtsdragers ervaringen opdoen met de weerbarstigheid van de kerkelijke realiteit. Te gemakkelijk klinkt immers in de kerken het verwijt dat 'ze' op de kerkelijke vergaderingen al/een maar traag en onwillig zijn. Ook in dit opzicht moet ik trouwens de sprekers in Amersfoort prijzen dat ze met zoveel woorden gewaarschuwd hebben voor een hetze tegen de ambtelijke vergaderingen. Het was daar op 29 augustus zeker geen 8-meibeweging.
En het zou ook grof onrecht zijn als het dat wèl was geweest.

De belijdenis in het geding?
Maar wat zei ds. Velema nu eigenlijk?
Hij heeft in een interview met het opinieblad Koers beweerd dat tussen de Vrijgemaakte en de Nederlands Gereformeerden enerzijds en de Christelijke Gereformeerden anderzijds de belijdenis staat op het punt van de toe-eigening des heils en dat derhalve dit verschilpunt niet getolereerd kan worden.
De lezer weet dat die toe-eigening des heils altijd al het heikele punt is geweest waarop aan Christelijk Gereformeerde kant de toenadering strandde, maar ds. Velema heeft dit verschil nu nog aangescherpt door er de belijdenis bij in het geding te brengen. Ik moet zeggen dat ik deze bewering graag nader toegelicht zag. Hoe, op welk punt komen de vrijgemaakten en wij met de belijdenis in conflict? Noemt u eens een passage, collega, uit één van de drie formulieren van enigheid Als ds. Velema nu zou zeggen dat dat in het komende rapport voor de aanstaande Christelijke Gereformeerde synode staat, dan moet me van het hart dat hij het belangrijkste toch wel even had kunnen noemen.
Juist als het om belijdeniszaken gaat moet dat niet al te moeilijk zijn. Bij theologische haarkloverijen ligt het in een interview wat lastiger maar als je de belijdenis erbij haalt moet het om dingen gaan die in een paar woorden aan iedereen duidelijk te maken zijn. Dan kun je geloof ik niet zomaar zeggen: 't Is tegen 'de' belijdenis. Schermen met een formeel belijdenisgezag ligt ons Nederlands Gereformeerden niet zo erg. We ervaren dat als een oneigenlijk gebruik van de confessie.
Pak het liever inhoudelijk aan. Dan kunnen we er meteen over na gaan denken. En het bespaart onnodige opwinding.

Opnieuw de toe-eigening des heils
Wat nu die toe-eigening des heils betreft, de lezers van ons blad kunnen weten dat ik door de jaren heen steeds wel geprobeerd heb begrip op te brengen voor het bekende bezwaar van Christelijke Gereformeerde kant. En daarin ben ik niet de enige geweest. Er is aan onze kant, geloof ik, echt een bereidwilligheid geweest om ons door de bevriende kerk te laten corrigeren. Aan onze kant maar ook aan die van de vrijgemaakten. Als ik wat hen betreft hier een naam mag noemen dan moet het die van professor Trimp zijn. Hij heeft wat als verbondsautomatisme kan worden uitgelegd krachtig bestreden.
Het was ook nodig, trouwens. Er is, zeker aanvankelijk, wel eens de indruk gewekt dat we aan vrijgemaakte kant in een soort vanzelfsprekendheidsdenken gevangen zaten.
Maar daar is wel aan gewerkt, als ik dat zo zeggen mag. Aan beide kanten van de 1967-streep. Het is daarom wel wat teleurstellend nu van ds. Velema te moeten horen dat het bezwaar op dit punt in de loop van de tijd bij hem alleen maar is toegenomen. Gelijk gebleven, nu ja, ook niet leuk, maar toegenomen? Kan ds. Velema dat geloofwaardig maken? Toch zullen we onze vrienden op dit punt serieus moeten blijven nemen want afgezien van die confessionele aanscherping en de klacht van erger worden volgens ds. Vele ma moeten we nog telkens het verwijt horen dat wij over die heilstoeëigening te licht denken. En eerlijk is eerlijk, al hebben we eraan gewerkt, helemaal weg is die lichtvaardigheid inderdaad niet. Ik zeg het expres zo om de Christelijke Gereformeerden tegemoet te komen want zelf geloof ik niet dat het lichtvaardigheid is. Onze bedoeling met het niet al te nadrukkelijk altijd weer aan de orde stellen van de noodzaak tot wedergeboorte is toch meer om zo des te duidelijker en warmer over God te kunnen spreken, over wie Hij voor ons in Christus wil zijn. En wanneer dan de Here zo in zijn stralende genade aan ons wordt voorgesteld vertrouwen we erop dat als vanzelf (van onze kant zonder dat wij weten hoe maar het is een werk van de Heilige Geest) de Petrus-reaktie loskomt: Ga uit van mij, Here, want ik ben een zondig mens! Wij vrezen als vrijgemaakte en Nederlands gereformeerden de mensmiddelpuntigheid, niet alleen in het optimisme van de vrijzinnigen maar ook in het pessimisme van de zwaren. Maar het is waar, soms geven we aanleiding tot enige argwaan.
Daarvan nu een voorbeeld.

De zegenbede
Een tijdje geleden maakte ik een kerkdienst mee, niet als dominee maar gewoon in de bank. Was het een dienst in een Nederlands gereformeerde kerk of was ik op bezoek bij de vrijgemaakten of was het een radiodienst van één van die twee? Ik weet het niet meer. 't Zou allemaal kunnen. Op het eind van de dienst werd de zegen uitgesproken: "De genade van onze Here Jezus Christus ... IS met u allen! Amen". Dat woordje IS werd heel nadrukkelijk uitgesproken, de es-klank sist nog na in mijn oren. Ik dacht: Als er nu een christelijke gereformeerde broeder naast me stond dan zou hij voor zover de eerbied dat toestond tegen me zeggen: Kijk, dát bedoelen wij nu! Met dat IS gaan jullie te ver! Ik denk dat hij gelijk zou hebben.
Van een woord dat duidelijk als wens bedoeld is maken we zo een constatering. Ten onrechte, ook taalkundig.
Natuurlijk, we bedoelen met dat 'is' dat er aan de genade van onze Here Jezus Christus voor ons niets onzekers zit. Hij houdt geen slag om de arm. Een kerkdienst behoort in al zijn onderdelen die indruk inderdaad te wekken en te versterken. En zeker bij het weggaan is het goed daarvan nog eens extra verzekerd te worden.
Akkoord. Maar noodzaakt ons dat om onszelf zo uit te drukken? Doet het gebruikelijke 'zij' ("de' genade zij met ons") ook maar iets af van Gods ruimhartige genadegezindheid? Daartegenover lopen wij met dat woordje 'is' onnodig vooruit op het gelovig reageren van ons mensen op dit ruime en zekere aanbod van genade. Met andere woorden: Wat ons betreft is het nog maar helemaal de vraag of Christus' genade met ons is. Die moet immers toegeëigend worden, door geloof en bekering. Stel je voor dat men het bekende randschrift op onze gulden 'God zij met ons' zou gaan vervangen door 'God is met ons'. Zou dan niet elke gelovige Nederlander protesteren en zeggen: Of God met ons is hangt af van de manier waarop wij die gulden gekregen hebben en van de wijze waarop wij hem besteden? Met dat 'is' of 'zij' in de zegen is inderdaad de toe-eigening des heils in het geding, op een heel gevoelig en voor ieder herkenbaar punt. Op een punt ook waarmee het bij mijn weten nog nooit in verband is gebracht. En ik haast me dan ook te zeggen dat degenen die bij de zegen deze stelllqheldsvorrriçebruiken daarmee zeker niet bewust in het verschil tussen ons en de christelijke gereformeerden kiezen. Maar ook zonder erg kun je soms heel duidelijk zijn. Volgens mij is men dat met dit gebruik dat hier en daar in beide huizen van de vrijmaking nog voorkomt.
Nog eens, die toe-eigening des heils behoeft niet te pas en te onpas bij iedere gelegenheid ter sprake te worden gebracht. Dat zou afstompend werken. Maar van de andere zijde steekt er wijsheid in dat de traditie ons het onderhavige zegenwoord heeft overgeleverd in een vorm die de noodzaak van die toe-eigening in ieder geval niet uitsluit. Die schijn van uitsluiting wordt echter met dat 'is' gewekt. (Sommigen trachten aan dat 'is' of 'zij' bij de zegen te ontkomen door allebei weg te laten: De genade - met u allen! Ze doen dat onder beroep op de grondtekst die inderdaad geen van beide woordjes heeft. Maar behalve dat het een beetje vreemd en onnederlands klinkt ontkomt men toch ook zo niet aan het duidelijke wens- of bedekarakter van de hele uitdrukking.)

Een goede waarschuwing
Ds. Velema heeft in het interview van Koers nog meer gezegd. Hij wees op de veranderingen die op het ogenblik bij de vrijgemaakten gaande zijn. Dat bijvoorbeeld het Nederlands Dagblad veel ruimer is geworden in allerlei en vooral kerkelijk opzicht. Hij zei daarbij dat hij zich afvroeg wat daar nu voor in de plaats komt. Ik vind dat een goede vraag die ook wel eens bij mijzelf opkomt als ik de snelle keer daar opmerk.
Ik wil deze waarschuwing onderstrepen: Wat komt ervoor in de plaats? Ik heb toch al de neiging om veranderingen die ras verlopen te wantrouwen en daar heb ik nu ook last van, hoe blij ik ook ben met de gekomen openheid. Er komt op het ogenblik bij de vrijgemaakte jongeren veel los met de kracht van te lang onderdrukte vrijheidsdrang. Moge de Here aan de voorgangers daar en aan de opinievormers veel wijsheid geven om dit proces goed te begeleiden - om het even of zij nu voor- of tegenstanders van de verruiming zijn.
Onze broeders en zusters aan de overkant zullen overigens wel kunnen begrijpen dat wij lettend op deze ontwikkelingen aan de zestiger jaren herinnerd worden. Ook toen bij ons dat ruiken aan de vrijheid dat trouwens niet in alle opzichten positieve vruchten heeft afgeworpen. Ik heb (om het maar even helemaal persoonlijk te houden) een tweeledig gevoel als ik naar de vrijgemaakten van vandaag kijk. Enerzijds voel ik me in het gelijk gesteld wat betreft enkele opvattingen die ik toen aanhing en voordroeg en aan de andere kant is er het besef dat als mijn gelijk triomfalisme baart (een handenwrijvend 'Nu zie je maar eens...') ik het meteen kwijt ben. Voor zo'n koekoeksjong is mijn gelijk te broos, het zou bezwijken.
Misschien dat we in de naaste toekomst onze zusterkerk met onze eigen ervaringen op de heerlijke en glibberige weg van wat meer vrijheid van dienst kunnen zijn. Dat is van het begin af mijn ideaal geweest want geheel onverwacht komen deze dingen voor mij niet.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief