Diskussie rondom het ene talent (4)

1990-12-07
  • Jaargang 34
  • nummer 25
Wij geloven
Wij zetten het gesprek met professor Van Deursen uit Amstelveen nog even voort. Ik-had geschreven dat twee van de drie belijdenisgeschriften niet met de bedoeling waren opgesteld dat het formulieren van enigheid zouden worden en dat ze tot die ondragelijke funktie pas naderhand verheven zijn. Mijn opponent werpt nu tegen dat dat toch niet zo ver naderhand geweest is en dat dit ook helemaal geen onnatuurlijke ontwikkeling was. Hij beroept zich daarvoor op het 'wij' waarmee de Nederlandse Geloofsbelijdenis begint: 'wij geloven allen met het hart en belijden met de mond...' Daarmee ging de opsteller Guido de Bres op voorhand uit van de bijval die hij bij de gereformeerde gelovigen zou oogsten en uit het verdere verloop, de snelle overname reeds op de synode van Emden in 1571, blijkt dat hij zich daarin niet vergist heeft.
Zeker. En laat ik eraan toevoegen dat het niet mag verbazen dat dit krachtige en prachtige geschrift die vlugge erkenning en aanvaarding gevonden heeft. Toch is een geloofsmatige erkenning iets anders dan een juridische binding. En over die laatste had ik het. Zelf gebruik ik in mijn artikelen ook wel eens de 'wij'-vorm, bijvoorbeeld wanneer ik dingen schrijf waarvan ik mag aannemen dat ze op een vrij algemene instemming zullen stuiten. En ik vergis me daarin of ik vergis me daarin niet, zoals dat gaat. Maar het zou natuurlijk volstrekt ontoelaatbaar zijn wanneer iemand of een groep iemanden tegen degenen die er zich in kunnen vinden zou zeggen dat ze nu ook juridisch aan mijn woorden gebonden waren. Nu is dit een extreem voorbeeld en ik bedoel ook eigenlijk niet te zeggen dat de kerken iets ontoelaatbaars deden toen zij haar ambtsdragers aan dat geschrift van De Bres bonden. Het gaat me er nu alleen om dat die juridische binding een stap verder zette dan de spontane instemming waarmee deze geloofsbelijdenis werd begroet. En weer een stap verder - en mijns inziens een ontoelaatbare stap verder - is het geweest toen men die juridische binding in een apart formulier tot op de punten en komma's toe ging aanschroeven.

Vastspijkeren
Onder dat Dordtse ondertekeningsformulier heb ik het als vrijgemaakt predikant altijd spaans benauwd gehad (tenminste als ik erover nadacht) en toen ik het bij mijn komst als predikant in Wageningen in 1962 nog weer eens moest ondertekenen liet ik me de verzuchting ontvallen: ik hoop dat de broeders mij hier niet op vast zullen spijkeren - een opmerking die mij later noodlottig geworden is. In de dagen dat we tegenover elkaar waren komen te staan herinnerde een van de broeders zich deze woorden en ze werden toen het handvat voor mijn afzetting. Geschorst ben ik eigenlijk niet eens.
Men heeft mij van de dienst vervallen (of ten onrechte toegelaten) verklaard omdat ik aan de vereisten voor het ambt niet voldeed. Nooit zelfs voldaan had. Het was dus een administratieve maatregel op grond van het oude artikel 53 van de DKO dat de onderschrijving van de belijdenis vordert. 'Nu, maar u had die ondertekening toch gedaan?' Zeker, maar vanwege mijn opmerking op een volgens het ondertekeningsformulier onvoldoende wijze, vond men. Vandaar.

Belijdenis doen van de belijdenis
Sindsdien ben ik van dat oude ondertekeningsformulier de gezworen vijand geworden. Niet omdat ik me vrijbuiterig tegen elke binding zou verzetten. Geenszins. Maar de binding in dat formulier gaat duidelijk te ver. Ons akkoord van kerkelijk samenleven gaat in artikel 17 God dank niet verder dan te bepalen dat "de ambtsdragers de drie Formulieren van Enigheid (...) zullen ondertekenen als blijk van hun instemming met de leer van de kerk". Daar wordt opmerkelijk genoeg niet bijgezegd dat dat volgens een bepaald formulier moet gebeuren. De bepalingen betreffende de doopsbediening, de avondmaalsviering, de afsnijding en de wederopneming hebben een dergelijke verwijzing wel (" ... met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier"), maar bij de ondertekening ontbreekt ze opvallend. Van Deursen vraagt mij wanneer onze kerken dan wel besloten hebben dat wij als nederlands gereformeerde kerken niet meer op de wijze van het oude ondertekeningsformulier aan de belijdenis zitten vastgeklonken, zoals ik geschreven had. Hij weet dat niet. Nu, ik weet het ook niet. Het komt mij voor dat onze kerken dat oude formulier hebben ingeslikt. Uit een zekere verlegenheid ermee. De praktijk in onze kerken lijkt dit vermoeden te ondersteunen. Uit de regio Amsterdam-Haarlem herinner ik mij dat men met een eenvoudige ondertekening volstond. En zo zal het op meer plaatsen gaan. De landelijke vergadering van Wezep in 1978/9 heeft een proponentsformule opgesteld waarin de ondergetekenden verklaren "dat wij ons in het proponeren in de eenheid van het ware geloof, trouw zullen houden aan de belijdenis van de kerk, te weten de drie algemene belijdenisgeschriften en de drie formulieren van enigheid; en dat wij niets zullen leren dat daarmee in strijd is". Dit is alles wat in de Acta aan besluitvorming op dit gebied te vinden is. Het lijkt mij trouwens ruim voldoende wat daar door de broeders gestipuleerd is. Niet alleen voor proponenten maar ook voor predikanten.
Goed, voor mij had dat woordje 'trouw' nog wel nader uitgelegd mogen worden, bijvoorbeeld aldus: '.. trouw, dat is: ondubbelzinnig en onbekrompen ...' (naar de gelukkige formulering van de konfessionelen in de nederlands hervormde kerk van de vorige eeuw, waar de heer Kadijk uit Dronten zich blijkens zijn laatste 'ingezonden' ook goed in vinden kan). Maar gelukkig is in deze Wezepse formulering alles vermeden wat maar in de verte zweemt naar een vierde formulier waarin belijdenis gedaan wordt van de belijdenis. Want dat is wat in dat oude ondertekeningsformulier zo hinderlijk gebeurt. Daarin spreekt de ondertekenaar uit dat alle stukken van de leer in alles naar Gods Woord zijn. Geheel tegen de geest van die belijdenisgeschriften zelf in die hun eigen onvolkomenheid onomwonden toegeven (in artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis) wordt hier een beginnende, schroomvallige kandidaat een foutloosheidsverklaring betreffende zijn belijdenis ontfutseld waar hij dan voor het verdere verloop van zijn dienst met handen en voeten aan vastgebonden zit. Dit is even onethisch als het afvragen van de coelibaatsgelofte in de rooms katholieke kerk.

Saaiheid
Daarmee wordt het hele theologische denken (waarvan we toch hopen dat dat ook in de pastorieën plaats vindt) tot saaiheid veroordeeld, schreef ik. Maar Van Deursen vindt dit te somber gedacht. "Wetenschap is groter dan wij denken, en wie zich daarin werkelijk verdiept hoeft voor saaiheid niet bang te zijn". Nu is professor Van Deursen historicus. En wanneer je vanuit die gezichtshoek tegen de theologie aankijkt komt de kerkgeschiedenis in het beeld, een ongetwijfeld uiterst boeiend onderdeel van de theologie.
Je mag zeggen: aan alle volmaaktheid heb ik een einde gezien, maar dat gebied is zeer wijd. Op dat veld is de theologie ook nog het meest wetenschap, is mijn indruk. (Vandaar dat veel theologie de geschiedkunde invlucht.) Voor de andere disciplines van dat vak is het wetenschappelijk karakter een veel hachelijker zaak. Is theologie als geheel wel een wetenschap? Het wordt door velen betwijfeld, en dat bepaald niet altijd vanuit een ongelovige onwelwillendheid.
Zelf durf ik de vraag niet goed te beantwoorden maar ik zie het probleem wel. Je bent in je theologisch nadenken gebonden aan het gezag van Gods Woord. Dat staat buiten kijf. Maar dat lijkt zeer moeilijk in overeenstemming te brengen met de methodische twijfel die voor de wetenschap zo kenmerkend is.
Op het gebied van de kerkgeschiedenis heb je van de spanning tussen dat gezag en die tWijfel weinig last, maar dat is anders bij de dogmatiek of in de exegese waarin je zo rechtstreeks bezig bent met de vraag wat de Here ons zegt. Dan sta je in de uitleg van de Schrift (om nu maar bij mijn eigen leest te blijven) enerzijds onder het hoge 'zo zegt de HERE' en anderzijds meen je op onderdelen een menselijk-al-te-menselijke hand in de bijbel aan het werk te zien. En wat moet je dan? Moet je de wetenschappelijke twijfel de geloofszekerheid laten verslinden of omgekeerd?
Toch zo veel mogelijk dat laatste, neem ik aan. Maar dat 'zo veel mogelijk' geeft precies het moeilijke van theologie als wetenschap aan.
Het is daarom dat ik in die theologie zowel wat de Schrift als wat de belijdenis betreft voor enige ruimte pleit.
Anders worden de resultaten van gelijk welk onderzoek te voorspelbaar.
En derhalve onzinnig. Dat is wat ik met die saaiheid bedoel. Wetenschap is op zichzelf niet saai.
Daar heeft Van Deursen groot gelijk in. De Schrift ook niet. 0 nee! Maar de kombinatie van die twee kan dat geestesmerk wel degelijk krijgen, als je niet oppast. En voor dat 'oppassen' denk ik dan inderdaad de kant van de souplesse uit: geen al te strakke formuleringen, geen al te sluitende omschrijvingen. Dat is misschien irritant voor degenen die de last van de theologie met geen vinger behoeven aan te roeren, maar ik kan oprecht verklaren dat ik deze dingen niet zeg om te irriteren.
Veeleer uit eerbied voor het probleem dat hier ligt.

Oekumenisch bezit
Tenslotte wil ik nog ingaan op een punt dat Van Deursen aansnijdt in het kader van de herziening van de belijdenis. Over die gravamenkwestie zelf had ik het eerder al, en daarover dus verder niet. Maar hij zegt in dit verband ook dat de belijdenisgeschriften niet van ons alleen zijn, dat het formulieren van enigheid zijn over de kerkmuren heen. Waardoor het een eis van echte gereformeerde oekumene wordt om bij de gedachtenwisseling over voorgestelde veranderingen ook te luisteren naar wat ons uit andere kerkgenootschappen gezegd wordt. Ja. Zeker. Mee eens.
Toch - professor Van Deursen zal het niet bedoelen maar ik vrees dat dat dan gemakkelijk een selektief luisteren zal worden. Dat wil zeggen dat de klanken van hen die alles bij het oude willen laten eerder zullen worden opgevangen dan de kritische geluiden. Het lijkt me niet denkbeeldig dat op zulke kritische geluiden slechts met afweer en schrik gereageerd zal worden, zo van 'die deugt ook al niet meer'. Eigenlijk is dat toch onlangs nog professor Graafland overkomen van de kant van professor Kamphuis? Graafland is in zijn laatste publikaties nogal kritisch over de Dordtse Leerregels. Kritiek van onverdachte zijde, zou je zo zeggen. Maar je kunt niet zeggen dat zijn zeer voorzichtig geuite bezwaren tegen de Canones welwillend overwogen worden vanuit het besef dat de leerregels toch ook zijn belijdenis zijn waarover hij rechtmatig mag meepraten. Graafland is door zijn openlijk schrijven over deze zaken bij de echte belijdenisvoorvechters alleen maar verdacht geworden. Nee, ik vrees dat met het gezichtspunt van de oekumenische samenwerking bij de arbeid tot belijdenisherziening heel gemakkelijk een vertragingsmechanisme in werking wordt gesteld. Daar is niet zoveel behoefte aan, die zijn in elk kerkverband in voldoende mate aanwezig. Ieder moet er dus maar vooral in eigen kerk aan werken dat de betrekkingen tot de oude belijdenisgeschriften genormaliseerd worden, dat wil zeggen van over- en onderdrijvingen ontdaan. En wanneer dan in de kerken een ondubbelzinnige en onbekrompen binding aan de belijdenis heerst is ook de sfeer gevonden die nodig is voor een open gesprek over punten die aan herziening toe zijn of waaraan de binding moet worden opgeheven.
Ik zei al dat mijn gedachten daarbij uitgaan naar sommige gedachten in de Dordtse Leerregels.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief