Zingen vanuit de verdrukking
1990-12-07
Plaats van samenkomst- Jaargang 34
- nummer 25
De 17e Liedboekdag werd dit jaar op 16 juni gehouden in de Joriskerk te Amersfoort. Reinoud G. Egberts, voorzitter van de Commissie voor de kerkmuziek, vertelde in zijn openingswoord dat het dit jaar veel moeite had gekost, een goede plek te vinden. Voordat de keuze viel op de Joriskerk, is er een soort kerketocht gehouden. De ene kerk is in restauratie, in een andere worden examens gehouden, in een derde heeft in de directe nabijheid een kermis plaats. De keus van de Joriskerk is een gelukkige gebleken, vanwege een opmerkelijke constructie, waardoor een geheel eigen sfeer ontstaat. Het kerkgebouw is een zgn. Hallenkerk, een drie-schepige ruimte. Deze ruimte is om de toren heengebouwd en die toren is een overbl ijfsel van een andere kerk op dezelfde plaats. Men kan in de kerk helemaal om de toren heen lopen.
Hij steekt als 't ware door het dak heen. Ook het orgel staat los in de kerk. Je kunt het van alle kanten bekijken en er onder door lopen. Het orgel is in 1845 gebouwd door de orgelbouwer Naber uit Deventer en bleek een prachtig begeleidingsinstrument te zijn.
Een galerij, het zgn. doxaal, sluit de rechthoekige hal van de kerk van het koorgedeelte af. Op dit doxaal zong de Amsterdamse Sweelinckcantorij onder leiding van de nu 70-jarige kerkmusicus Willem Vogel liederen van Sweelinck, Schütz en Boyce.
Vroeger, toen de kerk nog kloosterkerk was, zongen de kanunneken op dit doxaal.
Enige hilariteit ontstond bij de Liedboekdag-deelnemers, toen ieder half uur een klokje sloeg. In de kerkruimte bevindt zich aan de kerktoren op enige hoogte de klokman. Het is een klein mannetje, die met een lange hamer op een klokje slaat. De klokman fungeerde vroeger als preektijdbewaker. De preek mocht in de 18e eeuw niet langer duren dan twee uur en de klokman herinnerde de predikant daaraan. Als deze zich er niet aan hield, kreeg hij een boete en het geld moest hij storten in de kas van de diaconie. Behalve preektijdbewaker, herinnnerde de klokman de kerkmensen ook aan de broosheid van het bestaan. Want deze tekst is erbij te lezen: "Waakt mens, ons laatste uur komt onverwacht van boven."
Thema
In de liederen van de kerk klinkt de aanbidding, het belijden, de dank, de smeking, de profetie, de filosofie en de moraal. "Zingen is het hart van het christen-zijn", aldus prof.dr. J.T. Bakker in zijn toespraak op de Liedboekdag.
God loven is ons ambt, maar het is ook een geschenk van de Here God bij uitstek. In situaties van verdrukking, rest de mens alleen nog maar te roepen om hulp, redding en verlossing. Dat is het zingen in de verdrukking, maar tegelijkertijd is dat het zingen vanuit de verdrukking; kyriëleis in allerlei toonaarden. Haast alle liederen uit de verdrukking zijn psalmen; de reguliere 150, maar ook de psalm van Jona, Zacharia en Luther. Deze kerkhervormer hield zo van de psalmen, omdat je daarbij "Gods heiligen regelrecht in het hart kijkt, hoe het daar toegaat". Volgens Luther is een mensenhart als een scheepje op de wilde zee, dat door de vier winden van alle kanten heen en weer gedreven wordt. Hier blaast de vrees en de zorg voor het onbekende ongeluk, ginds wenkt de hoop en de droom van het komende geluk, daar blaast de vrees en de zorg over de rampen van vandaag en zo gaat 't maar heen en weer. Zo is het psalmboek het ware, echte 'Ken uzelf'.
Calvijn zegt het wat statiger: "Het psalmboek is een anatomie van alle kanten, alle aspekten van de ziel." In het psalmboek kijkt een mens altijd weer in de spiegel. Daar zie je het leven in al zijn woelingen.
Liederen
Een aantal voorbeelden van 't zingen vanuit de verdrukking waren voor deze Liedboekdag bij elkaar gezet: uit het erfgoed van Israël, de vroege kerk, de reformatie en de tijd van nu. Zangleiders vertelden het een en ander over de liederen en studeerden ze (indien nodig) met de deelnemers in.
Psalm 130 was de toonzetting van de manifestatie: "Uit diepten van ellende roep ik tot U,O Heer." Een beter begin had men zich niet kunnen wensen. De aanwezigen werden na het zingen van deze psalm berispt over de fout gezongen tweede noot in de tweede regel, waar deze noot zonder verhoging gezongen moet worden.
Gezang 19 "Uit angst en nood stijgt mijn gebed", is een berijming van Jan Wit naar psalm 130. De melodie is van Luther. Het moeilijke ritme van de 5e regel werd door de deelnemers overtuigend gezongen.
Psalm 137 gaf een ander facet van het thema weer, nl. ‘t zingen vanuit de ballingschap: weemoed en verlangen klinkt op, terwijl het treurige hart naar Jeruzalem trekt. De vrij onbekende psalm werd in beurtzang door de aanwezigen vertolkt.
Verrassend was, hoe na enige oefening gezang 67 in vierstemmige zetting schitterend tot z'n recht kwam. Het is een lied dat zingt van bevrijding en verlossing in het lijden.
Twee liederen werden achter elkaar gezongen, vanwege thematische verwantschap. Het eerste lied was gezang 272, Luther's bewerking van de Middeleeuwse antifoon: Media Vitae in mortus sumus (Midden in het leven zijn wij door de dood omvangen).
Een antifoon is een keervers dat een psalm inleidt en weer afsluit. Het tweede lied was uit de jongste traditie, g.ezang 359. De zang leider Theo Goedhart legde het verband tussen beide liederen.
Muus Jacobse, de dichter van gezang 359, kende de eerdergenoemde antifoon en heeft er aan moeten denken toen in 1961 de kernbomproeven werden hervat. Midden in het leven is de dood nog nooit zo dichtbij geweest. Maar net als Luther corrigeert hij zijn gevoel, als hij denkt aan het avondmaal, als een maaltijd ten leven. Daarom heeft hij de woorden omgedraaid: "Midden in de dood zijn wij in het leven. Geef ons levensmoed met de dood voor ogen." De rustig voortschrijdende melodie past wonderwel bij de tekst van gezang 359.
Na de middagpauze leverden de kinderen hun bijdrage in de beurtzang met de volwassenen. Er was uit hun midden een instrumentaal groepje gevormd (van fluiten en violen), dat de kinderzang begeleidde en een enkel voorspel had ingestudeerd, wat 's morgens in een aparte ruimte was gebeurd. Achtereenvolgens klonken gezang 382, "God die het al geschapen heeft, die 's nachts ons vredig slapen laat", en Psalm 10 "Hoe komt het, Heer, dat Gij zo verre zijt". Het waren zeker geen gemakkelijke zangwijzen voor de kinderen, maar hun zang en begeleiding klonken heel lieflijk in de kerkruimte. In het Liedboek staan liederen uit Valerius-Gedenckklank.
Ze zijn geschreven vanuit de benauwenis van de Tachtigjarige oorlog.
Voor velen zijn ze actueel geworden tijdens de Tweede Wereldoorlog. In bepaalde situaties krijgen deze liederen ineens weer hun volle betekenis, waar je in tijden van nood op kunt terugvallen. Zo'n Valerius-lied is b.v. gezang 418 "Here, kere van ons af". Het werd vierstemmig gezongen.
Een ander Valerius-lied "Hoe groot, o Heer, en hoe vervaarlijk staat nu ons leven vol verdriet!" (gezang 417) had een eenstemmige versie. Beide liederen moesten licht, verend gezongen worden. Zoals prof. Bakker zijn gehoor al voorhield, zijn er buiten de 150 psalmen nog andere te vinden. Zo zongen we in verschillende zettingen de psalm van Jona, gezang 40: "Zijt Gij mijn God, ben ik uw mens nog, Here?" Jona roept vanuit de diepte der zee uit angst en nood tot God om hulp en redding.
Gezang 401 "Een vaste burcht is onze God", de psalm van Luther, ontbrak niet op het programma. Het lied kwam, prachtig omspeeld, heel mooi tot z'n recht.
Het meest recente lied op de Liedboekdag was: Gij ziet ons vechten met de macht van dood en chaos, angst en nacht. Gij komt ons reddend tegemoet en treedt de golven met uw voet." Het lied wordt gepubliceerd in het vierde deel van 'Zingend Geloven', een bundel liederen, bedoeld als aanvulling op het Liedboek en waard om in onze kring beproefd te worden.
De meer dan 800 bezoekers van deze dag konden hun hart ophalen aan de bekende psalmen en gezangen, waarop nieuw licht werd geworpen.
Maar ze raakten evenzeer vertrouwd met nieuwe liederen.
Zingen vanuit de verdrukking werd bewust beleefd in alle mogelijke toonsoorten en ritmische schakeringen.