Ethische vragen (1)
1992-09-25
Ethiek staat op dit moment binnen de kerken in de belangstelling. En eigenlijk zeg ik dat nu nog te onderkoeld. Er is een ware hausse in de aandacht voor de ethische vragen. Het ene boek over ethiek is nog niet verschenen of het andere wordt alweer aangekondigd. Levensstijl is in, ook christelijke levensstijl. En wie een avond belegt om na te denken over wat vanuit de Bijbel als goed of niet goed mag worden gekwalificeerd, kan zich verheugen in een zeer warme belangstelling.- Jaargang 36
- nummer 20
Nu is dat niet zo verwonderlijk. Wij leven in een tijd van grote veranderingen, en dat op velerlei terrein. Daar is allereerst de medische ethiek. Ze lijkt nog steeds in een stroomversnelling te zijn. Ons menselijk kennen en kunnen gaat, vooral in technologisch opzicht, in de medische wetenschap nog steeds sprongsgewijze voort met alle consequenties van dien. Er zijn de vragen rond het milieu, die met vernieuwde hevigheid op ons toe komen. Onze maatschappij wordt steeds pluriformer.
Religies en culturen ontmoeten elkaar, lijken zich soms te mengen en vaker nog met elkaar te bosten. Het proces van emancipatie en individualisering laat ook onze christelijke relatievorming niet beroerd. En om nog een laatste moment te noemen: de zich nog steeds turbulent veranderende krachtverhoudingen in de wereld maken inzet van - ook nederlandse - militairen in crisisgebieden tot gemeengoed, ook wanneer de verdediging van eigen grondgebied niet aan de orde is. Al deze dingen maken, dat de vragen naar de ethiek en de moraal veel aandacht vragen.
Er is een hoge mate van onzekerheid. De vragen zijn zo gevarieerd en komen tegelijk met een zodanige massiviteit op ons af, dat we er nauwelijks nog de weg in vinden. Onze gezinnen en onze gemeenten leggen er uitdrukkelijk getuigenis van af.
Maar er is meer. Genoemd moet in dit verband ook worden de sterke invloed die met name de rechterflank van de gereformeerde gezindte ondergaat van de evangelische beweging. Niet weinigen onder ons voelen zich daartoe aangetrokken. Nu is het immer een van de kenmerken van de evangelicalen geweest, dat ze een sterk accent leggen op de heiliging en de kerstening van het leven. De vragen naar réveil, naar een nieuw christelijk élan, naar doorwerking van het evangelie in het leven hebben en hadden in de evangelische beweging een sterke ethische spits. Niet de dogmatiek (de leer van de kerk) staat daarbij (vooral) in het middelpunt, maar het is de ethiek (het leven) dat het primaat opeist.
Tegen de achtergrond van dit alles wordt meer en meer gevraagd naar een specifiek christelijke stijl van leven, een christelijke moraal. Daarbij wordt ook gevraagd naar een zeker uniformiteit. Christelijke levensstijlzo zeggen we - dient toch herkenbaar te zijn. En herkenbaarheid raakt - hoe men het ook wendt of keert - aan groepsmoraal: een wijze van leven die niet slechts individueel maar vooral ook collectief van karakter is. Evenwel, onze maatschappij vertoont steeds meer de trekken van individualiteit en pluriformiteit. En de vragen waarvoor wij staan zijn zeer gevarieerd van karakter. Het wil dus met dat collectieve niet zo erg. Ook niet of nauwelijks in de kerk. En daarmee zijn we weer terug bij ons uitgangspunt: verwarring - niet het minst in ethicis.
Nu is die verwarring - het zij ons tot troost gezegd - niet geheel nieuw. Wie zich onder ons nog de jaren zestig herinnert, weet dat er ook toen nogal wat te doen was rondom de vragen naar een christelijke levensstijl. En het is dan ook niet toevallig, dat ik om het probleem wat in zicht te krijgen teruggrijp op een artikel van H.M. Kuitert uit het eind van de jaren zestig, getiteld 'Verandering van de moraal:". Kuitert doet in dat artikel een poging het dilemma te overwinnen tussen enerzijds het (altijd geldige) gebod van God en anderzijds onze (veranderende) toepassing ervan in de moraal". Hij zegt, dat de moraal (lees: onze christelijke levensstijl) best kan en mag veranderen, omdat er altijd een zekere ruimte, afstand, bestaat tussen het gebod van God en onze vertaling ervan in de werkelijkheid. Gebod en moraal zijn niet hetzelfde. Je zou kunnen zeggen, dat het gebod van God het (kritische) referentiekader aangeeft van onze christelijke moraal. Maar gebod en moraal vallen niet samen. Om het met de woorden van Kuitert zelf te zeggen: "Het gaat in het christelijk geloof niet alleen om moraal. Een mens moet ook nog (met moraal en al) met God in het reine komen, en het is typerend voor het reformatorische christendom dat het altijd heeft volgehouden: dat komt hij niet door de moraal' 4. Dat is de ene lijn die Kuitert tekent. En op die lijn zou ik graag vandaag met u wat willen verder denken.
Tegelijkertijd echter trekt Kuitert een andere lijn. Hij zegt over de moraal (zeg maar: de collectieve christelijke levensstijl): "Moraal wil zeggen: beide (gebod en situatie/Born) komen alleen samen voor de werkelijkheid. ,,5 Gebod en moraal zijn dus niet los verkrijgbaar. In onze werkelijkheid treffen we beide slechts samen aan. Sterk klinkt dat door, wanneer hij zegt: "Als gehoorzaamheidsgestalte geven wij het gebod van God aan elkaar door. ,,6 Met andere woorden, hoezeer er ook volgens Kuitert onderscheiden dient te worden tussen het gebod van God enerzijds en de onze moraal anderzijds, één ding geldt: wij kennen in onze werkelijkheid het gebod van God maar op één manier en dat is de op de wijze van de moraal. Z6 geven wij het gebod aan elkaar door. In de ontmoeting tussen gebod en moraal worden beide gerelativeerd: de historische afstand tussen het gebod van toen en onze werkelijkheid-van-nu wordt overbrugd.
Het gebod wordt tot model, tot voorbeeld. En onze moraal is ten principale veranderlijk. Elders schrijft Kuitert: "Niet alleen de Schrift is er maar er is ook een door de Geest geleide gemeente. En christelijke gehoorzaamheid in het heden is het resultaat van een 'delicate balans' tussen de Schriften enerzijds en de inbreng van de gelovende gemeenten anderzijds. ,,7 Kort en goed: de door de Geest geleide, gelovende gemeente past in wisselende tijden op een wisselende wijze het tot haar komende gebod Gods in de werkelijkheid toe.
Mijn bezwaar tegen deze wijze van redeneren zit hem in de zin: "Niet alleen de Schrift is er, maar er is ook een door de Geest geleide gemeente." Voor Kuitert betekent dit alles, dat de christelijke moraal dus verandert. En daar behoef je niet van wakker te liggen. Vroeger fietsten wij niet op zondag en kochten geen ijsjes, stonden min of meer afwijzend tegenover film en toneel, kozen exclusief voor christelijke organisaties en meenden dat de vrouw thuishoorde in het gezin. En daar denken wij nu (heel) anders over. Want de door de Geest geleide christelijke gemeente past immers het gebod toe binnen de eigen, steeds veranderende werkelijkheid. Toch komt Kuitert, ongewild en onbedoeld, heel dicht in de buurt wat in sommige evangelische kringen opgeld doet. Ook daar wordt gezegd: De door de Geest geleide gemeente past het gebod van God tot in de werkelijkheid en komt zo tot een christelijke (groeps)moraal. "Christenen roken niet, drinken niet, wonen niet ongehuwd samen, hebben zeer bepaalde ideeën over cultuur en literatuur en menen dat de plaats van de vrouw wel degelijk eerst in haar gezin is". En dat verandert niet. Want zo leeft de christelijke gemeente nu eenmaal, geleid als ze wordt door de Geest van God. Er zijn - naar mijn oordeel- tegen deze manier van denken en doen vele bezwaren in te brengen.
Mijn eerste bezwaar is, dat we zo Schrift en Geest tegen elkaar uitspelen (er is niet alleen de Schrift, maar er is ook de door de Geest geleide gemeente). Ik acht dit hoogst bedenkelijk, omdat op deze wijze een scheiding wordt aangebracht die er niet is. De Geest is de Geest van het Woord. Hij is er de inspirator en de bemiddelaar van. En het Woord is door Luther niet ten onrechte 'het voertuig van de Geest' genoemd. Of - om het in gereformeerde bewoordingen te zeggen: wij belijden de conjunctie van Woord en Geest. De Geest werkt in, met en door het Woord van God. E1kepoging tussen beide een scheiding, laat staan een tegenstelling, aan te brengen doet aan beide te-kort. Woord en Geest vinden hun eenheid in het spreken Gods.
Zwaarder nog weegt voor mij, dat wij op deze wijze de christelijke gehoorzaamheid op een enorme manier overschatten. Zijn wij wel zo goed in staat om het gebod van God toe te passen?
Moet je het niet veeleer omgekeerd zeggen: God past zijn gebod aan ons toe. Niet wij handelen met het Woord (waarvan het gebod deel uitmaakt), maar God handelt door zijn Woord eerst en vooral met ons. Als er in de gereformeerde theologie gesproken wordt over het drieërlei gebruik van de wet (usus elenchticus, usus didacticus en usus civilis), dan gaat het daarom bij dat gebruik niet in de eerste plaats om wat wij van de wet maken, maar om wat God doet met zijn geboden.
Hij, de HERE, werkt met zijn gebod in ons leven. Wij kunnen slechts met de dichter van psalm 119 vragen: Here, verberg uw geboden niet voor mij". Horen naar het gebod leidt niet tot zelfverzekerdheid, maar juist tot afhankelijkheid.
En nu we het toch over afhankelijkheid hebben. Het is in dit verband is goed te luisteren naar de Heidelbergse Catechismus, waarin aan het van de behandeling van de tien geboden wordt gevraagd, waarom God deze geboden zo streng (de oude tekst had: scherpelijck!) laat prediken, wanneer toch niemand ze in dit leven kan volbrengen.
Het antwoord luidt dan: "Allereerst opdat wij ons leven lang onze zondige aard steeds beter leren kennen en des te meer de vergeving van zonden en de gerechtigheid in Christus begeren te zoeken. In de tweede plaats opdat wij ons zonder ophouden beijveren en God bidden om de genade van de Heilige Geest, zodat wij steeds meer naar het evenbeeld van God vernieuwd worden, tot wij na dit leven de beloofde volmaaktheid bereiken." 9
Wij moeten niet al te hoog opgeven van onze christelijke levensstijl. Ze bestaat in elk geval nooit in een zelfstandig omgaan onzerzijds met het gebod van God. Inderdaad, een mens moet met God in het reine komen met moraal en al. En door de moraal komt een mens dat niet!
Er is nog een derde bezwaar. Waar een te zwaar accent gelegd op één bepaalde christelijke levensstijl (dus: onze omgang met en onze toepassing van Gods gebod), daar vervalt men gemakkelijk tot verabsolutering. Christelijke moraal wordt dan zoiets als een ideologie. Wij immers, geleid door de Geest van God, zijn tot déze stijl van leven gekomen. Wie daar niet bij past en er niet voldoet, wordt snel miskend en (dat ook) verketterd. Dan gaat het in de gemeente niet meer in de eerste plaats om de levende relatie met God, Maar dan worden (christelijke) patronen van leven het beslissende. Een gevaar dat op dit moment - zeker ook in onze Christelijke Gereformeerde Kerken - niet denkbeeldig is. Wie het primaat legt bij de ethiek, die moet wel weten wat hij doet.
Noten
1 Referaat gehouden te Utrecht op 23 mei 1992 op de landelijke ouderlingenconferentie van de Nederlandse Gereformeerde kerken.
2 Verschenen in de bundel Anders gezegd.
Een verzameling theologische opstellen voor de welwillende lezer, Kampen 19702, blz. 183-196.
3 Vgl. H.M. Kuitert, a.a., blz. 192: "Onder christenen bestaat dikwijls de moeilijkheid, dat men één van tweeën wil: of de moraal kan niet veranderen of alles moet anders. Dat moet een misverstand omtrent de moraal zijn.
De moraal is niet Gods gebod; dat verandert niet. De moraal is de gehoorzaamheidsgestalte van het gebod, en die verandert wel, want moraal is nooit eeuwig."
4 A.a., blz. 190. Vandaar ook het verzet van Kuitert tegen het moralisme.
5 A.a., blz. 191.
6 Ibidem.
7 Zo in een artikel in dezelfde bundel, getiteld 'Het schriftberoep in de ethiek', blz. 87.
8 Prachtig is wat Dietrich Bonhoeffer zegt in zijn 'Meditationen über Psalm 119' vers 21: 'Aber es ist der entscheidende Unterschied, ob ich Gott oder ob ich meinen Prinzipien gehorche. Habe ich genug an meinen Prinzipien, dann kann ich das Gebet des Psalmisten nicht verstehen. Lasse ich mir aber von Gott selbst den Weg weisen, dann hänge ich ganz an der Gnade, die sich mir offenbart oder versagt. Dann zittere ich bei jedem Wort, dass ich aus Gottes Mund empfange, schon um das nächste Wort und um die Bewahrung in der Gnade. So bleibe ich auf allen meinen Wegen und Entscheidungen ganz gebunden an die Gnade und keine falsche Sicherkeit kann mich um die lebendige Gemeinschalt mit Gott betrügen."
Geciteerd uit Dietrich Bonhoeffer, Predigten - Auslegungen - Mediationen 1925 -1945,11 München 1985, S. 432-433.
9 Heidelbergse Catechismus, zondag 44, vr. en antw. 115.