Over huwelijk en 'leefvormen' (1)
1992-09-25
Sinds 1984- Jaargang 36
- nummer 20
In het Nederlands Juristenblad van 18 augustus 1984 stond destijds een toen nog vrij schokkend artikel onder de titel 'Het huwelijk de rechtsorde uit'. Het was geschreven door een drietal auteurs, waarvan de Rotterdamse hoogleraar Van Maarseveen wel de bekendste was. In dat artikel werd een pleidooi gevoerd voor de afschaffing van het huwelijk als door de overheid geregelde rechtsverhouding. Hoe dat zou kunnen, wisten ze ook al. Ze wilden het huwelijk laten 'afsterven'. Dat zou kunnen door bij voorbeeld met ingang van 1 januari 1990 geen huwelijken meer overeenkomstig de bepalingen-van het Burgerlijk Wetboek te laten voltrekken en door met ingang van diezelfde datum het verbod om in de kerk een huwelijk te bevestigen, dat niet eerst door de burgerlijke overheid is gesloten (art. 449 van het Wetboek van Strafrecht), te laten vervallen.
Sindsdien is er, maatschappelijk en juridisch, wel het een en ander gebeurd.
Samen wonen werd 'normaal' en elke notaris zal u nu modellen voor samenlevingscontracten kunnen verschaffen.
Zelfs 'schijnhuwelijken' kwamen vaker voor: Die bleken onder bepaalde omstandigheden zelfs 'winstgevend' te zijn.
Ook werd gepleit voor de invoering van de mogelijkheid van een door de overheid te sluiten 'huwelijk' van personen van hetzelfde geslacht. In Denemarken kan dat sinds 1988 en onlangs kon men in de krant lezen van acties om in Duitsland een soortgelijke wetswijziging te bewerkstelligen. Ook werd gepleit voor een kerkelijke 'huwelijks' inzegening voor homosexuele en lesbische paren. Het is een ontwikkeling met tal van aspecten, die ook het kerkelijk leven heel direct raken.
En nieuwe fase
Inmiddels is een en ander ook in Nederland in een nieuwe fase terecht gekomen. In februari jl. kondigde de minister van Justitie Hirsch Ballin aan er naar te willen streven het bovengenoemde verbod een huwelijk kerkelijk te bevestigen, dat niet eerst voor de burgerlijke stand was gesloten, metterdaad af te willen schaffen. Omdat dat verbod "niet meer van deze tijd" zou zijn. Dat gebeurde in een bijeenkomst waarin hem door de burgemeester van Beverwijk een petitie werd overhandigd, ondertekend door maar liefst 147 gemeenten, waarin werd gepleit voor opheffing van het onderscheid in verschillende samenlevingsvormen. De minister verwees daarbij voorts naar het hem in december 1991 overhandigd rapport van de commissie Kortmann over 'leefvormen', waarin voorstellen waren gedaan tot de invoering van twee nieuwe 'registratievormen' naast het huwelijk.
De opheffing van een strafrechtelijk verbod
Ligt, zo kan men zich afvragen, het streven tot afschaffing van dat strafrechtelijk verbod nu in dezelfde lijn als het uit 1984 daterende pleidooi van Van Maarseveen c.s.? Vloeit het voort uit het streven "het huwelijk de rechtsorde uit" te krijgen?
Of is er meer (of minder) aan de hand en spelen nu geheel ándere aspecten een rol? Er is hier zeker reden voor enige voorzichtigheid. Wat precies de motieven zijn van het streven naar afschaffing van dat verbod is nog niet geheel duidelijk.
Het wetsvoorstel zelf is nog niet ingediend al ligt het wel, op het moment dat ik dit schrijf, om advies bij de Raad van State. Wat er in de daarbij behorende toelichting staat is naar buiten toe dus nog niet bekend. Toch is er al wel iets over te zeggen. De minister achtte het verbod "niet meer van deze tijd" en kondigde zijn voornemen aan bij de aanbieding van bóvengenoemde petitie. Bovendien had de minister bij een ander reeds ingediend wetsvoorstel (nI. dat inzake de herziening van het afstammingsrecht) reeds verteld, dat hij de vraag of het wel zinvol was het verbod te handhaven had laten voorleggen aan een commissie die ook advies moest uitbrengen over de eventuele registratie van homosexuele paren. Het geheel wekt in ieder geval niet de indruk, dat de bescherming van het huwelijk of een verruiming van de vrijheid van godsdienst van de kerken - dat zou ook het gevolg zijn van de opheffing van dat verbod - het uitgangspunt is. In het door het departement opgestelde bericht n.a.v. de aangeboden petitie leest men wel dat het schrappen van de verbodsbepaling het in beginsel mogelijk maakt dat ook homosexuele paren in de kerk trouwen. Aangenomen even dat die kerk dat zou willen. Voorts wees de minister daarbij toen naar het komende kabinetsbesluit over het advies van de commissie-Kortmann over 'leefvormen'.
Een besluit, dat (aanvankelijk) voor de afgelopen zomervakantie zou worden genomen. Het kabinet heeft er ook wel een besluit over genomen, maar acht op bepaalde punten toch nog eerst een nader onderzoek nodig. Op de meer definitieve vaststelling van het standpunt van het kabinet zullen we dus nog even moeten wachten.
Andere registratievormen
Wat is nu de betekenis van dat laatstgenoemde rapport over 'Leefvormen' voor het huwelijk? Het rapport is allereerst van belang, omdat het een belangrijke bijdrage betekent - een advies aan de regering - over de opzet van toekomstige wetgeving over allerlei relatievormen. Het vormt de basis voor toekomstige voorstellen tot verandering en aanvulling van de huidige (huwelijks) wetgeving. In dat rapport wordt nu voorgesteld om in de wetgeving naast het huwelijk twee nieuwe 'leefvormen' in te voeren. Náást het huwelijk. Het huwelijk zou dus niet "de rechtsorde uit" gaanafgezien dan even van het reeds genoemd strafrechtelijke verbod voor de kerken - maar blijft als zodanig (in het burgerlijk recht) bestaan. Wel wordt dus voorgesteld twee nieuwe 'registratievormen' in te voeren, waardoor dat huwelijk toch ook officieel aan betekenis zal gaan inboeten. Een 'zware' en een 'lichte' registratievorm. Náást het huwelijk.
De evt. 'zware' samenlevingsvorm zou dan kunnen worden gekozen door diegenen, die, aldus het rapport, "niet willen of kunnen huwen, maar wel- publiekelijk - tot uitdrukking willen brengen een duurzame verantwoordelijkheid ten opzichte van elkaar op zich te willen nemen". Die 'zware' registratievorm zou ook, net zoals bij het huwelijk het geval is, plaats vinden voor een ambtenaar van de burgerlijke stand. De daaraan te verbinden rechtsgevolgen zouden in principe ook gelijk zijn aan die, welke aan een huwelijk verbonden zijn. In principe, schreef ik. Want m.b.t. de evt. kinderen zouden die gevolgen niet geiden in die gevallen, waarin er voor de geregistreerden de zgn. huwelijksbeletselen bestaan. Om het te concretiseren: twee mannen of twee vrouwen zouden dan dus wel voor die zware registratievorm kunnen kiezen maar de aan het huwelijk verbonden rechten en plichten m.b.t. kinderen zouden voor hen niet gelden. De 'lichte' samenlevingsvorm zou dan niet voor de burgerlijke stand tot stand komen maar wel in de GBA (Gemeentelijke Bevolkingsadministratie) geregistreerd worden. De bedoeling daarvan is vooral misbruik te voorkomen van een groot aantal pUbliekrechtelijke regelingen met financiële gevolgen inzake leefvormen. Deze registratie zou dan plaats moeten vinden hetzij op een gemeenschappelijke verklaring van de 'partners' in persoon afgelegd tegenover de GB-administratie of op een schriftelijk stuk, afkomstig van de notaris m.b.t. het hebben van financiële zorg voor de partner. Deze laatste zal daar dan ook een zekere aanspraak op onderhoud t.o.v. de ander mee verkrijgen. lets wat nu niet het geval is. Maar laat ik voordat ik daar iets meer over zeg, eerst terug keren naar de verschillende achtergronden van het huwelijk c.a. voor de overheid en voor de kerk(en).
Twee verschillende rechtssystemen
Het is goed hier nog eens te benadrukken, dat de kerken en de overheid het huwelijk vanuit een sterk verschillende invalshoek zullen (kunnen) bekijken. Ze zullen daaromtrent ook hun eigen regels kunnen vaststellen. Voor die overheid is dat huwelijk vooral een rechtsvorm, bedoeld om bepaalde rechten en verplichtingen voor de gehuwden vast te stellen en om zekere garanties te scheppen voor de evt. kinderen. Kerken zullen een huwelijk, evenals de wijze waarop men binnen dat huwelijk met elkaar omgaat, vanuit een geheel andere en meer fundamentele dimensie bezien, nl. in het licht van Gods geboden. Het gesprek tussen de predikant en het a.s. echtpaar zal ook een geheel ander karakter dragen, dan dat tussen de ambtenaar van de burgerlijke stand met dat a.s. echtpaar. Terecht. Zoals ook het feit, dat er naar overheidsmaatstaf binnen een huwelijk niets bijzonders aan de hand is, nog niet wil zeggen, dat er ook geen reden kan zijn voor een pastoraal gesprek. Zoals ook het samenwonen zonder gehuwd te zijn voor een overheid een geheel andere zaak is dan voor een kerkenraad.
Het verschil in rechtsregiem en rechtsnormen kan ook tot uiting komen m.b.t. de (kerkelijke) huwelijksbevestiging. Wat een kerk wel als huwelijk wil 'bevestigen' of 'inzegenen' of waar in een kerk voorbede voor zal worden gedaan, is (uiteindelijk) een zaak van die kerk zelf. Op grond van de door háár aanvaarde, verkondigde en vast te stellen normen.
Zoals die kerk ook zelf beslist, wat door haar als 'huwelijk in de Bijbelse zin' zal en kan worden erkend. Een directe verbinding tussen hetgeen de overheid deed en hetgeen evt. die kerk verrichtte was er in het recente verleden alleen in het strafrechtelijke verbod, het reeds genoemde art. 449 van het Wetboek van Strafrecht. Het was metterdaad een beperking van de vrijheid van godsdienst maar dan een beperking waarmee we niet ongelukkig behoefden te zijn. Tenslotte is het huwelijk als zodanig een voluit Bijbelse instelling, waar ook de overheid rekening mee heeft te houden en als overheid een zekere verantwoordelijkheid voor draagt. Of die overheid dat zelf nu erkent of niet.
(wordt vervolgd)