Over huwelijk en "leefvormen" (2)

1992-10-09
  • Jaargang 36
  • nummer 21

Verschillende (kerkrechtelijke) benaderingen
Dat kerken binnen het kader van de vrijheid van godsdienst hun eigen normen kunnen vaststellen laat zich bij voorbeeld ook gemakkelijk illustreren aan de hand van de diverse kerkrechtelijke regelingen omtrent het huwelijk. Voor de rooms-katholieke kerk is het huwelijk een sacrament, voor de protestantse kerken niet. In r.k.-opvattingen is een huwelijk alleen geldig indien het gesloten wordt "ten overstaan van de assisterende plaatselijke Ordinaris of pastoor of van een door' een van beiden gedelegeerde priester of diaken" etc .. Voor iemand van reformatorischen huize zal het in het algemeen de overheid zijn, die dat huwelijk sluit. Of er een kerkelijke huwelijksbevestiging of -inzegening of voorbede volgt is niet beslissend voor de vraag of dat huwelijk ook voor die kerk geldt als een rechtsgeldig gesloten huwelijk. De desbetreffende bepalingen in de kerkordes van de diverse reformatorische kerken kunnen daarbij soms ook opmerkelijke verschillen vertonen. Zo wordt er in ons Akkoord van kerkelijk samenleven slechts vrij summier over het huwelijk gesproken.
Nadat daarin is gesteld, dat de kerkeraden er op zullen toezien dat de leden van de gemeente hun huwelijk aangaan overeenkomstig het Woord van God, wordt volstaan met het voorschrift dat "na de burgerlijke voltrekking"
van het huwelijk "de voorbede van de gemeente" zal plaats vinden met schriftuurlijke onderwijzing in de lijn van een daartoe bestemd formulier. Bij de Ned. Herv. Kerk vindt men in die kerkorde een veel uitgebreidere regeling; zelfs een "ordinantie voor zaken van huwelijk en gezinsleden". Daarin ontvangen kerkeraden o.m. de opdracht er zorg voor te dragen, dat de leden der gemeente, "staande voor de vorming van een huisgezin, worden voorbereid op de taak die hun wacht, bij voorkeur door een bijzondere catechese over het huwelijk". Zo is er nóg wel het een en ander te noemen. Bepalingen, die overigens soms door andere kerkelijke besluiten geflankeerd worden. Bovendien kan de besluitvorming in concrete gevallen ook nogal eens verschillen. (Voor wie zich in de geschiedenis van huwelijkssluiting en huwelijksbevestiging wil verdiepen verwijs ik graag naar het nog steeds boeiende boek 'De idee van de kerkelijke huwelijksplechtigheid' uit 1957 van de in 1984 overleden Ned. Geref. predikant Ds. J. Meester.)

Nader onderzoek
Ik wees in het begin al op de voorstellen uit het rapport van de commissie Kortmann over 'Leefvormen'. Ze hebben al geleid tot reacties, waarbij men ook binnen reformatorische kringen bepaald niet op één lijn zat. Politiek niet en ook kerkelijk niet. Laat ik me hier even tot dat laatste beperken. In de Wekker schreef de christ. geref. dr.
C.J. Verplanke (oud-burgemeester van Ridderkerk), dat hij een kerkelijke huwelijksbevestiging ook bij de 'zware registratievorm' zeer wel voor mogelijk hield, terwijl dat door de vrij gem. prof. dr. J. Douma werd afgewezen.
Er is, dunkt me, enige reden tot voorzichtigheid. Allereerst omdat het hier nog slechts voorstellen betreft en het goed is eerst eens af te wachten wat er t.z.t, in de wetgeving van zal terecht komen. Minister Hirsch Ballin heeft in een brief van 16 juli 1992 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer laten weten, dat het kabinet, dat aanvankelijk dacht wel voor de zomervakantie tot een standpunt te kunnen komen, toch eerst nader onderzoek nodig achtte. De minister schrijft in zijn brief, dat het kabinet het uitgangspunt van de commissie onderschrijft dat de wetgever rekening dient te houden met het bestaan van andere leefvormen dan het huwelijk. Voorts is volgens het kabinet van belang, dat "in de praktijk onmiskenbaar een zekere behoefte valt waar te nemen aan een publieke erkenning van twee-relaties waarin de betrokkenen duurzame verantwoordelijkheid voor elkaar op zich nemen. Er dient volgens het kabinet echter eerst een nader onderzoek te komen naar de gevolgen die in het privaatrecht, meer in het bijzonder het familierecht, aan deze registratie verbonden zouden worden. Tegelijk wordt onderkend, dat de huidige praktijk in hoge mate fraudegevoelig is. Vandaar dat het zeker ook van groot belang is in de toekomst te komen tot regelingen, die niet zo fraudegevoelig zullen zijn en toch op de diverse terreinen voldoen aan eisen van praktische uitvoerbaarheid en toepasbaarheid. Een zeker niet overbodige zaak. Alleen al in de Nederlandse wetgeving zijn er enige duizenden (!) bepalingen waarin bepaalde 'leefvormen' rechtsgevolgen met zich mee brengen. Er wordt nu naar gestreefd uit die grote hoeveelheid een goede selectie te maken, de gevolgen van de evt. invoering van een nieuwe registratie te onderzoeken, waarbij ook een onafhankelijk onderzoeksinstituut de opdracht zal krijgen ramingen op te stellen van de financiële consequenties, aan de invoering van een registratie verbonden.
Aangenomen mag worden dat er, voordat een en ander in de wet zal zijn neergelegd, eerst nog wel wat wetgevingswater door de staatsvijver zal stromen. Men behoeft ook niet over veel fantasie te beschikken om te kunnen veronderstellen, dat er van de kant van de diverse politieke fracties in de Tweede Kamer wel diverse amendementen zullen worden ingediend.
Dat in het slot van de brief wordt gesteld, dat het kabinet op belangrijke punten nader onderzoek nodig acht is begrijpelijk. Dat het de voorstellen van de commissie ook een belangrijke bijdrage acht aan het debat over "de gelijke behandeling van de verschillende leefvormen" lijkt me een minder geslaagde formulering. De grondwet schrijft in art. 1 wel voor dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld, niet dat verschillende gevallen gelijk worden behandeld.

Voor nieuwe keuzen
Het zal duidelijk zijn, dat bovengenoemde ontwikkelingen polltlci. kerken en kerkleden in de naaste toekomst voor nieuwe keuzen zullen stellen. Ik noem er enkele van. - Die politici zullen vermoedelijk allereerst gesteld worden voor de vraag, of het strafrechtelijk verbod uit art. 449 van het Wetboek van Strafrecht dient te worden afgeschaft. Wanneer er op gewezen wordt, dat zo de vrijheid van de kerken wordt vergroot en onderstreept, is op zich zelf juist. Tegelijkertijd blijkt daaruit ook dat de overheid zelf duidelijk minder oog krijgt voor het unieke van het huwelijk. Én voor de taak van de overheid m.b.t. de bescherming van het huwelijk als door God gegeven verbintenis tussen één man en één vrouw.
- Vervolgens zullen die politici gesteld kunnen worden voor de keus of ze wel of niet in zullen stemmen met de invoering van die zgn. 'zware registratie'. Hierbij kan worden opgemerkt, dat het huwelijk als zodanig niet alleen kan worden gedevalueerd door het 'de rechtsorde uit' te werken maar dat het ook kan worden uitgehold en aan betekenis kan verliezen door de invoering van alternatieven. Anderzijds kan moeilijk worden ontkend, dat die uitholling door de maatschappelijke ontwikkelingen al een realiteit is. Soms kan het nodig zijn bepaalde voorstellen te aanvaarden omdat niets doen een nog slechtere keus is. Ook in de Bijbel zelf wordt met handhaving van het verbod van echtbreuk de mogelijkheid van een scheiding met scheidbrief geopend.
Wat het voorstel van de commissie Kortmann betreft dient men overigens wel te onderscheiden. Zij die van die zware registratievorm gebrUik zouden kunnen maken zijn nl. niet over één kam te scheren. Allereerst kun je a.s.
'echtparen' tegenkomen, die ook voor het huwelijk als zodanig zouden kunnen kiezen. In het voorstel van de commissie zouden de rechtsgevolgen in beide gevallen gelijk zijn. Dan kun je je afvragen, waarom zij dan toch bewust de keuze van het huwelijk afwezen. Alleen omdat ze beslist niet 'gehuwd' wilden heten? Wellicht onder invloed van de greep van het maatschappelijk individualisme? Daarnaast zijn er gegadigden, die eigenlijk wel zouden willen 'huwen' maar die het eenvoudig niet kunnen. Het huwelijk blijft een verbintenis tussen één man en één vrouw. Zij die als homo's of als lesbiennes een publieke erkenning van hun verhouding zoeken zullen.
trouwens niet tevreden zijn. 'Gehuwd' zullen ze niet mogen heten, al zal de registratie/sluiting voor de ambtenaar van de burgerlijke stand hun ongetwijfeld worden voorgehouden als een tegemoetkoming aan hun wensen.
Maar daarnaast zijn er ook nog anderen, waarvoor een duidelijker en met meer waarborgen omklede relatie wel gewenst kan zijn. Bij voorbeeld in een (familie)relatie, waarbij de een voor de ander zorgt. Aan een duidelijk omschreven rechtsverhouding kan dan zeker behoefte zijn al is er geen enkele reden dat in het vat te gieten van een soortement 'huwelijksrelatie'. - Ook de kerken en de kerkeraden zullen voor nieuwe keuzen kunnen komen te staan. Wanneer het strafrechtelijk verbod van art. 449 van het Wetboek van Strafrecht zal zijn verdwenen, bestaat er, bezien van de kant van de overheid, een héél grote vrijheid. Dan is er in die wetgeving in het geheel geen belemmering meer om te kiezen voor de 'bevestiging' of 'inzegening' van of voorbede voor welke relatie ook. Dat kan ook een positieve kant hebben. Namelijk in die zin, dat er een hernieuwde bezinning optreedt over hetgeen in Gods Woord zelf over het huwelijk wordt voorgeschreven en over wat dat 'persoonlijk én kerkelijk voor onze huwelijksvoorbereiding en huwelijksbevestiging heeft te zeggen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief