Naar een betere verstandhouding met de 'vrijgemaakten'? (1)
1992-10-23
Na de goedbezochte Ontmoetingsdag in Barneveld plaatste het Nederlands Dagblad een foto van een bijna lege tribune. De foto was vroeg genomen, lang niet alle bezoekers waren binnen. Ik betrapte me erop, dat ik me aan die foto ergerde. Daarin was ik niet de enige, want de redactie van het ND kreeg meerdere brieven en telefoontjes. Een paar dagen later stond er dan ook een andere foto in de krant. Deze keer van een overvolle zaal.- Jaargang 36
- nummer 22
Gevoelig
Wat is er aan de hand? Waarom zijn we als nederlands gereformeerden gevoelig voor zulke foto's? Het antwoord ligt voor de hand: het was de krant van de (vrijgemaakt-) gereformeerden. Dezelfde foto in 'Opbouw' zou ons toch minder gestoord hebben.
Onze wegen zijn al bijna 25 jaar gescheiden; toch is er nog altijd sprake van gevoeligheden. Hoe denkt men aan 'de andere kant' over ons? Wat zullen de (vrijgemaakt-) gereformeerde lezers denken als ze zien dat de tribune zó leeg was? Zie je wel: het gaat allemaal toch achteruit bij de nederlands gereformeerden ...
Toch een band
Vaak zijn we het meest gevoelig voor die relaties, die het dichtst bij ons eigen leven komen. Dat is in persoonlijke kontakten zo, maar ook in kerkelijke discussies (een theologische discussie binnen de Rooms-Katholieke kerk zal ons niet snel uit balans brengen). Het feit dat we gevoelig zijn voor het oordeel van de vrijgemaakten, geeft aan dat we ons nog aan hen gebonden weten. Of: liever nog...mét hen verbonden weten. Kennelijk zijn de vrijgemaakt-gereformeerden belangrijk voor ons. We zouden van hen graag (wat meer) erkenning en begrip hebben, positieve belangstelling ook.
Er zijn (vooral, aan het eind van de jaren '60) diepe wonden geslagen. De littekens doen nog altijd pijn, maar het is niet zo dat we los van elkaar zijn komen te staan.
Wederzijds
Omgekeerd zien we hetzelfde patroon. Nog altijd zijn de (vrijgemaakt)-gereformeerden bezig met de ontwikkelingen binnen onze kerken. De toon waarop dat gebeurt is niet altijd plezierig.
We voelen ons soms gekwetst door de manier waarop er geschreven wordt. We hebben dan het gevoel dat men ons geen recht doet, dat bepaalde ontwikkelingen buiten proportie worden benadrukt. We zijn dan wel buiten het verband geraakt, we willen toch graag de zaken in hun verband beoordeeld zien. Toch is het beeld dat veel nederlands gereformeerden van de vrijgemaakten hebben aan herziening toe. Hoewel er altijd al broeders en zusters binnen de vrijgemaakt-
Gereformeerde kerken waren die mild schreven en dachten over onze kerken, lezen we de laatste tijd steeds vaker publicaties die tonen dat men tot een meer genuanceerde beoordeling van onze kerken in staat is.
Kerkelijke besluitvorming
De laatste tijd is er in de kerkelijke pers regelmatig aandacht voor de besluitvorming van de Synodes van Rotterdam-Delfshaven, Amersfoort-West en Hoogeveen. Het feit dat de Open Brief 25 jaar geleden werd geschreven is óók (een) aanleiding geweest tot deze hernieuwde discussie.
Sommige mensen vragen zich nu openlijk af of de kerkelijke discussies wel zo op het scherp van de snede gevoerd moesten worden. De bijdragen in het Nederlands Dagblad illustreren de vragen die er binnen deze kerken leven. Te denken valt o.a. aan de bijdrage die dr. R. Kuiper schreef over de scheuring aan het eind van de jaren '601. In een achtergrondartikel van een hele pagina beschrijft hij de pijn die deze scheuring heeft veroorzaakt en stelt hij ook indringende vragen aan het adres van de vrijgemaakt-Gereformeerde kerken.
Handboeken
De milde toon in recente publicaties komen we niet tegen in de 'officiële' jaarboeken. Wie een serie Handboeken van de (vrijgemaakt-) Gereformeerde kerken doorbladert, leest daar voortdurend in dat het de eigen schuld is van de nederlands gereformeerden dat het zo slecht met hun kerkverband gaat. Vanaf het allereerste begin wordt ook voorspeld dat het slecht met deze kerken af zal lopen. Er bekruipt je zelfs het onbehaaglijke gevoel dat men er bijna op zit te wachten. "Geen opwekkend beeld, maar het was te voorzien. Wie de wind van independentisme zaait, zal de storm van de ontkerkelijking ooçsten'"'. Voortdurend wordt uitgelegd waarom bepaalde besluiten nodig waren. Zelfs in verschillende 'In memoriams' komt deze argumentatie uitgebreid aan de orde.
Hernieuwde diskussies
Wie destijds nauw betrokken was bij Synodebesluiten, zal -als die besluiten zelfs in eigen kring ter diskussie worden gesteld- er ook alles aan doen om aan te tonen dat men het toch bij het rechte eind had. Velen waren en zijn er van overtuigd dat er toen goede besluiten zijn genomen, hoezeer die besluiten als zodanig ook pijn deden.
En dan ga je je zorgen maken als anderen binnen je eigen kerken daar kritische vragen bij plaatsen. In zoverre is het opnieuw uitleggen van de achtergronden van eerder genomen besluiten dan ook (mede) 'een preek voor eigen parochie'.
Open Brief In het Handboek 19923 vinden we een samenvatting van het waarom van bepaalde beslissingen. De auteur val"] het jaaroverzicht (dr. W.G. de Vries) citeert in het kader van de 'herdenking' van de Open Brief prof.dr. J.Douma: "Als er bij ons maar enige liefde, enige lankmoedigheid etc. gevonden zou worden, moest de breuk met de synodaal gereformeerde kerken beslist tot het verleden behoren. Metterdaad hebben bepaalde ondertekenaars en supporters van de Open Brief op dit punt óf de brief nooit begrepen, óf hun woorden ingeslikt". Het liefste zou ik dit citaat zonder kommentaar laten passeren. Omdat ik me (een aantal ondertekenaars kennende) niet voor kan stellen dat zij hun handtekening onder een brief met die strekking zouden zetten, hebikvoordezeke~ heid de letterlijke tekst maar eens uit de vergetelheid opqediept". Inderdaad wordt er in de brief geschreven over kontakten met de (syn.) Gereformeerde kerken (die kwestie speelde immers rond de Tehuisgemeente). De zin zoals Douma deze noemt staat er ook in, maar toch met een m.i. wat andere strekking:"Deze strijd moet toch eens kunnen worden beindigd, indien er enige liefde en enige ontferming is, indien wij niet alleen ons eigen belang zoeken, maar ook dat wat van de ander is". Er staan ook uitspraken in de Open Brief die een andere richting wijzen dan Douma hier suggereert. Om een paar voorbeelden te noemen: "De werkelijkheid is dat...beide kerkengroepen (= synodaal en vrijgemaakt, H.A.) eigen wegen zijn gegaan. Hier zal veel te toetsen en te bespreken zijn, alvorens werkelijke integratie geheel haar beslag zal kunnen krijgen ... Er spelen vragen rondom het Schriftgezag en de Kerkregering". En: "Wij voelen ons gedrongen U als Tehuisgemeente én onze vrijgemaakte kerken vast te houden".
Weer ergens anders: "Want wij begeren geen beëindiging van afzonderlijk vrijgemaakt kerkelijk leven, tenzij God ons anders aanwijst". Deze citaten klinken heel anders dan de suggestie van een 'gemakkelijke overstap' in het betoog van Prof. Douma. Het kost me dan ook de grootste moeite om in de letterlijke tekst van de brief datgene te lezen wat prof. Douma er (blijkens dit citaat in het Handboek) in leest. Naar mijn mening doet Douma aan de inhoud van de brief in dit citaat geen recht en doet hij dan ook (een aantal?) ondertekenaars onrecht aan. Misschien zijn dat in de ogen van Douma degenen die die de brief niet hebben begrepen of die hun woorden hebben ingeslikt. Douma noemt dit weliswaar positief te waarderen; m.i. is het op zijn minst aanmatigend om zulke uitspraken over een aantal ondertekenaars te doen: je kunt deze zin ook zo lezen dat de ondertekenaars onvoldoende hebben nagedacht of niet helemaal betrouwbaar zijn (ze komen niet voor hun fouten uit, hebben ze ingeslikt). Voor verdere argumentatie op dit punt kan worden verwezen naar de publikaties van Ds. van der Kwast in Opbouw".
Olie op het vuur
De vraag kan nog gesteld worden of de samenwerking met de (synodaal)-gereformeerde kerken het belangrijkste punt was in de Open Brief. Zelf lees ik in de brief aan de ene kant de zorg voor de Tehuisgemeente: blijf alsjeblieft binnen ons kerkverband.
Aan de andere kant is er een bezorgdheid over het accent dat de vrijmaking kreeg (o.a. via de eigen organisaties; het zo genoemde 'vrijmakingsgeloof'). Werd zo het hart niet gemakkelijk van Jezus Christus afgetrokken? Overigens (en dit terzijde): men kan zich afvragen of de toonzetting van de Open Brief niet anders had gekund.
Weliswaar was de toon van (later) binnenverbandse zijde veel scherper, gezien de felheid van diskussies in de kerkelijke pers van die tijd is het geen wonder dat de woordkeus in de Open Brief als olie op het vuur ging werken", En heeft de 'opbouw-fase' waarin de vrijgemaakte kerken en organisaties verkeerden ook niet gemaakt dat sommigen furieus meenden te moeten reageren op alles wat een bedreiging voor datgene wat men net aan het opbouwen was in zou kunnen houden?
Aan de andere kant kan men zich - de Handboeken uit die tijd lezende - afvragen of de sfeer niet al z6 was geworden dat men elkaar niet meer goed k6n verstaan. Was er niet -ook zonder de Open Brief- een andere kwestie ontstaan waar het kerkelijke schip op zou stranden? (Een vraag terzijde is nog: hoe objectief moet een jaaroverzicht zijn? De auteurs in de Handboeken uit de jaren '60 steken hun positiekeuze bepaald niet onder stoelen of banken. Daarmee zijn ook de jaaroverzichten een instrument in deze onverkwikkelijke kerkstrijd geworden).
Gekleurde bril
Het gaat me niet om een hernieuwde discussie over de inhoud van de Open Brief. Eigenlijk wilde ik die brief niet eens noemen. En t6ch gebeurde het. Wie in het verleden duikt om te kijken of een beoordeling juist is geweest stuit kennelijk maar al te gemakkelijk op muren van elkaar verkeerd begrijpen.
Waar je (of je nu wilt of niet) al lezende tegen aan loopt is de vraag hoe christenen zó uit elkaar kunnen groeien, dat ze elkaar absoluut niet meer lijken te kunnen verstaan. Wat is er aan de hand als mensen z6 verschillend een stuk tekst interpreteren?
Heeft de lezer zoveel ándere informatie achter de hand"? Of speelt de historische context zo'n grote rol''? Ben ik misschien zelf zo beïnvloed? In ieder geval bevordert het lezen met een gekleurde bril niet het wederzijds begrip. Het is ook een vreemd idee om te moeten konstateren dat een ánder zegt beter op de hoogte te zijn van de bedoeling van een brief dan de (op zijn minst: een aantal) ondertekenaars zelf. Sommigen ondertekenaars hebben met stijgende verbazing moeten konstateren wat anderen erin meenden te kunnen lezen. Opnieuw de vraag: ligt dat nu aan de ondertekenaar of is er ook iets aan de hand met de bril van de lezer?
Noten:
1 Dr. R. Kuiper in het Nederlands Dagblad, 5 september 1992.
2 Dr. W.G. de Vries in het Jaaroverzicht van het Handboek 1984.
3 Handboek 1992 ten dienste van de Gereformeerde kerken in Nederland. Redaktie: Or W.G. de Vries. Uitgave: Oosterbaan & Le Contre, Goes, 384 pagina's, f 15,50
4 De Open Brief staat grotendeels afgedrukt in: Dr. C.N. Impeta, Kaart van kerkelijk Nederland (Kok, Kampen. 1972).
De volledige tekst is te vinden in de bijlage van 'Een kerk ging stuk' (Ds. G. van den Brink, Ds. H.J. van der Kwast, Buijten & Schipperheijn, 1992).
5 Ds. H.J. van der Kwast: Na 25 jaar. In 'Opbouw', 1991/23 en 1991/24.
6 Zie ook drs. O. Mooiweer in een interview in 'Kerk', september 1992.
7 Zo wijst Ds. B.J.F. Schoep er op dat men mogelijk de Open Brief mede heeft gelezen in het licht van een publikatie van zijn hand in 'Woord en wereld'. Hij vindt het nietterecht dat andere ondertekenaars op dezepublikatie beoordeeld worden. Zie: Kerk, september 1992.
8 Ds. A.J. Moggré noemt in een serie artikelen in de Kerkbode van Nederlands Gereformeerde kerken (juni t/m oktober 1992) de steeds hernieuwde pogingen in de jaren na de Vrijmaking tot samenspreking met de (synodaal-) Gereformeerde kerken. Deze kontakten leidden een aantal malen tot overgangen van predikanten en gemeenteleden naar deze kerken. In hoeverre heeft de beoordeling van de Open Brief aan het eind van de jaren '60 met die voorgeschiedenis te maken?