De zevende missie naar Bangui (1)
1992-10-23
Het afgelopen voorjaar was het voor de zevende maal dat er twee gastdocenten uit onze gelederen richting Bangui vertrokken.- Jaargang 36
- nummer 22
Om uw geheugen op te frissen: Bangui is de hoofdstad van de Centraal Afrikaanse Republiek.
Daar is sinds 1977 gevestigd de FATEB - Faculté de Théologie Evangélique de Bangui. Aan deze theologische faculteit wordt gestudeerd door studenten uit een groot aantal franstalige landen in Afrika, van Senegal tot Madagascar en van Tsjaad tot Zare. In het begin van de jaren tachtig werd door de toenmalige rector van de faculteit aan ds H.de Jong (toen nog predikant in Amsterdam-Centrum) het verzoek gericht om een helpende hand te bieden op het vlak van het onderwijs. De gastcolleges, onder de paraplu van de Stichting Evangelische Toerusting Afrika (EvTA), zijn het antwoord geweest op dat verzoek. Vandaar: de zevende missie naar Bangui.
Waardevast in elke culturele omgeving
Enkele dagen voordat we richting Bangui vertrokken, ds De Jong voor de vierde maal, ikzelf voor het eerst, las ik in Trouw het verhaal van de Ghanese predikant dr Kwame Bediako. Op uitnodiging van de raad voor de zending van de Nederlands Hervormde Kerk, bracht hij een bezoek aan ons land. Het artikel trok de aandacht, alleen al omdat het alle voor Trouw helaas zo kenmerkend geworden cynisme miste. De boodschap van dr Bediako kwam erop neer, dat het christendom, in onverschillig welke culturele omgeving dezelfde waarde heeft. "Wat het christendom onderscheidt van bijna alle andere religies is het feit dat het heel goed vertaalbaar blijkt in willekeurig welke culturele setting dan ook". De reden: "De bijbel valt niet samen met de westerse cultuur" . Het was bemoedigend om deze waarheid zwart op wit op de kerk-pagina van bovengenoemd dagblad tegen te komen. Het christendom is niet een vrucht van de westerse cultuur, maar een vrucht van het Woord dat inwerkt op iedere cultuur. Dat Woord is heel vaak wel meegekomen met het westerse kolonialisme, maar valt er niet mee samen. Het is Christus zelf, die in het gewaad van de Schriften, uitgaat tot ieder volk. Want, zo vervolgt dr Bediako: "Net als op het Pinksterfeest spreekt Christus ieder van ons toe in zijn eigen taal. De blijde boodschap komt in het Hebreeuws even trefzeker over als in het oud-Grieks (bedoeld zal zijn: het koinè-Grieks, AMvL), in het Nederlands even goed als in het Twi (Ghanees). Er is ook niet, als bij de Islam, een bepaalde cultische taal (Arabisch) nodig om als gelovige in contact te kunnen treden met God. Het christendom is volstrekt universeel. Het heeft in elke culturele uitdrukkingsvorm dezelfde gelovige diepgang.
Dat is ook de reden waarom het christendom in de derde wereld niet onderging met het verdwijnen van het westers kolonialisme, maar juist sterk groeide".
Niet ledig keert het tot Mij weer
Wat kunnen wij als christenen uit een ontkerkelijkend Europa de Afrikaanse kerken bieden? In een tijd dat de westerse cultuur van alle kanten haar imperialistisch karakter verweten wordt, en tegelijk een enorme aantrekkingskracht uitoefent? Als we iets voor elkaar willen betekenen, dan zal dat altijd te maken moeten hebben met het Woord van God, dat aan geen cultuur gebonden is. Tijdens ons verblijf in Bangui is ds De Jong met 'zijn' studenten door de Hebreeuwse tekst van Jesaja 40 t/m 55 gekropen. Geen geringe opgave om dat binnen vier weken te doen. Ik had er eerlijk gezegd mijn twijfels over.
Samen hebben ze in het zweet huns aanschijns het eindpunt bereikt: het vijf en vijftigste hoofdstuk, over het Woord dat uitgaat uit de mond des HEREN; en dat niet ledig, niet onverrichterzake, tot Hem terugkeert. Want het doet wat Hem behaagt en volbrengt dat waartoe Hij het zendt.
Wat we te doen hebben is niet meer, maar ook niet minder dan onze diensten aanbieden in het verstaan van dát Woord.
Beperkte middelen - grote inzet
De omstandigheden waaronder de studenten van de FATEB hun vijfjarige studieprogramma moeten afwerken zijn zwaar. Het klimaat is, ook voor Afrikaanse begrippen, ongunstig: warm en vochtig, met maar weinig afkoeling 's nachts. Ik sprak nogal wat studenten die 's nachts om drie uur opstonden en dan tot zes uur studeerden, omdat hun dat tijdens de hitte van de dag nauwelijks lukte. Waar gestudeerd wordt is een bibliotheek een eerste vereiste. Er is in Bangui heel wat opgebouwd. Maar voor onze begrippen is het toch maar pover. Vanuit Dronten kom ik met enige regelmaat in Kampen, waar zich op steenworp afstand twee goedvoorziene theologische bibliotheken bevinden. Je vraagt je af: zullen wij van die rijkdom nog eens rekenschap moeten geven? Vanuit de recente historie is het ontstaan van twee bibliotheken zo dicht bij elkaar niet zo moeilijk te verklaren en ook nog wel te begrijpen. Uitleggen aan een ander wordt al moeilijker. En of het, gezien de situatie elders in de wereld, ook te verantwoorden is ...?
Het aantal leermiddelen in Bangui mag dan beperkt zijn, er is een grote gretigheid om te komen tot verdieping van de kennis van de Schrift in de grondtalen. Men wil geen kennis uit de tweede hand. Daarom hebben we bijvoorbeeld hard geoefend in het hanteren van het kritisch apparaat bij de uitgave van het Nieuwe Testament in het Grieks van Nestlé-Aland. Inzet is er ook wat het persoonlijke leven betreft. De FATEB: een faculteitsgebouw, met daar omheen een leefgemeenschap, waar de studenten voor het merendeel met hun gezin wonen. Ik heb er ontmoet die al vier jaar niet thuis waren geweest, alle kinderen geboren in Bangui. Geld om tijdens de zomervakantie de reis naar huis te maken was er niet. En dat in Afrika, waar de familieband zo'n grot rol speelt. Over opoffering gesproken!
Het Woord dat op het leven inwerkt
Heeft ds De Jong zich bij zijn colleges geconcentreerd op de profetieën van Jesaja, zelf heb ik aandacht geschonken aan de opbouw van het boek Openbaring en gesproken over de plaats die de wet in het nieuwe verbond krijgt krachtens de brieven van Paulus. Zeker wat het laatste onderwerp betreft krijg je de kans niet om het te behandelen los van depraktijk. De kerken in Afrika, voortgekomen uit de zending van westerse kerken van verschillende herkomst, profileren zich nogal eens door de bijzondere regels die men in acht neemt: niet drinken, niet roken, het heffen van de tienden.
Die eenvoudig te hanteren huisregels, meer gebaseerd op een traditie dan op de Schrift, worden voor de kerkleden al gauw het kenmerk van het ware, een 'wet' waarop men naar buiten toe trots is.
Alle reden dus om bijzondere aandacht te schenken aan de verhouding tussen Schrift en traditie. Onder omstandigheden kan de traditie om af tezien van ieder gebruik van alcohol een heilzame werking hebben. Het moet echter wel duidelijk zijn dat het om een traditie gaat, niet om een voorschrift van de Here. Vervaagt dat besef, dan verwordt een gedragsregel tot een nieuwe wet, met alle gevolgen van dien. Het vreemde doet zich trouwens voor, dat je vanuit de Afrikaanse situatie met andere ogen gaat kijken naar de tradities die we zelf kennen. De offervaardigheid is in de Afrikaanse kerken een gevoelig punt. Het besef moet nog doorgroeien dat het dienen van de Here niet alleen beslag legt op je hart, maar ook op je geld en goed. Waarbij het er niet toe doet of je van het laatste veel of weinig hebt. In de kerkdiensten in Bangui werd van de collectes wel een hele toestand gemaakt, maar de opbrengst was - ook in verhoudinglaag.
De traditie die bij ons gegroeid is om naast het houden van collectes Vaste Vrijwillige Bijdragen te heffen is daar onbekend. Terwijl dat bij ons toch een bron is niet alleen om hier de eredienst in stand te houden, maar ook om anderen bij te kunnen staan. Nu zal ik de laatste zijn om te zeggen dat we met die instelling niet beter om kunnen gaan. We hoeven met zo'n traditie niet tevreden te wezen, om er toch dankbaar voor te kunnen zijn.
Dienaren van hetzelfde Woord
Zeker voor mijzelf, voor het eerst gedropt midden op het Afrikaanse continent, was het een ervaring om je daar vrijwel meteen thuis te kunnen voelen. Dat kwam niet door het klimaat, waar je in een paar weken niet echt aan went. Dat heeft wel te maken met die wonderlijke gemeenschap die, met een variatie op Efeziërs 2:10, "God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen". Daarbij kwam nog iets anders. Onder de studenten zijn er die rond de twintig zijn.
Een groot aantal heeft echter enige jaren predikants-ervaring. Als gastdocent mag je dus meehelpen aan de vorming van mensen die dienaren zijn van hetzelfde Woord, collega's.
Dat betekent dat er buiten, maar toch ook tijdens de colleges heel wat dingen uit de praktijk van het gemeenteleven worden besproken. Ook al verschilt de situatie in Afrika aanzienlijk van die in ons land.
Zo hebben we heel wat gesproken over de plaats van de ouderling. In tegenstelling tot de situatie in onze zwarte zusterkerken in Zuid Afrika, bleek het vinden van ouderlingen over het algemeen niet zo'n toer te zijn. Het is een ambt dat werkelijk begeerd wordt. De reden daarvoor ligt eigenlijk wel voor de hand. In de Afrikaanse context is 'oudste'-zijn een erezaak. De begeerte naar het ambt strekt zich daarom vaker uit naar de status dan naar de taak van oudste. Terwijl het nu juist dat laatste aspect is, waar Paulus het in 1Timotheüs 3:1 over heeft. Vanuit de Schrift gezien is het oudste-zijn niet in de eerste plaats een erebaan, maar het is dienst-werk. En als een ambtsdrager dat goed doet, dán is hij dubbele eer waard.
Aan de andere kant, wij tillen vaak zo zwaar aan het werk van een ouderling, dat we dat alleen daarom al graag aan een ander overlaten. Ook daar schiet de gemeente weinig mee op.
Dat er doorgaans in Afrika meer respect is voor het grijze haar dan bij ons, daar is veel goeds van te zeggen.
Maar ook dat culturele gegeven moet, zoals al onze tradities, door het Woord geheiligd worden. Door het Woord dat aan geen cultuur gebonden is.