De onrechtvaardige Rechter?
1992-11-06
Er was eens een rechter. Hij was geen beste. Hij wilde niet, bekommerde zich niet, stoorde zich niet. Een weduwe was zijn getergde slachtoffer. Zij klaagde een zekere tegenpartij aan.- Jaargang 36
- nummer 23
Het is een duidelijk verhaal waar Jezus in Luk. 18 mee komt. Maar achteraf blijven we met één vraag zitten.
't Gaat me om die rechter, eigenlijk om heel het verhaal.
In het verhaal neemt de rechter namelijk de plaats in van ... God zelf. Ik weet wel, we moeten het geschikt lezen; we moeten maar denken aan de vergelijking tussen de hemelse goede Vader en de aardse slechte vaders (Luk. 13); datzelfde 'hoeveel te meer' horen we in de gelijkenis van de rechter. Maar toch, de vergelijking Vader-vader is nog draaglijk. Die van Hemel rechter onrechtvaardige rechter niet!
Wie zal een onrechtvaardige rechteral is het maar in een verhaaltje - op de troon van God durven zetten. Wie waagt het de Heré met een onrechtvaardige Rechter te vergelijken of Hem zelfs zo te noemen.
Ik denk vélen. Wie heeft er niet een schoolkameraad of een kollega die blijkens laatdunkende uitlatingen weigert te geloven in zo'n onrechtvaardige God. Wie hoort nóóit een duivel in zijn éigen hart die hem toefluistert: jouw God doet onrecht. Wie kent niet de vrome Job. Luister wat hij heeft gezegd (24:12): God slaat geen acht op het gebed. Lees hoe Job de weduwe (!) ten tonele voert om te bewijzen dat bidden geen zin heeft. Er zijn er, die de koe van de weduwe te pand nemen, haar laatste levensonderhoud.
Er zijn er, die de wees van de moederborst roven. Job spreekt er schande van. De stervenden kunnen kermen en de gewonden om hulp roepen, God slaat geen acht op het gebed.
Hier wordt toch op een pijnlijke manier de onjuistheid van Jezus' boodschap aan het licht gebracht...
Of, is het een kwestie van léf geweest, dat Jezus deze draad heeft opgepakt.
Meer dan Job is hier. Hij dreigt met zijn onrechtvaardige rechter de toehoorders op het verkeerde been te zetten, maar Hij vàngt ze. Hij gaat even mee in hun boze denkbeelden, maar dan roept Hij ze terug: De gemeente van Christus lijkt een weduwe. In werkelijkheid is ze de bruid van de Here: uitverkoren (18:7).
God zelf lijkt een onrechtvaardige rechter. In werkelijkheid 'stoort' Hij zich juist wél aan de mensen.
Nu moeten we wel eerlijk zijn. Hiermee hebben we niet ineens de oplossing van ons raadsel. De kreten van Job mogen dan generaliserend zijn geweest (in reactie op de generaliserende vrienden waarschijnlijk), iets daarvan blijft bestaan. Waaróm lijkt het zo op die gelijkenis.
Ik heb tegen de catechisanten weleens gezegd: Welk onrecht moet God dan afstraffen en welk niet. Stel je voor dat God ieder onrecht onmiddellijk zou beantwoorden met recht, dan zou de menselijke verantwoordelijkheid elke minuut vastlopen. Dan zou de geschiedenis geen loop meer hebben. Dan zou dat het einde betekenen.
Toch is dat niet een sluitend antwoord. Want daarop volgt logisch: Laat het einde maar komen. Hoe kàn God het nog aanzien, zoveel onrecht. Dat is de vraag van Habakuk. En de zielen onder het altaar vragen iets dergelijks.
In de gelijkenis van de rechter komt op deze vragen niét een antwoord.
Wat komt er dan wel. Jezus heeft natuurlijk weet van de machteloze woede, die over ons kan komen. Wie kan dat gevoel beter vertolken dan de weduwe, die Hij in de gelijkenis opvoert.
Nieuw, althans voor de toehoorders, is de invalshoek van Jezus: Machteloze woede? Ja, zo ervaart een mens dat.
God slaat geen acht op het gebed. Ik leer je het omgekeerde: de màcht van het aanhoudend bidden. Dat is meteen al de opening van de gelijkenis.
En dan het slot: Hen die dag en nacht tot Hem roepen, laat Hij niet wachten.
Hij is lankmoedig over hen, zegt de oude vertaling. Hij wacht met ingrijpen. "Doe iets, mensen van de politie!"
roept een doodsbenauwde moeder: "Haal mijn kind weg bij die ontvoerders!"
En ze herhaalt haar noodkreet. En nog eens. Onderwijl wordt natuurlijk! - koortsachtig aan de zaak gewerkt.
Dat bedoelt Jezus met zijn 'spoedig recht'. Er wordt koortsachtig gewerkt aan een goede afloop. Het duurt niet langer dan noodzakelijk. Heb vertrouwen.
Zal de Zoon des mensen nog geloof vinden als Hij komt. Dat biddende, volhardende geloof. Het geloof, dat gelooft dat God recht verschaft. Het geloof, dat daarom roept. Het geloof, dat weigert om met de ongeloofsvragen mee te gaan. Nieuwsberichten over onrecht uit de hele wereld kunnen ons tot razernij drijven. Sommigen gaan vloeken.
Jullie toch niet. Jullie bidden toch.
Jullie geloven toch, vertrouwen toch.
Het recht komt.
Kén je de Rechter. Wéét je van die geruchtmakende rechtszitting, waarbij Hij jullie vrijsprak. Bij zo'n Rechter dien je toch niet moties van wantrouwen in. Niet vloeken. Stil maar, wacht maar. Of nee: bid maar, wacht maar.