Geloofsdenken is geen theologie

1992-11-06
  • Jaargang 36
  • nummer 23
Volgens ds de Jong in Opbouw (9.10,92,pg.376) "draagt elke geloofsvoorstelling een theologisch kleed. En maar goed ook want zo blijven de dingen van het geloof bespreekbaar". Naar hijzelf opmerkt ligt hier zijn "grootste bezwaar tegen de theologievrije zone" waarin ik de kerkdienst zou willen plaatsen, naar ds de Jong meent.Deze paar gedachten bevatten nogal wat misverstanden, maar ook echte meningsverschillen. Een en ander wil ik weer bespreken aan de hand van enkele praktische voorbeelden.

Theorie en praktijk. ook in de kerk
Ook al weet men dat op allerlei gebied, o.a. ook in de kerk, er een heel verschil kan zijn tussen theorie en praktijk, dan is het nog lang niet zeker dat men deze twee ook wetenschappelijk (d.w.z.theoretisch) tegenover elkaar kan definiëren, om haarfijn te kunnen zeggen waarin nu precies het verschil zit. Om dit wel te kunnen, moet men keuzen gemaakt hebben in problemen van de kennistheorie, van de wetenschapstheorie, en in de theorie over de verhouding tussen wetenschap en praktijk. Welnu, dat is gewoon filosofisch vakwerk, dat lang niet iedereen beheerst en dat gelukkig ook lang niet iedereen hoeft te kunnen om toch het verschil tussen theorie en praktijk te beseffen en als onderscheiding zinvol te kunnen gebruiken.

Behalve een wetenschappelijk verstandsgebruik is er ook, en zelfs primair, een praktisch verstandsgebruik, dat men (in de kennistheorie) met allerlei namen aanduidt, zoals: naïeve ervaringskennis, alledaags spraakgebruik, primaire kennis, intuitief inzicht, en dergelijke. Zoals al eerder gezegd, de hele rationalistische trend binnen de Westerse cultuur heeft dat alles als kinderlijk, naïef, onontwikkeld, onhelder, gebrekkig, niet-exact, onwetenschappelijk, vaag, gediskwalificeerd, niet zelden zelfs geminacht. Ook de theologie en de kerken hebben deze wereldgelijkvormige denkwijze veelszins overgenomen, al zit er in het christelijk geloof wel een (niet- wetenschappelijke) rem op die ontsporing.
De wijsbegeerte heeft hier m.Î. de grootste schuld. Die heeft niet ingezien en, gegeven haar niet-christelijke geloofsbasis van haar begin af, ook niet kunnen inzien, hoe de antropologische structuur van de menselijke kennis er (in het licht van de Schrift) uitziet.

Geloofspraktijk en geloofstheorie
Wanneer wij gelovig beleven en bel ijden dat wij in onze kerkdiensten de Here ontmoeten in gebed en dankzegging, in lofzang
en avondmaalsviering, in de prediking en in het luisteren daar naar, dan is dat een kerkelijke geloofsbeleving, en duidelijk niet een theologische exercitie. Het is geloofspraktijk, inclusief het praktische, niet-theoretische geloofsdenken en geloofsspreken.
Het zou zowel een praktische als een wetenschappelijke dwaling zijn om christelijk geloofsdenken theologie te noemen. Dan zou men de eigen aard van beide miskennen.
In hoeverre er in de praktijk invloeden zijn waar te nemen van theologische opvattingen, is een andere zaak. Er bestaat inderdaad in de levenspraktijk behalve een voor-theoretisch praktisch denken en spreken ook een na- theoretisch praktisch denken en spreken, dat vaak herkenbaar beïnvloed is door theorie. Dat is op ons Westerse cultuurniveau ook normaal en legitiem. Maar het gaat er nu eerst om de verschijnselen in het leven bij hun ware naam en "naar hun aard" te benoemen en van elkaar te onderscheiden. Zo ook geloofspraktijk enerzijds en theoretische theologie anderzijds.
De uitdrukking "theoretische theologie"gebruik ik vaak voor de duidelijkheid, hoewel deze term een pleonasme is. Theologie is een wetenschap en alle (echte) wetenschap is theoretisch. "Praktische theologie" bestaat niet. Deze nog vaak gebruikte uitdrukking is een contradictio in terminis .Zij verwart aard met object. De achtergrond daarvan is dat men, in de lijn van Aristoteles, meent dat de aard of structuur der menselijke activiteiten bepaald wordt door het object of het doel.

Is de profetie onbespreekbaar en onaantastbaar?
Daarmee is niet gezegd (wat De Jong schijnt te denken) dat het praktischbijbelse en gelovig spreken in (en over) de kerk en bij de doopsbediening "idealistisch" is, onaantastbaar, ontoegankelijk voor kritiek, onveranderbaar, niet voor discussie vatbaar, en wat dies meer zij. Allerminst. En dat niet omdat er zoveel (wèl bespreekbare) theologie in dat "profetisch" spreken zit (wat kàn maar niet hoeft). Maar gewoon omdat ook het kerkelijk en persoonlijk geloofsbeleven en geloofsbelijden gebrekkig is, zoals de Jong terecht beklemtoont. Het is daarom zeker vatbaar voor discussie en eventuele wijziging van standpunt. Wanneer er geloofsgenoten of kerkgenoten zijn die hun vaste geloofsovertuigingen en geloofsinterpretaties identificeren met het profetische Woord van God zelf, dan moeten we hen tot de orde roepen. Dan krijgt ds De Jong inderdaad gelijk dat een profetische allure en pretentie een zinvolle discussie vrijwel onmogelijk maakt. Dan worden eigen geloofsopvattingen verabsoluteerd en boven discussie verheven geacht, en gepresenteerd met het opschrift "Zo zegt de Here".

Gebreken bij voorgangers en gemeenteleden
Vermoedelijk zijn er in elke orthodoxe kerk wel broeders en zusters die aan dit euvel mank gaan. Wanneer sommigen zich daarbij zouden beroepen op het verschil tussen (profetisch) geloof en (theoretische) theologie, dan is dat een verkeerd gebruik van een goede onderscheiding. Eigen geloofsovertuiging kan inderdaad profetisch zijn, men kan overtuigd zijn dat het in overeenstemming is met "het profetische Woord", maar daarom is het nog wel een feilbaar menselijk spreken. Dat belijden we zelfs van onze officiële kerkelijke confessies. Er is immers ook te goeder trouw dwalende profetie, die nog niet hetzelfde is als wat de bijbel noemt "valse profetie". Zoals er aan de andere zijde ook nogal wat dominees zijn die hun theologische opvattingen en kerk- of literatuurhistorische inzichten (al of niet met profetische allures) vereenzelvigen met Gods eigen Woord of met "Schrift en belijdenis", en die deze meningen dan ook vrijmoedig (of onbewust) een plaats geven in de verkondiging. Dit gebeurt des te gemakkelijker omdat wij in de christelijke traditie nooit scherp hebben leren onderscheiden tussen geloof en theologie. Ook in de predikantsopleiding niet.
Goede profetie sluit dus geen geloofsdiscussie uit, noch eventuele wijziging van opvatting, op grond van onderlinge gedachtewisseling. Wel moet helaas gezegd worden dat theologische discussie wel vaak de profetie uitsluit of gering acht wegens de ongeschooldheid van het "volksgeloof".

Preken
Zoals iedereen weet geldt dat ook voor de preek, die terecht genoemd mag worden: de verkondiging van Gods Woord. Deze prachtige en voor de ambtsdragers zeer eervolle betiteling is ook geen "idealisme", dat in strijd kan zijn met de werkelijkheid. Nee, het is de "profetische" aanduiding van de preek door gelovige mensen, die weten dat door en zelfs ondanks alle gebrekkige menselijke kanten aan de preek, toch God daarin tot ons spreekt. Het is een praktische geloofsbetiteling.
En als wij soms vinden dat het een zeer zwakke, gebrekkige en ten dele beslist onjuiste preek was, dan doet dat niets af van de principiële juistheid van de algemene geloofsuitspraak, dat de (goede) kerkelijke prediking de verkondiging van Gods Woord zelf is en behoort te zijn.

Kerk en theologie. Preek en homiletiek.
In de "homiletiek", de theorie inzake de kerkelijke verkondiging, is men met zulk een praktisch en profetisch oordeel nog lang niet klaar, zelfs nauwelijks begonnen. Er komt veel en veel meer bij kijken in de theoretische beschouwing van de (menselijke zijde der) verkondiging. Maar gelukkig heeft de overgrote meerderheid der kerkleden daar geen verstand van en geen interesse voor. Men kan en wil best na de dienst over de preken praten, en ook op huisbezoek bijvoorbeeld. Maar dat blijft dan geheel in de sfeer en in de denk-houding van het praktisch en gelovig gemeenteleven. En dat is van niets minder waarde, en van niets minder betekenis voor ons geloofsleven dan theologische (theoretische) discussies over de (of een) preek. In tegendeel!
Zulk een praktische en eventueel kritische preekbespreking in de gemeente is in belangrijke mate inderdaad "theologie-vrij". Tenzij het onderling kerkelijk verkeer grotendeels vertheoretiseerd en vertheologiseerd is, onder de bevoogdende heerschappij van het theologisch-clericale complex. Dit is nl. niet denkbeeldig, gezien bijv. de r.k.kerk, de grote protestantse volkskerken en de kerkelijke tradities in het algemeen.

Doopsbediening
Zo is het ook met een doopsbediening. Voor ons als gelovige ouders en als gelovige gemeente is dan Gods belofte het centrum van onze geloofsbeleving daarbij. Daarom danken we God ook na de doop. En we spreken tot God over "dit Uw kind". Als dat een theoretisch, theologisch spreken was, dan zou men kunnen zeggen: dat klopt lang niet altijd, dat is "idealisme", of automatische vereenzelviging van norm en feit. En als we dan in die theoretische beschouwing zouden volharden, moeten we er ook nog een oplossing voor zoeken. Eén van die oplossingen, m.i.onbevredigend maar nog lang de slechtste niet, is dan deze dat we zeggen: ja, maar er zijn twee soorten kinderen van het verbond: gehoorzame en niet-gehoorzame. Een andere theoretische oplossing is deze, dat men dan maar veronderstelt, dat deze kinderen wedergeboren zijn of zullen worden. Weer een andere oplossing is, dat men voorlopig en voorzichtigheidshalve maar veronderstelt dat ze niet wedergeboren zijn, in de hoop dat die wedergeboorte later nog plaats zal vinden. Beter déze (theoretische, theologische) onzekerheid of hoop, dan een ingebeelde valse (geloofs)zekerheid.
Maar in al deze drie gevallen doen we afbreuk aan de blijdschap van de gelóófszekerheid, die in de dankzegging na de doop aan het woord komt. We houden dan met elk van die drie theorieën immers in ons achterhoofd, dat het belangrijkste toch maar een zeer onzekere zaak is. Of het goed komt, dat zit nog. Kijk maar eens naar de praktijk van de kerkverlating.

Bidden en precieser theologiseren, maar alles op zijn tijd
Toch, ook in de praktische en dankbare geloofshouding zijn we niet onnozel, en weten we, zowel uit de praktijk als uit de Schrift, dat er heel wat gedoopten zijn, die het later laten afweten, die breken met God en zijn dienst.
Deze schaduw is zeer reëel, ook als we bij het doopvont staan. Naar ik meen moeten we dan niet vluchten in theorieën die deze schaduw fixeren en nog dieper maken, en zo ons toch al aangevochten geloof in Gods vaste beloften onbedoeld nog meer ondermijnen en wankel maken. Dit nog eens weer met een theorie waarin volledigheidshalve ook voorzien is in de abnormale, zij het veelvoorkomende realiteit dat het inderdaad niet goed schijnt te komen met "dit Uw kind".
Nee, dan doen we precies wat het doopsformulier zelf in het dankgebed ons leert, nl. dan gaan we bidden.
Want we weten dat ook met Gods beloften bij ons, het niet allemaal vanzelf en vanzelfsprekend goed komt. Op die manier gaat God niet met ons om. Het gebed wordt dan reëel en dringend, ja smekend. Zonder dat de sfeer en de blijdschap van het gelóóf en háár zekerheid die we aan Gods trouwen beloften te danken hebben, worden afgebroken. We zoeken in de situatie bij het doopvont geen theoretische, theologische oplossing, want die is er niet. Als we het wel proberen, dan . praten we of de dankbaarheid, of de vrees en onzekerheid onszelf maar aan. Want er is hier geen theologische zekerheid, geen theologische garantie, geen theoretische helderheid, geen kloppend systeem mogelijk.

Geloven in eigen theologie
Wie meent dat dit laatstgenoemde wel mogelijk is, heeft zijn geloof en vertrouwen op menselijk theoretiseren gezet. Hij (zij) gelooft op zulke momenten meer in de theologie dan in Gods beloften. Soms zo hardnekkig, dat in voorkomende gevallen de theorie moet worden aangepast met (niet gegarandeerde en onzekerheid insluitende) veronderstellingen. Zelfs die theologie kan dan nog verder opgehemeld worden tot dàt profetisch niveau, waarop inderdaad geen discussie meer mogelijk is. Dan is het mensenwoord (eventueel op zgn.profetische wijze) tot de onaantastbaarheid van Gods Woord verheven.

Het werk Gods in de geschiedenis
Het bovenstaande was naar aanleiding van de ouderlijke en gemeentelijke geloofsbeleving bij de doopsbediening.
Deze nu afgewezen vertheologisering van zulk een gemeentelijke geloofsgebeurtenis, kan ook plaats vinden in de geloofsbeleving en geloofsinterpretatie van bijvoorbeeld kerkhistorische gebeurtenissen, of van kerkorganisatorische regelingen. Maar dat laat ik nu rusten. Ik kom toch al weer ruimte tekort.

Het blijde en dankbare bruidspaar
Een ander kerkelijk voorbeeld waaraan ik het verschil tussen theorie en praktijk in het kerkelijk geloofsleven nog wil illustreren is het volgende. Wanneer een bruidspaar zich in de kerk gelovig voor Gods aangezicht plaatst en de bruidegom zijn belofte van trouw aflegt, dan is de christelijke praktijk deze, dat hij dat oprecht meent, dat de bruid dat ook gelooft en er op vertrouwt, dat dit wederzijds is, en dat het voor beide een blijde dag is, die terecht feestel ijk gevierd wordt.
Daarbij wordt dan NIET vanwege de theoretische volledigheid het frequente voorkomen van een mislukt huwelijk verrekend en aan het bruidspaar voorgehouden. Zulks in een theorie die alle blijdschap en dankbaarheid zou ondermijnen met de verwijzing naar het onbetwistbare feit dat 40 à 45% van alle huwelijken momenteel in Nederland weer ontbonden wordt. De jeugdige partners zouden onnozel zijn, als ze dat niet wisten en zich dat niet bewust waren. Maar als ze aan die nare werkelijkheid even denken, dan vluchten ze (als het goed zit met hun geloof) niet in een statistische kansberekening, en in de theoretisch ongefundeerde hoop dat zij zelf bij die betere 55 à 60% zullen horen. Nee, maar dan nemen ze hun toevlucht tot God in het gebed, wetend, dat "wij van onszelf onbekwaam" zijn de grote woorden van onze trouwbeloften waar te maken. Dit vertrouwen in God en daarom en daardoor ook in elkaar, ondermijnt niet de vreugde, maar verhoogt de blijdschap juist.

Geen echte vreugde op de trouwdag
Wie echter uit de statistiek leeft, of uit de "realistische" theorie dat het in zeer veel gevallen toch niet lukt, kan op zijn trouwdag nauwelijks nog gelukkig en blij zijn. Hoe hardnekkiger iemand op zulke momenten zijn zgn. "realistische" of wetenschappelijke denkhouding verabsoluteert, hoe sceptischer en vreugdelozer hij/zij daardoor wordt. Daarom echter nog niet oppervlakkig "het verstand op nul gezet" (vandaag "niet aan denken"), maar wel wég met de theorie in zo'n situatie. Leve de gelovige praktijk. Die twee (theorie en praktijk) zullen gescheiden moeten blijven op de trouwdag. Zou de bruidegom een week na zijn trouwdag beroepshalve, bv. als socioloog of als advocaat, voortdurend geconfronteerd worden met het grote percentage echtscheidingen, van echtparen die net als hijzelf zo mooi begonnen zijn, dan kan hij in momenten van triestheid altijd terugvallen op wat hij beleefde in die centrale geloofsmomenten op zijn huwelijksdag.
Ook de rechtgeaarde dominee zal in zijn trouwpreek dat vóór-theoretische geluk niet mogen en willen beschadigen met zwartgallige theoretische mogelijkheden, veronderstellingen of statistieken. Inclusief de daarop gebouwde, en dan ook noodzakelijke, theoretische mentale reserves bij de grote geloofswoorden die hij mag en ook moet spreken bij een huwelijksbevestiging.

Naar ik hoop heb ik nu het belangrijkste bezwaar dat ds de Jong tegen mijn opvattingen over "geloof en theolo- .
gie" inbracht kunnen wegnemen. Anders zal ik het graag nog eens vernemen. Aan zijn vraag, verbonden aan mijn kritiek op de wijze waarop wij in onze kerken (zoals bijna overal) het "probleem" willen oplossen inzake "de vrouw in het ambt", (nl.puur theologisch) ben ik nog niet toegekomen. Wellicht komt daarvoor nog wel eens de gelegenheid.

(Waarschijnlijk zal ds. De Jong in december op dit en het vorige artikel van pr.of. Troost antwoorden)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief