De paus over Jezus (1)

2008-02-01
  • Jaargang 52
  • nummer 3
A. Huijgen De paus heeft een boek over Jezus geschreven. Dat is op zich al iets unieks, waardoor het boek direct interessant is. Immers, wat zou de leider van een miljard rooms-katholieken te zeggen hebben over Jezus Christus, op wie het christelijk geloof zich richt?

Devotie
Toch is het meest bijzondere aan dit boek niet zozeer dat de paus over Jezus geschreven heeft, maar juist hoe hij dat doet: op een frisse, meditatieve, ja zelfs – om dat mooie roomskatholieke woord te gebruiken – devotionele manier. Dat is niet direct wat velen verwachten van een paus, en zeker niet van deze paus. Hij staat immers bekend als een typische Duitse professor in de theologie, een intellectueel zwaargewicht en conservatieve hoeder van de orthodoxie. Dat verloochent hij in dit boek niet – en toch is het een eenvoudig boek geworden, in de positieve betekenis van dat woord. Het is de warme toon van devotie, die dit boek zo bijzonder maakt. Met alle reserves die je als gereformeerde kunt en zult hebben bij het pauselijk instituut als zodanig, mag je toch oprecht blij en dankbaar zijn dat de huidige paus zo nadrukkelijk aandacht vraagt voor Jezus van Nazaret, en dat hij daarbij echt blijkt te willen luisteren naar de Bijbel.
Daarom is het ook voor gereformeerden een belangrijk boek. Vandaar deze bespreking in twee afleveringen.

… en detective
Naast het devotionele is er nog een andere typering die je dit boek op voorhand zou kunnen geven: het heeft iets weg van een detective.
Want de vraag dringt zich op, wie het gedaan heeft; wie heeft dit boek geschreven?
Het omslag en de titelpagina vermelden zowel Joseph Ratzinger als Benedictus XVI, van wie we geloven dat hij een en dezelfde persoon is (al vind je op boekensites nog wel eens een ‘&’ tussen beide namen). Maar toch: waar in het boek neemt de paus het woord en waar de theoloog Ratzinger?
Wie heeft het overwicht?
Ratzinger zelf geeft er rekenschap van: zijn boek is ‘op generlei wijze een document A. Huijgen De paus heeft een boek over Jezus geschreven. Dat is op zich al iets unieks, waardoor het boek direct interessant is. Immers, wat zou de leider van een miljard rooms-katholieken te zeggen hebben over Jezus Christus, op wie het christelijk geloof zich richt?

Devotie
Toch is het meest bijzondere aan dit boek niet zozeer dat de paus over Jezus geschreven heeft, maar juist hoe hij dat doet: op een frisse, meditatieve, ja zelfs – om dat mooie roomskatholieke woord te gebruiken – devotionele manier. Dat is niet direct wat velen verwachten van een paus, en zeker niet van deze paus. Hij staat immers bekend als een typische Duitse professor in de theologie, een intellectueel zwaargewicht en conservatieve hoeder van de orthodoxie. Dat verloochent hij in dit boek niet – en toch is het een eenvoudig boek geworden, in de positieve betekenis van dat woord. Het is de warme toon van devotie, die dit boek zo bijzonder maakt. Met alle reserves die je als gereformeerde kunt en zult hebben bij het pauselijk instituut als zodanig, mag je toch oprecht blij en dankbaar zijn dat de huidige paus zo nadrukkelijk aandacht vraagt voor Jezus van Nazaret, en dat hij daarbij echt blijkt te willen luisteren naar de Bijbel.
Daarom is het ook voor gereformeerden een belangrijk boek. Vandaar deze bespreking in twee afleveringen.

… en detective
Naast het devotionele is er nog een andere typering die je dit boek op voorhand zou kunnen geven: het heeft iets weg van een detective.
Want de vraag dringt zich op, wie het gedaan heeft; wie heeft dit boek geschreven?
Het omslag en de titelpagina vermelden zowel Joseph Ratzinger als Benedictus XVI, van wie we geloven dat hij een en dezelfde persoon is (al vind je op boekensites nog wel eens een ‘&’ tussen beide namen). Maar toch: waar in het boek neemt de paus het woord en waar de theoloog Ratzinger?
Wie heeft het overwicht?
Ratzinger zelf geeft er rekenschap van: zijn boek is ‘op generlei wijze een document psalm uitspreekt: wie de wil van God volgt, weet dat hij in alle verschrikkelijke dingen die hem overkomen uiteindelijk op bescherming mag rekenen.” (56). Dat zijn woorden van troost waarmee het Bijbelwoord openvalt tot op Christus.

Historisch-kritische methode
Toch is het meer dan alleen een meditatief boek. Ratzinger zet ook zorgvuldig zijn methode uiteen, in een evenwichtige discussie met de historische Bijbelkritiek, waar van te leren valt. Enerzijds betoogt Ratzinger het goed recht van de historische methode, die de Bijbel als ieder ander boek op de snijtafel van historisch onderzoek legt. Ratzinger noemt deze methode zelfs ‘essentieel’ omdat het christelijk geloof in essentie ook betrekking heeft op de historische gebeurtenis van de menswording van God de Zoon. Wie dat echt historische loslaat, laat uiteindelijk het christelijk geloof vervluchtigen.
Daarom heeft historisch onderzoek een goed recht.
Anderzijds wijst de paus op het tekort van de historisch-kritische methode. Ze heeft ons in de loop der eeuwen per saldo niet dichter bij Jezus gebracht, maar juist verder bij Hem vandaan. Hoe verder het historisch onderzoek ging, des te meer lagen werden ‘ontdekt’ in de evangeliën, die tussen ons en de ‘historische Jezus’ in kwamen te staan. Daardoor werd de persoon van Jezus steeds ontoegankelijker.
Deze moest gereconstrueerd worden, zo meende men. Maar, merkt Ratzinger scherp op, ‘wie een aantal van deze reconstructies naast elkaar legt, kan spoedig vaststellen dat ze veeleer een weergave zijn van de auteurs en hun eigen idealen’ (9).

Tekort
Het tekort van de historische methode is dat ze de tekst van de Bijbel uit principe behandelt als ieder ander menselijk geschrift, omdat ze alleen kan werken vanuit de vooronderstelling dat historische gebeurtenissen onderling vergelijkbaar zijn. Daardoor sluit deze methode per definitie uit dat we met méér dan mensenwoorden te maken hebben, althans: ze kan nooit bij die conclusie uitkomen.
Bovendien moet de historische methode de tekst in het verleden laten liggen: ze doet alleen uitspraken over daar en toen, niet over de betekenis van de tekst voor nu.

Aanvulling
Ratzinger kiest daarom voor een aanvulling van de historische exegese met zogenaamde theologische exegese, die – anders dan de historisch-kritische methode – de eenheid van de Schrift principieel aanvaardt en de Evangeliën vertrouwt. Bovendien wijst deze Schrift boven zichzelf uit. Op dat punt aangekomen zou een gereformeerd auteur wellicht graag verwijzen naar de inspiratie van de Schrift, de Eerste Auteur, de Heilige Geest.
Maar hier blijkt Ratzinger de volbloed Rooms-katholiek door het ‘Godsvolk’ (lees: de kerk) te beschouwen als de diepere auteur van de Schriften. ‘Het volk Gods, de Kerk, is het levende subject van de Schrift.’ (17). Ook op andere punten blijkt (hoe kan het ook anders) Ratzinger net zo Rooms te zijn als de paus. Dat laat onverlet dat het weldadig aandoet dat we hier iemand vinden op een belangrijke positie die eenvoudig zijn vertrouwen in de Evangeliën uitspreekt. Dat maakt het boek toch op veel punten sympathiek, al lost het daarmee natuurlijk niet alle historische vragen op. De evangeliën die een christen vertrouwt, laten zich nu eenmaal niet zo eenvoudig in een historisch schema persen.
Bij de sympathie voor het vertrouwen dat de paus blijkbaar in de evangeliën heeft, blijft de vraag, wat dat nu precies inhoudt. Je krijgt de indruk dat het betekent dat je vertrouwt dat historische gebeurtenissen adequaat zijn weergegeven, en bovenal: dat je de Kerk vertrouwt, het Godsvolk. Liever vertrouw ik de evangeliën vanwege de betrouwbaarheid van God die er in spreekt.

Naar aanleiding van: Joseph Ratzinger / Benedictus XVI, Jezus van Nazareth.
Deel 1. Van de doop in de Jordaan tot de Gedaanteverandering, Uitgeverij Lannoo, Tielt, 2007. 377 pag.; € 29,95.

Arnold Huijgen is docent dogmatiek en symboliek aan de TU Apeldoorn en Christelijk Gereformeerd predikant in Genemuiden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief