Kerkelijke contacten

1992-11-20
  • Jaargang 36
  • nummer 24
Veel aandacht trok dezer dagen de Christelijke Gereformeerde synode, die onder meer over de contacten met onze kerken ging. Ik schrijf deze bijdrage voordat de definitieve besluiten werden genomen en het blad verschijnt na die besluiten. Ik ga dus maar niet in op de weinig bemoedigende woorden die te horen waren, want dan lijkt het of ik geen rekening houd met de mogelijkheid, dat de synode toch positiever uitspraken zal doen dan de rapporten doen vermoeden.

Wat mij wel opviel in de nu verschenen rapporten is, dat de CGK (ik gebruik verder maar afkortingen) met de GKV (de vrijgemaakten) in wezen dezelfde problemen hebben als met ons.
Weliswaar ging het in hun besprekingen met de GKV ook over de vrijgemaakte klacht dat wij te los zijn in onze kerkeraden en omgekeerd over de CG klacht dat de vrijgemaakten te star zijn in hun kerkbegrip, maar daar ligt het hart van de broeders toch niet. Het is alleen op het punt van de toeëigening des heils, dat volgens de CGK door ons "geen recht wordt gedaan aan wezenlijke elementen uit de belijdenis der kerken". En daarover schrijven deputaten: "Een discussie over de toeëigening des heils met de NGK is voor ons vrijwel identiek met een discussie over die materie met de GKV".
Dit sluit aan bij iets wat eigenlijk iedere buitenstaander in de gaten heeft: de GKV en wij zijn in Nederland de twee kerken, die het meest met elkaar gemeen hebben. Als je op de radio een preek of een overdenking hoort, is het voor iemand die geen vreemdeling in Jeruzalem is vrij eenvoudig om te concluderen: die moet óf vrijgemaakt, àf nederlands gereformeerd zijn. Te beoordelen welk van tweeën het is, vergt heel wat meer deskundigheid.
En als ik tijdens mijn vakantie eens in een vrijgemaakte kerk terecht kom, is het me onmiddellijk duidelijk: hier voel ik herkenning en hier kan ik het goede van Gods huis ervaren.

Zijn er veranderingen?
Dat deze twee kerken toch zo weinig samen verder komen, heeft er natuurlijk alles mee te maken dat velen de ellende van de kerkelijke breuk persoonlijk meegemaakt hebben en dat die pijn niet gemakkelijk geneest. Er is intussen veel in beweging en daar schreef br. H. Algra over. Heel opvallend vond ik een artikel van prof. J. Douma in De Reformatie van 15 augustus.
Prof. Runia had ergens uit woorden van Douma geconcludeerd, dat de Vrijgemaakten flink veranderd zijn en dat er flink verschil onder hen is. Dr. W.G. de Vries had dat heftig bestreden, maar Douma schrijft dan: we verschillen wel degelijk. "Daarom zit Runia er niet naast als hij op een belangrijk verschil onder ons wijst. En ook op het feit dat zo'n verschil samenhangt met onze visie op de kerk. Het zou ook onjuist zijn met het oog op anderen en op mijzelf vol te houden dat we toch zo gelijk gebleven zijn sinds de Vrijmaking. Dat zijn we duidelijk niet." Het gaat hierbij dan concreet over de openheid bij de samenwerking met leden van andere kerken, zoals die onder meer uitkwam in de openstelling van de redactie van het Nederlands Dagblad.
Het is juist in deze situatie, dat ik blij ben met het boek van ds. Van den Brink en ds. Van de Kwast over de breuk in de zestiger jaren, onder de titel "Een kerk ging stuk". Van meerdere kanten is al gezegd, dat beide predikanten hiermee een zware en pijnlijke taak hebben vervuld. Je schrijft over zulke dingen niet met vreugde. Het was tot op heden onder ons dan ook nog vrijwel niet gedaan. Ik herinner me heel goed, dat er in de jaren na de kerkelijke strijd (was het 1972?)door de overheid een soort volkstelling werd gehouden, waarbij iedereen een enquête moest invullen.
Daar moest ook ingevuld worden van welke kerk je eventueel lid was.
"Schrijf maar 'christelijk"', zei mijn vader toen. We zullen wel in de kleine groep 'overigen' zijn ingedeeld. Ik kon me die reactie heel goed voorstellen. Christelijk, dat was toch het enige wat we wilden zijn en wat moest je verder zeggen? Toch kan dat antwoord niet blijvend voldoen en je zult gewoon moeten weten hoe het allemaal zo gekomen is.

Welke kerk ging stuk?
Ik heb in onze kerken van meerdere, ook jonge, mensen gehoord dat ze blij zijn met dit boek. En ook door veet vrijgemaakten is het goed ontvangen. Natuurlijk niet door iedereen. Dr. W.G. de Vries schreef vijf afleveringen in De Reformatie onder de titel "Welke kerk ging stuk?" En zijn antwoord is, kort samengevat: niet de mijne maar die van jullie. Dat het in werkelijkheid onze kerk is die stuk ging, komt op deze manier niet goed uit. Overigens heb ik het sterke vermoeden, dat artikelen als genoemde ook in zijn eigen kring vooral contraproductief zijn. Broeders en zusters die het altijd al gedacht hadden, zullen er door bevestigd worden. Maar juist degenen die anders gaan denken, zullen alleen al door de toon de reactie hebben: hoe het allemaal zit weet ik niet, maar als het zo moet... Ik merk trouwens toch een ontwikkeling in twee richtingen op.
Degenen die de breuk veroorzaakt hebben, zijn op een leeftijd gekomen waarop je jezelf de vraag stelt: waar heb ik het allemaal voor gedaan? Er zijn er die hun mening versterken en dat merk je aan een net iets te luide toon. Ik heb dat helaas ook aan onze kant van de breuklijn meegemaakt. Er zijn er ook die door de jaren juist milder gaan oordelen.

Typisch zestiger jaren ...
Bij een beoordeling van de breuk mis ik nogal dat de ontwikkelingen binnen het raam van die tijd gezet worden.
Als ik een en ander lees, dan gaat het nogal eens door me heen: ach ja, typisch taal van de zestiger jaren ... Neem nu de beruchte 'Open Brief', uit 1966: "We worden met ons vaak klein vaderlands gedoe als Gereformeerde Kerken in Nederland weggeroepen naar het niveau van de wereldkerk. En dat zal steeds meer gebeuren, of we dat wensen of niet. Daarheen dringt ons Christus' leiding in de wereldgeschiedenis".
Het is in dit verband, dat de briefschrijvers meenden te leven in een tijdsgewricht waarin Gods volk "zoekt naar de grenzen van zijn kerkelijke gemeenschap; waarin, gestuwd naar het niveau van het denken in wereld proporties, ieder zich opnieuw afvraagt, of het historisch fundament van de Nederlandse Gereformeerde Kerken ook samenvalt met het fundament van de heilige, algemene, Christelijke Kerk". Zo ging dat in die dagen: de grenzen van wat kan en mag moesten verkend worden, vanuit de overtuiging dat we wereldburgers werden. Nu heeft dat in onze kerken zo'n vaart niet gelopen. Internationaal komen wij niet veel verder dan dat we wat moppers van de Doppers vernemen. Ironisch genoeg zijn het de laatste jaren vooral de Vrijgemaakten, die zichzelf voortstuwen naar wereldproporties. Ze bouwen een soort vrijgemaakte Wereldraad en ze krijgen dus steeds meer te maken met de vraag uit de Open Brief: "hoe is dan de verhouding tot andere kerken in binnen- en buitenland, die kennelijk Gods kinderen vergaderen, maar niet onze belijdenisgeschriften hebben, noch onze samenlevingsregels kennen?" En daar blijken ze vrij open in te zijn. Presbyteriaanse kerkorde, Westminster Confessie, dat kan allemaal. Het is mij een raadsel hoe men destijds uit deze woorden een "disputabel stellen van de belijdenis" heeft kunnen halen. Het lijkt mij zonneklaar te gaan over de vragen, waar je in het contact met anderen op stuit en waar de vrijgemaakten nu meer mee te maken hebben dan wij. Overigens wil ik niet suggereren, dat er destijds eigenlijk niks aan de hand was. In dat tijdsgewricht was de hele samenleving bezig met vragen over gezag en mondigheid en de kerk ook. Ze kregen daar de vorm van een conflict tussen het voortgaand verstaan van de Schrift en de formuleringen van belijdenis en kerkorde. Deze laatsten zijn bedoeld als een - menselijke!bescherming van wat het kostbaarst is: de leer der zaligheid, die in de Bijbel te vinden is. Een heel duidelijk verschil lijkt me, dat onze kerken niet meer zo makkelijk in één adem spreken over "Schrift en Belijdenis". We hebben de belijdenisgeschriften leren kennen als een voortreffelijk middel om te "volharden in de leer der apostelen"
en daarom weten we ons eraan gebonden. Maar wanneer over enig punt discussie ontstaat zien wij het niet meer als een toereikend antwoord om te zeggen: zo staat het in de belijdenis of de kerkorde. We gaan er dan zo lang mogelijk mee door om te proberen elkaar te overtuigen op grond van Gods woord. En lukt dat niet, inderdaad, dan verdragen we elkaar, als we menen dat het verschil niet het hart van ons geloof raakt.

Schaatsen op dun ijs
De radicaal andere oplossing, die de vrijgemaakten kozen, is om in alle gevallen te zeggen: hoe het ook mag zitten in de Bijbel, we hebben nu eenmaal afgesproken om ons te binden aan belijdenis en kerkorde. Dat raakt zelfs de orde in de liturgie en de afspraak dat in een kerkeraad de predikant praeses moet zijn. Er zijn momenten (niet in genoemde kwesties), dat ik jaloers ben op die duidelijkheid, maar de vraag is natuurlijk wel hoe je dat fundeert. Het is in elk geval schaatsen op dun ijs, zoals blijkt nu veel vrijgemaakten zich gaan afvragen of ze wel de enige ware kerk zijn. Prof.
dr. M. te Velde wijst tegenover de bewering dat er meer 'openheid' komt, op het feit dat de belijdenis niet spreekt van een ware kerk, maar van de ware kerk. En hij vervolgt: "Deze belijdenis is onze belijdenis. Dit zeggen wij, allen samen en ieder afzonderlijk, over de kerk. Wij geloven dat van harte. De belijdenis van de kerk, die ook in de statuten van het ND wordt aangehaald, is een belijdenis waar in artikel 28 niet staat, dat ieder schuldig is zich bij een (evt. ware) kerk te voegen, maar bij de ware kerk te voegen". Hij weet niet anders of "op onze catechisaties wordt overal met de jongeren zó over de kerk gesproken". Bij de behandeling van andere kerken bijvoorbeeld. "Als dominee doe je je best om de jongelui zo goed mogelijk duidelijk te maken, waarom je daar niet thuis hoort, welke geestelijke schade je daar structureel oploopt, of welke onaanvaardbare risico's je neemt, waarom je tegen Gods wil handelt als je hervormd bent of synodaal of Nederlands gereformeerd of christelijk gereformeerd" (De Reformatie, 5 sept. 1992).
Dit is wel duidelijke taal, maar in de eerste plaats vergist Te Velde zich. Op vrijgemaakte catechisaties .,wordtnu al niet "overal met de jongeren zó over de kerk gesproken". En in de tweede plaats valt te vrezen, dat steeds meer Vrijgemaakten zullen merken dat het gewoon feitelijk niet waar is, dat er in ons land maar één ware kerk is. Ik zeg dan: dat ligt niet aan de belijdenis, maar aan onze zondige verdeeldheid. Maar je lost dat in elk geval niet op door gewoon nog een paar keer te herhalen: "Dit zeggen wij, allen samen en ieder afzonderlijk, over de kerk".
Je kunt aan zo'n voorbeeld zien, dat de vragen over de ruimte die er binnen een kerk van gereformeerde belijdenis is, nog niet opgelost zijn. Door niemand, trouwens. De CG deputaten hadden de opdracht om "zich te bezinnen op de vraag welke ruimte voor verscheidenheid er in een kerk van gereformeerde belijdenis kan en mag zijn" en daar zijn ze niet uitgekomen.
Onze commissie ter bestudering van de openstelling van het diakenambt voor zusters der gemeente moest onder meer ingaan op "de rechtmatigheid van een beroep op de christelijke vrijheid in dezen" en daar is in het verschenen studierapport nog niets over te lezen. Van de Vrijgemaakten ken ik op synodaal niveau zo'n studieopdracht niet, maar ze hebben er levensgroot mee te maken.

Ondubbelzinnig en onbekrompen
Ik vind eigenlijk, dat wij deze vragen (bij ons opgekomen in de zestiger jaren) ontlopen zijn doordat er een scheur is ontstaan. Vanouds zeiden we, dat je de belijdenis "ondubbelzinnig en onbekrompen" moet aanvaarden.
Welnu, de vrijgemaakten doen het ondubbelzinnig en wij doen het onbekrompen, maar dat is geen oplossing.
Het is naar twee kanten geen oplossing. Van de GKV geldt dat ze in feite een hulpmiddel buiten de Schrift hanteren, dat moet dienen om de eenheid te handhaven. Ik bedoel de belijdenis en de kerkorde. Die twee dreigen echter hun karakter van hulpmiddel te verliezen en dan gaan ze fungeren als het deksel op de pot, dat er op een gegeven moment afspringt.
Maar voor ons is het ook geen oplossing als er weinig meer valt te melden dan dat wij "aan de vrijheid geroken hebben". We hebben inderdaad een kerkelijk akkoord dat meer ruimte laat en we zijn nog steeds op zoek naar de grenzen van 'de christelijke vrijheid'. Maar durven wij wel glashelder te zeggen waar voor ons die grenzen liggen en wat de grondslag voor onze eenheid vormt? Hebben we daar voor een nieuwe generatie een duidelijk antwoord op, of teren we gewoon nog een tijdje op de eenheid die we traditioneel hadden? Ik wil maar zeggen: ruimte en belijndheid hebben we beiden nodig en daar kunnen we alleen samen uitkomen. Eigenlijk hadden we daar samen uit moeten komen toen de onvermijdelijke vragen in de zestiger jaren opkwamen. In de huidige situatie lijkt het niet haalbaar om er samen uit te komen in de zin van een officiële kerkelijke eenheid.
Maar dan is het des te meer zaak om wél naar elkaar te luisteren. Naar soms te harde kritiek van de vrijgemaakten.
En naar soms te ver gaande vragen van nederlands gereformeerden.

Hoe nu verder?
We raken daarmee aan de vraag, hoe we verder moeten na het boek "Een kerk ging stuk". Ik las in een bespreking, dat het boek hier onvoldoende op in gaat, maar dat was nu eenmaal het onderwerp er niet van. Dat we verder moeten is echter wel heel zeker. Het was nodig dat de pijn en de moeite beschreven werden, maar we moeten daar niet in blijven hangen. Ik denk aan de apostel Paulus, die in Efeze 2 zegt dat de tussenmuur, die scheiding maakte, is weggebroken. Hij bedoelt dan de muur op het tempelplein, die Joden en heidenen van elkaar scheidde. Het is wel heel frappant, dat juist Paulus schrijft over de afbraak van die muur, want hij zat nu juist gevangen vanwege het feit dat die muur er nog altijd stond (hij zou een heiden uit Efeze de tempel binnen gebracht hebben). En toch gelooft hij, dat in Christus de muur fini is en dat Christus onze vrede is, en zo is het ook. Wat zou het een zegen zijn, wanneer ouderen onder ons, die de breuk meegemaakt hebben, durven te leven in het geloof dat die breuk er in Christus niet is. Ik weet het, ze zitten dan wel niet gevangen, maar zijn toch persoonlijk zwaar getroffen door die breuk. Maar zou het geloof daar ook overheen kunnen zien, in de wetenschap: in Christus zijn we een? Dat zou een grote zegen zijn voor de kerken in Nederland. Want heus, het is zoals ds. Van den Brink ooit schreef: "Het schisma liegt"!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief