Een laatste appèl (1)

1992-11-20
  • Jaargang 36
  • nummer 24
1892-1992
Geachte broeder praeses, eerwaarde en weleerwaarde broeders afgevaardigden.
Samen met de broeders ds. C. Bakker, ds. P. Busstra en P. Wassenaar mag ik vandaag als vertegenwoordiger van de Kommissie voor Kontakt en Samenspreking van de Ned. Geref. Kerken in uw midden zijn en tot u spreken. Laat ik beginnen met enkele opmerkingen over een aantal zaken, dat u reden tot grote vreugde geeft.
Allereerst noem ik het feit, dat u in dit jaar van onze Heer 1992 terugziet op honderd jaar Christelijke Gereformeerde Kerken. U hebt dat vlak voor het begin van deze Synode op een speciale wijze mogen herdenken op een bijeenkomst in Barneveld.
U zult hopelijk kunnen billijken, dat wij als vertegenwoordigers van een kerkgemeenschap, waarvan de vaderen destijds welgemeend en weloverwogen een andere keus deden, daar enerzijds wat verlegen mee zijn. Ook een eeuw verder blijkt er verschil van mening mogelijk te zijn of het 'thans nog niet', dat toen door uw vertegenwoordigers werd uitgesproken al of niet terecht was. Maar anderzijds zien wij met enige heilige jaloersheid, dat u in die honderd jaar als kerken alleen maar bent gegroeid en dat u de onderlinge en organisatorische eenheid veel meer hebt kunnen bewaren dan de Geref.
Kerken. Wij. Ned. Gereformeerden, moesten door 1944 en 1967 heen, met alle verschrikking en verdriet daarmee verbonden. Zulke, diepe trauma's verwekkende, gebeurtenissen zijn u, God zij dank, bespaard gebleven. En ook al weten wij. dat de interne spanningen bij u toenemen - het rapport van uw Deputaten Eenheid maakt er immers onomwonden melding van -, we zijn met u blij dat u toch dit jaar met elkaar als kerken een dergelijk feest hebt kunnen vieren.

Felicitaties
Graag willen wij u ook van harte feliciteren met een aantal heuglijke gebeurtenissen i.v.m. de Theol. Universiteit van uw kerken. Dan denk ik allereerst aan de twee eerste promoties, van dr.
H.G.L. Peels en van dr. J.W. Maris, die daar kort na elkaar plaats mochten vinden. Ik reken het mij tot eer, dat ik op een wel heel bijzondere wijze, als paranimf, bij die allereerste promotie betrokken mocht zijn. Weliswaar was die eer in eerster instantie niet voor mij. maar voor één van mijn Ned. Geref. collega's bestemd'. Maar toen hij door verdrietige omstandigheden niet in de gel'=lgenheidwas dr. Peels die vriendendienst te bewijzen, heb ik dat zonder bedenking en graag van hem overgenomen. Temeer omdat op die wijze ook iemand uit onze kerkgemeenschap betrokken mocht zijn bij een belangwekkende en feestelijke gebeurtenis aan uw Universiteit, die toch evenzeer onze kerken raakt.
Verder feliciteer ik uw kerken en de Universiteitsgemeenschap met het feit, dat de beide pas gepromoveerden inmiddels door uw Synode mochten worden benoemd tot hoogleraren om zo de kerken te dienen in de vorming van toekomstige predikanten en met verder wetenschappelijk onderzoek op het terrein van de theologie. Ik hoop en bid van harte, dat zij op deze post voor uw kerken en via onze studenten in Apeldoorn ook voor de onze, maar' daarenboven nog breder voor Christus' kerk in Nederland tot zegen mogen zijn.

In dit verband noem ik ook met waardering het resultaat van de wetenschappelijke arbeid van de Apeldoornse hoogleraren J. van Genderen en W.H. Velema, die in dit jaar hun Beknopte Gereformeerde Dogmatiek mochten zien verschijnen. Het is een standaardwerk geworden, waar m.i. niemand, die vandaag wil theologiseren in rapport met het verleden én het heden, omheen kan. Ook daarvan hoop ik, dat het niet alleen voor het denken en geloven van theologische studenten, maar voor het geestelijk leven van tal lozen in ons land rijke vrucht mag draqen.

Plaatselijke vorderingen
Wanneer ik dan nu enige aandacht geef aan de ontwikkeling in de verhouding tussen onze.beide kerkverbanden, dan moet ik konstateren dat de trend die ook drie jaarterug al zichtbaar was, zich heeft voortgezet. D.w.z. er is sprake van uitbouwen verdieping van kontakten op het plaatselijk vlak en stagnatie van het gesprek op landelijk niveau.
Als meest sprekende voorbeeld van het eerste, de uitbouwen verdieping van kontakten, noem ik de verklaring van de samenwerkingsgemeenten van Almere, Lelystad en Nieuwegein, die in 1990 uitspraken, dat de geestelijke eenwording in hun gemeenten als voltooid mag worden beschouwd en dat de samenwerking het stadium van het voorlopige experiment definitief achter zich heeft gelaten. Ik denk ook aan ontwikkelingen in de samenwerking tussen onze gemeenten in Arnhem en Rotterdam. Al besef ik heel goed, dat met name de situatie in laatstgenoemde gemeente, kerkverbandelijk gezien ook reden is tot grote spanning.
En met extra grote persoonlijke betrokkenheid maak ik melding van het resultaat van de samensprekingen in deze plaats, waar uw Universiteit staat en waar u nu uw synode houdt. Juist in dit jaar mocht na intensieve gesprekken de kanselruil tussen de drie Chr. Geref. Kerken en de Ned. Geref. Kerk van Apeldoorn een feit worden. Nadat op 19 mei j.l. de Chr. Geref. classis Apeldoorn vaststelde, dat aan alle voorwaarden om hiertoe over te gaan, was voldaan, hebben 'voorgangers uit beide kerkverbanden al één- en andermaal in elkaars gemeenten Gods Woord bediend. En op 8 oktober j.l.
hebben we in een gezamenlijke gemeentevergadering de Heer van de kerk geloofd en geprezen voor de herkenning en erkenning, die Hij deed groeien. We hebben de gevonden eenheid ontvangen als een geschenk uit zijn hand.

Landelijk thans nóg niet?
Juist tegen deze achtergrond is de impasse in het landelijk gesprek des te schrijnender. Voor mij persoonlijk was het een onthutsende ervaring om simultaan deel te nemen aan de gesprekken op plaatselijk en op landelijk niveau. De vreugde om mee te maken, dat we hier in de Apeldoornse situatie stap voor stap verder kwamen en naar elkaar toe groeiden, stond tegenover het verlammende gevoel, dat in het gesprek tussen uw Deputaten en onze Kommissie maar geen bevredigende consensus kon worden bereikt. En het kontrast deed zich des te scherper voelen, omdat op beide niveaus over exact dezelfde zaken werd gesproken: over de toe-eigening des hei Is, de prediking, de gemeentebeschouwing en daarnaast ook over zaken van kerkordelijke aard. Broeder praeses, u zult begrijpen, dat wij niet zo blij kunnen zijn met het rapport van uw Deputaten. Met name niet met het eindvoorstel dat door de meerderheid van het Deputaatschap aan uw synode is voorgelegd".
Het is teleurstellend opnieuw te moeten vallen onder een oordeel, waarin we ons beslist niet kunnen herkennen.
Ik doel met name op de uitspraak, dat aan onze zijde "alle nadruk ligt op de verantwoordelijkheid van de mens en nauwelijks op de soevereiniteit Gods". Zo'n zin als conclusie uit onze correspondentie, verbaast mij.
Ik ben er nl. van overtuigd, dat heel onze Kommissie zich zal kunnen vinden in het spreken van ds. Baars in de bijlage bij het bezinningsgedeelte van het Deputatenrapport, die afgelopen dinsdag door uw vergadering unaniem ter bespreking op de kerkelijke vergaderingen aan de kerken is aanbevolen.
Ik doel met name op zijn stelling "dat de toeëigening van het heil in onze belijdenis primair wordt toegeschreven aan de Heilige Geest. Ook kan gezegd worden dat de gelovige zich het heil toeëigent door het geloof dat vrucht is van het werk van diezelfde Geest." Hier wordt inderdaad met schriftuurlijke evenwichtigheid gesproken over het soevereine werk van Gods Geest èn over de daaruit voortvloeiende roeping van de gelovige zich door de Geest te laten leiden. Het is de schriftuurlijke evenwichtigheid van Fil. 2:12 en 13, waarin Paulus een appèl doet op de verantwoordelijkheid van de mens met beroep op de soevereiniteit Gods: "Daarom, mijn geliefden ..., blijft ... uw behoudenis bewerken, met vreze en beven, wánt God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt".
Hoe komt het nu toch, zo heb ik mij afgevraagd, dat Deputaten in ons spreken telkens weer menen te stuiten op een overaccentuering van de verantwoordelijkheid van de mens ten koste van de soevereiniteit van God? Zou het niet zo kunnen zijn, dat de aard van ons gesprek een dergelijke accentuering uitlokt? Als Deputaten opkomen voor de ene kant van de zaak, omdat ze vrezen, dat die bij ons teveel onderbelicht blijft, verleidt dat ons mogelijk om wat meer accent op de andere kant te leggen. Zouden wij een andere, zeg een methodistische of remonstrantse gesprekspartner hebben, dan zouden wij ongetwijfeld de accenten veelmeer leggen zoals u dat van ons verwacht en hoopt overigens blijft het voor ons een raadsel hoe Deputaten de door mij gewraakte formulering kunnen gebruiken, dat bij ons álle druk ligt op de verantwoordelijkheid van de mens en náuwelijks op de soevereiniteit Gods. Dat zouden wij dan toch nog eens graag met de stukken zien aangetoond.

Ons -laatste woord-
Broeder praeses, ik hecht er verder grote waarde aan om, voordat u straks over deze zaken met elkaar in gesprek gaat, een poging te wagen om een mogelijk misverstand uit de weg te ruimen.
In het rapport van uw Deputaatschap wordt herhaaldelijk blijk gegeven van teleurstelling, dat onze Kommissie niet verder wilde gaan dan een schriftelijke verklaring van standpunten, gevolgd door een eveneens schriftelijke beantwoording van vragen n.a.v. die standpuntverklaring. Uw Deputaatschap zag hierin een belemmering om te voldoen aan de opdracht van de Synode van Groningen, om namelijk de gebleven verschillen nog eens door te spreken. Waarom heeft onze Kommissie zo'n inhoudelijk gesprek in deze laatste ronde inderdaad consequent geweigerd?
Allereerst omdat wij er stellig van overtuigd waren, dat ook Deputaten een dergelijk gesprek niet meer bedoelden te voeren. Na uw vorige synode hadden wij onze eerste gemeenschappelijke vergadering op 17 januari 1990. Onmiddellijk hebben wij toen onze moeite kenbaar gemaakt om nog eens weer te moeten praten over zaken, die al zo vaak aan de orde waren geweest.
Daarom stelden wij toen voor om ons standpunt nog eens zo helder en bondig mogelijk te formuleren. Dit met name met het oog op de misverstanden, die we in het vorige Deputatenrapport aantroffen. En zo'n standpuntverklaring wilden we Deputaten dan als een laatste woord nog een keer voorleggen.
De reactie van Deputaten was toen - ik citeer uit de notulen van die vergadering: "Os Westerink (gaat) positief in op het aanbod van de Commissie het NG standpunt nog een keer op een rijtje te zetten, zonder de intentie de gevoerde gesprekken nog eens over te doen". Zo hebben wij vorig jaar dan ook aan onze Landelijke Vergadering van Ede gerapporteerd en hebben wij ook daar als onze mening uitgesproken, dat er een eind moet komen aan het gesprek over de toe-eigening des heils is.
Maar ook uw deputaten zelf hebben op onze Landelijke Vergadering bij monde van de brs. Den Butter en Van Malkenhorst verklaard, "dat de fase van het gesprek over deze zaken inderdaad ook wat het deputaatschap betreft afgerond moet worden; het past ook in de opdracht van de synode aan het deputaatschap oni nu te rapporteren aan de synode hoe de verschillen gewogen moeten worden in het licht van de contesste.':" ; Dit heeft onze Landelijke Vergadering er dan ook toe gebraèht onze Kommissie o.a. de opdracht te geven "het gesprek met de Christelijke Gereformeerde Deputaten ten aanzien van de toe-eigening des heils op korte termijn af te ronden conform de bedoeling van de laatst gehouden synode der Christelijke Gereformeerde Kerken" 4 Wij waren dan ook verbaasd en tevens teleurgesteld, toen Députaten naderhand toch weer op voortzetting van het gesprek aandrongen. Desondanks zijn wij bij ons door Deputaten geaccepteerde voorstel van 17 januari 1990 gebleven. En het zal voor ons een moeilijk. te aanvaarden zaak zijn als u uw Deputaten toch weer zo'n opdracht tot inhoudelijk verder spreken over deze aangelegenheid meegeeft.

Geen sprake van onwil
Overigens zouden wij' het bijzonder jammer vinden, wanneer onze weigerachtigheid op dit punt bij u de indruk zou achterlaten van koppige onwil. Alsof wij het vertikken met u nog verder te praten over zaken, die ook in onze ogen toch van levensbelang zijn voor de kerk van Christus, ook in onze dagen.
Laat mij dan nog eens nadrukkelijk mogen verklaren, dat wij op zichzelf nooit ofte nimmer een gesprek over deze zaken uit de weg willen gaan. Integendeel, wij staan daar royaal voor open. Waar wij alleen grote moeite mee hebben is het kader waarbinnen en het niveau waarop dit gesprek zou moeten worden voortgezet.
Met het kader bedoel ik de voorwaarden, die u tot nu toe nog steeds aan dit gesprek verbonden hebt, dat we het nl.
èérst hierover nog verder eens moeten worden, vóórdat we genoegzame eenheid van belijden kunnen vaststellen.
Op dit punt is bij ons de stellige overtuiging gegroeid, dat een verder gesprek niet méér duidelijkheid zal kunnen bieden. Wij menen na zoveel jaren werkelijk ons laatste woord in dezen te hebben gesproken. Op dat woord zult u ons nu moeten beoordelen. U zult begrijpen, dat wij vurig hopen dat dit oordeel mag overeenstemmen met het gevoelen dat onlangs van onverdachte zijde werd uitgesproken in het opinieblad 'Koers'. De hervormd-gereformeerde dr. J. Hoek, door de redaktie van dit blad gevraagd om zijn mening aangaande de correspondentie tussen uw Deputaatschap en onze Kommissie, schreef o.a.: "Zeker na de laatste brief, die van 3 februari 1992, zijn er geen gronden meer om de NGK te blijven verdenken van een te lichtvaardige en optimistische verbondsbeschouwing. De NGbroeders hebben zich nu voldoende uitgesproken en het achterste van hun tong laten zien ... Naar mijn gedachte moet men van CG-zijde de NGK nu op hun woord nemen en dan ook aan hun woord houden':".
Inderdaad, broeders, neemt ons op ons woord en houdt ons aan ons woord. En dat brengt me op het niveau, waarop o.i. ons gesprek over deze vragen alleen maar kan worden voortgezet. Laten we toch nuchter vaststellen dat een gesprek op landelijk niveau nog nauwelijks zinvol is te noemen. Schrijven ook uw eigen Deputaten niet ergens in hun rapport: " ...ook deputaten zagen weinig perspectief in het nog weer eens doorspreken van de verschillen. De standpunten waren al vaak onder woorden gebracht en we konden niet dichter tot elkaar komen. Dan ontstaat het gevoel: Wat moeten we nog meer zeggen?,, 6

Een klop op de deur
Daarom, wij zijn er van overtuigd, dat een dialoog over deze zaken nu verder slechts thuishoort op het vlak van de plaatselijke gemeenten. Daar ook alleen kan het gesprek praktisch en konkreet worden. Daar waar elkaars prediking wordt gehoord en elkaars pastorale praktijk kan worden getoetst. Laat daar de gedachtenwisseling mogen worden voortgezet. En laat dat maar gebeuren mee aan de hand van de aan de kerken toe te zenden bijlage van de hand van ds. Baars.
Laat het gesprek voortgaan aan de basis. Was dat ook niet één van de bezwaren van uw zijde in 1892,dat de gesprekken om te komen tot vereniging teveel op deputaten- en synodaal niveau en te weinig in de plaatselijke gemeenten plaats vonden? Daarom, ik herhaal, laat het gesprek voortgaan aan de basis. En niet zozeer om wegens gekonstateerde verschillen elkaar voorlopig nog weer af te wijzen, maar vooral vanuit het verlangen elkaar aan te vullen en te verrijken met de inzichten, die Gods Geest ons in zo rijke mate en verscheidenheid heeft willen geven. Tot zo'n gesprek in dát kader en op dát niveau zijn we volop bereid! Tot aan de jongste dag, als dat nodig mocht zijn.
Onze vurige bede is dat deze synode stimulerend in deze richting mag werken.
Hoor ons kloppen op de deuren naar uw kerkverband en op de deur van uw hart. Het zou de indruk van onbeschaamdheid kunnen maken, dat we maar blijven aandringen op erkenning van uw kant. En als het niet was om de zaak van Christus' kerk, we zouden ons inderdaad terugtrekken en u niet langer lastig vallen. Maar juist omdat het broederhart naar u trekt, wagen we het ook nu weer dit appèl naar u te laten uitgaan. En als we in alle nuchterheid moeten vaststellen, dat op meerdere plaatsen zelfs een begin van een gesprek nog niet op gang gekomen is en op grote bezwaren stuit, wilt u dan niet serieus het voorstel van onze laatste Landelijke Vergadering overwegen, dat we u al vaker deden, om de mogelijkheden te onderzoeken voor de vorming van een federatief verband met uw kerken?
Zo'n verband kan o.i. de ruimte scheppen om juist ook volop rekening te houden met de plaatselijk soms zo diverse situatie.

Wachten en bidden
Broeder praeses, in 1964 hield de bekende Geref. Bondspredikant ds. G. Boer een referaat over 'De Gereformeerde Gezindte nu en in de toekomst'. Hij gebruikte daarinhet volgende beeld: "Gij hebt allen wel eens aan het strand gezeten. Op dat strand waren allerlei kuilen, waarin het zeewater stond. Wanneer krijgen deze zuilen contact met elkaar? Wanneer de vloed komt opzetten:" Ds. J. Maasland, die deze woorden aanhaalt in de bundel 'Beproefde trouw', verschenen bij het 75-jarig bestaan van de Geref. Bond, vraagt zich daarbij af of dat niet de vloed zal zijn van het oordeel Gods over zijn kerk en wereld, dat alle ware Christgelovigen naar elkaar toe zal drijven, zodat we ons de geestelijke weelde niet meer kunnen veroorloven om zo verdeeld op te trekken en elkaar te ontlopen. Ds. Boer zèlf echter sprak in zijn referaat, de bede uit: "God geve ons de vloed van de Heilige Geest,,7. Om die vloed, ja om de overvloed van de Heilige Geest is onlangs gebeden in de Chr. Geref. Ichthus-kerk in Amersfoort op een goed bezochte avond, belegd door het Gereformeerd Appèl. Het was verblijdend, dat zovelen uit heel ons land uit de Chr. Geref., de Ned. Geref. en de Geref. Vrijg. Kerken bijeen waren om God te smeken om onze onderlinge eenheid gestalte te geven, opdat de zelf zo verscheurde wereld gelove dat de Vader in de hemel zijn Zoon gezonden heeft om vrede te geven - vrede met God en vrede tussen mensen. Ik spreek de wens uit, dat de besluiten van uw synode een verhoring van veler gebeden mag zijn en dat u in uw overwegingen mag worden geleid door de Heilige Geest.
Tenslotte, ik hoop dat u het mij niet kwalijk neemt dat ik nogal wat van uw tijd in beslag genomen heb. Het belang van de zaak en het stadium waarin ons gesprek landelijk terecht is gekomen, gaf mij de vrijmoedigheid om die tijd mij toe te eigenen. Dat we hier vandaag in uw midden mogen zijn om tot u het woord te kunnen richten, daarvoor danken we u met een hartelijke broedergroet namens onze kerken.

Noten:
1 Deze eer was aanvankelijk bestemd voor collega M.H.T. Biewenga van Emmeloord.
2 De Deputaten stelden aan de Synode voor het gesprek over de toeëigening des heils voort te zetten en de plaatselijke kerken te vragen om terughoudend te zijn in het aangaan en uitbouwen van kontakten.
3 Verslag van de zitting van 8 juni 1991.
4 Accentuering van mij. Deze formulering van het besluit stoelt op de overweging, dat dit gesprek zijn afronding zou vinden in de besluiten van de Chr. Geref. Synode van Apeldoorn.

5 Koers, lopende jaargang, nr. 19. Op de synode werd mij door één van de afgevaardigden te kennen gegeven, dat dr. Hoek niet beschouwd mocht worden als praeadviseur van een Chr. Geref. Synode. Ik zag met blijdschap, dat in 'De Wekker' van 23 oktober j.l. toch ook prof. Van 't Spijker de woorden van dr. Hoek aanhaalt als een opmerkelijk commentaar van toch niet de eerste de beste op het gesprek tussen de Chr. Gereformeerden en de Ned. Gereformeerden over 'de toeëigening des heils'.

6 Pag. 86 van het Deputatenrapport.
7 J. v.d. Graaf e.a., Beproefde trouw, Vijfenzeventig jaar Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk, Kok, Kampen, z.j., pag. 287v.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief