Zendingsperspectieven in de eredienst

1992-11-20
  • Jaargang 36
  • nummer 24
Enige tijd geleden al weer leverde ik een bijdrage over liturgie en zending in ons blad. Ik werd daartoe geïnspireerd door lezing van een paar artikelen geschreven door de vooraanstaande Stellenbosse zendingshoogleraar dr. J. du Preez. Het doet mij dan ook genoegen nu een publikatie van zijn hand aan te kunnen kondigen die geheel aan de relatie tussen de eredienst en de zending is gewijd: Sendingsperspektiewe in die erediens, 1992. Ik ga uitvoeriger op dit boekje een deeltje i" de interessante serie Stellenbosse Teologiese Studies - in dan een boekbespreking eigenlijk toelaat. Maar de zaak lijkt mij van veel belang. Vandaag de dag staat de gemeente-opbouw in het centrum van de belangstelling. Daarbij kan niet anders dan uitvoerig over eredienst en over zending gesproken worden. In deze bijdrage van Prof du Preez wordt de onderlinge relatie tussen beide brandpunten van gemeente-opbouw aan de orde gesteld. In een theologisch verantwoord en confessioneel belijnd betoog laat hij zien dat de zondagse eredienst alles te maken heeft met de zendingsroeping van de kerk.

Hoe komt iemand ertoe om eredienst en zending onlosmakelijk aan elkaar te koppelen? Ou Preez wijst erop dat de God die in de eredienst aanbeden wordt de zendende God is: Hij zond Christus in deze wereld, die zijn leven voor velen gegeven heeft, en die na zijn opstanding uit de dood en de schenking van zijn Geest zijn discipelen de wereld in zond om volkeren tot zijn leerlingen te maken. Zending komt op uit het hart van God, en is geheel en al Zijn werk. Vandaar dan ook dat Ou Preez blijft spreken van Missio Dei in navolging onder andere van Prof David Bosch die over deze term onlangs opmerkte: Zending is vóór alles het werk van de Drie-ene God, Schepper, Verlosser en Heiligmaker ten dienste van de wereld; een dienst waaraan de kerk door Gods genade mag deel hebben. Deze God is het die door zijn Geest zijn kinderen in staat stelt Hem te aanbidden in de eredienst.

Zending zowel als eredienst zijn aspecten van het ene werk van God door zijn Geest in deze wereld.
Het werk van God is één; en daarom horen eredienst en zending ook onlosmakelijk bijeen. Nog van een andere kant benadert Prof du Preez de samenhang tussen eredienst en zending. Hij beschrijft de verhouding tussen kerk en koninkrijk van God: de kerk is de ruimte in deze wereld waar de koningsheerschappij van Christus vorm en gestalte krijgt.
De kerk is zo een teken dat naar dit rijk verwijst. Als getuige van dit rijk moet de kerk geheel en al op dit rijk dat gekomen en komende is, gericht zijn. Ze is daaraan dienstbaar met al wat ze is en heeft, ook in de eredienst.
Het verbaast dan ook niet dat zo de eredienst in het kader van het koninkrijk van God wordt geplaatst. En tegen deze achtergrond komt du Preez dan te spreken over zendingsperspektieven in de eredienst.

Prof du Preez werkt dus sterk met het koninkrijksmotief. En al is daar niets op tegen, toch zou ik graag de zaak ook nog vanuit het verbond benaderd hebben gezien. Juist waar het gaat om de eredienst, lijkt mij het verbond een eerste invalshoek. In zijn dissertatie Die koms van die koninkryk volgens die boek Openbaring, 1979, betoogt hij dat het koninkrijk van God komt in de weg van het verbond. Op deze manier kunnen we de onverbrekelijke band tussen zending en eredienst glashelder laten zien. Maar hij zal het op dit punt wel met mij eens zijn, denk ik. Het is goed hierbij het onderscheid in rekening te brengen dat Ou Preez in navolging van anderen maakt tussen missionaire intentie en missionaire dimensie. Wanneer de eredienst gebruikt wordt als onderdeel van een evangelisatiecampagne, dan wordt ze doelbewust (intentioneel) voor de zending ingezet. De eredienst is dan zendingsgericht.
Maar over het algemeen is dat niet het geval. Toch is de eredienst als geheel en in haar onderdelen een getuigenis in en naar de wereld toe, zelfs ook wanneer de kerk op het intiemst omgang heeft met haar Heer aan het Avondmaal. Dat is de zendingsdimensie die de eredienst doortrekt; ze is dan zendingsbetrokken.
Het is goed dit bizonder zinvolle onderscheid toe te passen bij ons nadenken over eredienst en zending.
De eredienst wordt door Prof du Preez getypeerd als viering - viering van het heil en van de onderlinge gemeenschap.
En terecht wijst hij erop dat die viering op de toonhoogte van de aanbidding moet worden gehouden. Eredienst is boven alles aanbidding (worship) - een kenmerk dat in gereformeerde kerkdiensten m.i. niet altijd zo duidelijk wordt opgemerkt. Maar ook al is de kerk in de eredienst op deze manier sterk vertikaal en intern bezig, toch is ze zo een getuige van het koninkrijk in de wereld de wereld ten goede. Met een aantal bijbelse voorbeelden laat hij de wederzijdse betrokkenheid zien die er is tussen eredienst als viering en aanbidding enerzijds en het op de wereld gerichte getuigenis anderzijds, bij voorbeeld Hand. 2:42-47; Openb. 22:17.

Het kan niet de bedoeling zijn hier na te gaan hoe Prof du Preez de verschillende onderdelen van de liturgie natrekt op hun missionaire betrokkenheid en gerichtheid. In de paragraaf over de prediking komt hij heel praktisch met richtlijnen hoe men in een preek, ook op de feestdagen van het kerkelijk jaar, de zendingsbetrokkenheid van de bijbelse stof kan laten zien. Ook waar de tekst niet duidelijk zendingsgericht is, heeft de preek toch een zendingsbetrokkenheid. Want de gemeente wordt zo toegerust voor haar werk als getuige van het gekomen en komende rijk. Een dimensie die de prediker niet uit het oog, en het hart, moet verliezen.

Zijn behandeling van de sacramenten vind ik werkelijk uitstekend. Het is toch te betreuren dat het missionaire sacrament bij uitstek, de doop, zo weinig missionair wordt beleefd in veel gereformeerde kerken. De kerkelijke formulieren leggen ook geen verband tussen doop en zending. In het dankgebed na de doop zou m.i. heel goed een plaats ingeruimd kunnen worden voor de roeping van de dopeling om getuige te zijn van zijn nieuwe Heer en diens rijk. Het zelfde kan in verband met het Avondmaal gezegd worden.

Ik wil tenslotte alleen nog wijzen op Prof du Preez' behandeling van de voorbede in zendingsperspectief. Hij haalt een aantal treffende voorbeelden uit de Bijbel aan waarin het lot van de heidenwereld aan God wordt voorgelegd.
Het meest roerende voorbeeld vind ik nog altijd het gebed van Salomo bij de tempelopening, 1 Kon.
8:41-43. In de dienst der voorbeden zou ook heel goed een informatieelement ingebouwd kunnen worden, bij voorbeeld door eerst een gebedsbrief voor de zending voor te lezen, of door over lokaal evangelisatie werk te (laten) informeren. Ou Preez bespreekt dan ook de betekenis van de aankondigingen in de eredienst vanuit zendingsperspectief (:79). En wat ik zelf destijds over de plaats van de collecte in de eredienst schreef, vond ik bij hem bevestigd. De brochure van Prof du Preez bepaalt en zending op elkaar betrokken zijn.
Het zou rituele onzin zijn om zondags naar de kerk te gaan, maar de rest van de week ons geloof thuis te laten. Zondag 38 Heid. Kat. wijst terecht op het onderlinge verband tussen het een en het ander. Maar even onzinnig is het God zondags in de eredienst te aanbidden, maar het christelijk getuigenis verder maar te vergeten. Op dit verband wijst Zondag 38 helaas niet, al zou met een beetje goede wil het er wel ingelezen kunnen worden.

Wil zending niet verworden tot een menselijk project, waarbij het vooral aankomt op goede planning en efficiënte organisatie, de eredienst moet ons erbij bepalen dat zending Gods eigen werk is, waarin wij mogen mee doen. Zending is een voorrecht, en geen recht, van de kerk. We zouden dit een liturgisch perspectief op de zending kunnen noemen. Ik wil maar zeggen: Prof du Preez' studie noodt tot verdere bezinning op zending. En wie zou daar niet aan willen meedoen?

Naar aanleiding van:
Prof. Dr. J. du Preez
Sendingperspektiewe in die erediens.

Stellenbosse teologiese Studies No's 18-19.
NG Kerk Uitgewers, 1992.
Pagg. 112; Prijs: R 35,- (ong. f 25,-);

ISBN-NO0 86991 5738.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief