Verhalen uit een verwoest verleden

1992-11-20
  • Jaargang 36
  • nummer 24
In de serie privé-domein van uitgeverij De Arbeiderspers verschijnen met gestage regelmaat autobiografische geschriften. Het is een prachtige serie, mooie boeken, fraai vormgegeven. Nu wordt het soort biografie waar privédomein het van moet hebben reeds lange tijd tot de literatuur gerekend. In de serie treffen we werk aan van Slauerhoff, A. Roland Holst, Multatuli en menige Rus, waaronder Toergenjew, Tsjechow en Tolstoj. Het lezen van brieven en dagboeken van geliefde schrijvers blijkt een prachtig middel om de auteur, die je al uit zijn romans, verhalen of gedichten meende te kennen, te ontmoeten.

Van de vorig jaar op 87-jarige leeftijd overleden Poolse schrijver Isaac Bashevis Singer is als deel 180 in privedomein verschenen: Het hof van mijn vader, herinneringen aan een joodse jeugd. Singer werd op 14juli 1904 in het Poolse Radzymin geboren, een dorp in de buurt van Warschau. Toen hij vier was verhuisde het gezin naar de hoofdstad. Zijn vader was rabbi en hij kreeg een traditioneel joodse opvoeding en scholing. Zijn ouders hadden hem voorbestemd om rabbijn te worden. Onder invloed van zijn oudere broer besloot hij op zijn twintigste de religieuze studie te verruilen voor het schrijverschap. De eerste tijd schreef hij voornamelijk in het Hebreeuws, maar die taal was te beperkend, ook al omdat bijna niemand in zijn omgeving het sprak. Hij ging over op het Jiddisch, een taal waarin hij zijn hele leven zou blijven schrijven, ook toen hij naar de Verenigde Staten geëmigreerd was.

Emigratie
De emigratie van Polen naar de Verenigde Staten vond plaats in 1935. Singer voelde toen al de dreiging van Nazi-Duitsland, maar ook de steeds verdere verslechtering van de situatie der Poolse joden deden hem zijn geboorteland de rug toekeren. In Amerika begon hij te schrijven aan een oeuvre, waarin zijn land van herkomst steeds het decor vormt van, om hun levensechtheid en kwaliteit veelgeroemde verhalen. Singer is nooit meer teruggekeerd naar Polen. In 1980 bedankte hij voor de uitnodiging door een Poolse literaire groepering voor een schrijversbijeenkomst in Warschau.
"Ik zou het vreselijk vinden Polen te zien zonder er de mensen te treffen die mij na waren, en die gestraft zijn voor zonden die zij niet bedreven hebben. Ik ben bang dat ik zal moeten blijven schrijven over het Polen dat ik mij herinner."
Over dat Polen en over de mensen die hem na waren gaat de autobiografie die nu verschenen is. In het voorwoord schrijft Singer dat het boek het resultaat is van een poging twee genres met elkaar te combineren - memoires en bellettrie. Het boek berust op ware gebeurtenissen en wat o/:?getekendis, werd gezegd, maar de dialogen zijn gestileerd en hier en daar is een pointe aangescherpt, zonder dat de essentie van het gebeurde geweld werd aangedaan.

Beth Din
Het boek gaat over een gezin en een rabbinale rechtbank, die, aldus Singer, zo dicht op elkaar zaten dat er geen grens tussen te trekken viel. Deze rechtbank, Beth Din, is ontstaan toen Jethro Mozes de raad gaf zich bij de rechtspraak ter zijde te laten staan door helpers. Het gezin waarin Singer opgroeide, was nauw verweven met de rechtbank. Zijn vader wijdde zijn leven voor het ene deel aan het lezen van de Talmoed en voor het andere aan de rechtspraak. De Beth Din heeft Singer een rijke jeugd gegeven, al was het alleen maar door de onafzienbare stoet bizarre figuren die aan hem voorbij trok en door de uitzonderlijke gebeurtenissen waarvan hij getuige was. In het hoofdstukje Een gruwelijke vraag zit een aantal mannen in de winter bij de rabbijn Chassidische kwesties te bespreken. Het is sabbat. "Midden in die sfeer van hoop en verwachting met haar beloften en zegeningen en vervulling, ging de deur open en kwam er een oude jood binnen.
Hij oogde niet als een gewone pauper, maar als een bedelaar uit een verhalenboek. Zijn opgelapte lange jas zal vol gaten waardoorheen het katoenen vulsel en de voering zichtbaar waren. Zijn pet was gerafeld. Zijn baard zat onder de sneeuwen ik geloof dat er ijspegels aan hingen. De man bracht de rauwheid van het leven van alledag en de winterse koude mee naar binnen. 'Een goede week, rabbijn' 'U ook een goede week en een goed jaar. Zegt u het eens'."
Na enig aarzelen stelt de man zijn vraag: "Rabbijn, mag een man bij zijn dode vrouw slapen?"
Het blijkt dat de vrouw al op de vrijdag voor de sabbat overleden is en dat de man haar niet op de grond durft leggen vanwege de ratten, die in de kelder waar hij woont over de grond lopen. "Ik ben al een nacht opgebleven maar ik ben nu uitgeput. Dus wil ik graag weten, rabbijn, of ik bij het lijk in bed mag liggen'. Terwijl de man die laatste woorden sprak, zag ik iets dat ik nog nooit gezien had. het gezicht van mijn vader was helemaal betraand."

Armoede
Als de eerste opwinding wat verdwenen is, besluiten de mannen dat er wat gedaan moet worden. Ze stellen allerlei noodzakelijke middelen beschikbaar om de eerste nood te lenigen en besluiten naar het huis van de man te gaan. De jonge Singer mag eigenlijk niet mee, maar weet toch het ouderlijk huis te ontglippen. "Het was geen gewoon souterrain maar een grot, een hol in de aarde. [...] De man woonde onder de grond. Daar in de duisternis, in de kou en de viezigheid, leidde hij zijn ellendige bestaan met zijn vrouw, vechtend tegen horden kruipende schepselen die zijn lichaam en zijn korsten brood probeerden op te peuzelen. En nu dreigen die boosaardige dieren dat veel gekwelde lichaam ook nog te verminken."

Eeuwig leven
Het is niet alleen droefheid in dit boek. Het is echt een heel rijk boek. Prachtig is het verhaal, De handelaar, over de man (een soort rijke jongeling of een Ezau, wie u maar wilt) die bij vader Singer komt en uitblinkt in zijn kennis van Thora en Talmoed. "Vader wreef over zijn voorhoofd en smakte bijna met zijn lippen. Hij zei: "Het is een voorrecht om u in huis te hebben." Hij stuurde me naar moeder om te zeggen dat ze thee en versnaperingen voor zijn gast moest brengen. Even later kwam hij zelf de keuken in om haar over de bezoeker te vertellen. Moeder, zelf dochter van een vermaarde rabbijn was even opgetogen. Bij ons thuis werd geleerdheid beschouwd als de grootste rijkdom. Ik hield mijn oren wijd open want ik wilde geen woord missen." De rabbijn heeft zeer diepgaande gesprekken met de man. In de studeerkamer wordt het gesprek echter op steeds luider toon voortgezet.
"Af en toe meende ik zelfs een gesmoorde kreet te horen. Het was mijn vaders stem en het leek wel of hij kwaad was op iemand, alsof hij op het punt stond in woede uit te barsten maar zich met veel moeite wist te beheersen. [...] Het leed geen twijfel meer dat er een twistgesprek - een regelrechte ruzie - aan de gang was."
Dan komt de aap uit de mouw: de man is atheïst en wil zijn aandeel in het eeuwige leven voor honderd roebel verkopen. Aangezien hij zoveel kennis van de Thora en andere heilige zaken had vergaard, had hij volgens hem recht op een groot aandeel in de eeuwigheid.

Het boek geeft een indringend beeld van een wereld die er niet meer is. De dreiging van de Eerste Wereldoorlog, de moeizame verhouding van met de niet-joden, de reis van de jonge Singer naar het platteland van Polen, de vriendschappen, de schilderachtige types die bij vader Singer kwamen klagen, bijpraten, discussiëren, ruzies bijleggen, biechten en advies vragen. Dit alles en nog veel meer maken Het hof van mijn vader zeer de moeite waard. Een groot gebrek van het boek is alleen het ontbreken van een verklarende woordenlijst. Tal van Jiddische woorden worden niet verklaard en ook uit de tekst is niet altijd duidelijk wat onder een term precies verstaan moet worden. Weet u bijvoorbeeld wat een av is, of chamets, of jesjiewe en asjer jotzar?

I.B. Singer, Het hof van mijn vader. Herinneringen aan een joodse jeugd, De Arbeiderspers, 325 pagina's, f 49,50

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief