Nogmaals: geloof en theologie
1992-12-18
Volgens belofte zou ik nog nader ingaan op de artikelen van professor Troost waarin hij de discussie met mij aanging over geloof en theologie. De lezer kan ze vinden in de nummers 22 en 23 van de lopende jaargang. Zijn eerste artikel titelde Troost met het opschrift 'Begin van een noodzakelijke discussie'. Ik moet zeggen dat mij dit iets te enthousiast klinkt. Ook de artikelen zelf voeren een wat gretige toon: Ha, eindelijk respons! Ik ben bang dat ik mijn correspondent moet teleurstellen.- Jaargang 36
- nummer 26
Ik vrees dat ik niet competent en filosofisch geschoold genoeg ben om een dergelijk gesprek lang vol te houden.
Voor mij wordt dit dan ook het (voorlopige?) einde van een discussie die misschien wel noodzakelijk is maar dan toch beter door anderen kan worden voortgezet. We moeten trouwens oppassen dat we de lezers niet te zeer vermoeien met dingen waar ze (volgens Troost: gelukkig!) geen verstand van hebben. Ik zal niet zeggen dat een gesprek over dit onderwerp voor ons blad ongeschikt is (ik kàn dat op mijn standpunt ook niet zeggen!), maar we zullen er wel op toe moeten zien dat we er maat in houden. Dus misschien zo af en toe eens wat, meer niet.
Aanleiding
Laat ik de diepere aanleiding nog eens even ophalen die mij ertoe bracht op Troosts beschouwingen over geloof en theologie te reageren. Die was gelegen in wat hij schreef over het rapport ter zake van de vrouw in het ambt.
Daar zei hij theologisch ja tegen terwijl hij het tegelijkertijd voor het kerkelijk gebruik, dus geloofsmatig, ongeschikt vond. En dat terwijl van hem bekend is dat hij volstrekt niet tegen de vrouw in het ambt is. Nu, eerlijk gezegd, daar kan ik niets mee. Dat is mij te subtiel. Nog een ander voorbeeld, uit één van zijn artikelen: Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus: Wat is een waar geloof? Tegen het antwoord dat daar op die vraag gegeven wordt zegt Troost geloofsmatig ja en amen maar theologisch vindt hij het te scholastisch, te theoretisch dus. Ra, ra, hoe kan dat? Professor Troost kan wel zeggen dat hij tussen geloof en theologie niet scheidt maar slechts onderscheidt, maar gelet op deze voorbeelden ben ik zo vrij te zeggen dat de dingen hier zo scherp tegenover elkaar worden gezet dat het op een scheiding moet uitlopen. En dan vind ik mijn voorstelling nog niet zo gek volgens welke geloof en theologie elkaar wederzijds doordringen. En dat op alle gebied, tot in het binnenste van het geloof toe. Daar worden de dingen niet gemakkelijker van maar aan de werkelijkheid doe ik zo m.i. het meeste recht.
Tegen het luchtfietsen
Mijn uitsluitende bedoeling is om geloof en theologie zo dicht als mogelijk is bij elkaar te houden. Om te voorkomen dat de theologie een eigen leven gaat leiden en geheel vrijblijvend wordt of in luchtfietsen ontaardt. Theologie - geschoold of ongeschoold, dat doet er· nu even niet toe - is voor mij een funktie van de hele christelijke gemeente. Het heeft me dan ook verbaasd bij Troost een verhaal aan te treffen over theologie en 'volksgeloof' waarin hij de misstand hekelt dat het geloof beoordeeld wordt als slechts mening waartegenover dan de theologie komt te schitteren als nota bene geloofsdeskundigheid. Ik vind eerlijk gezegd niet dat mij dat waarschuwend moet worden voorgehouden. De tendens van mijn verhaal was immers duidelijk gericht op juist een democratisering van de theologie. 'Ook u bedrijft theologie', zei ik als het ware tegen de gemeente. Ik voerde daar zelfs mijn catechisanten bij op. Natuurlijk met de bedoeling dat de gemeente de vrees tegenover de theologie zal afleggen en zich bewust zal zijn dat ze rechtens meepraat en zich niets moet laten aanpraten bij alles wat er theologisch verhapstukt wordt. 'Ja maar, moet ze daarvoor dan niet van alle problemen op de hoogte zijn?' Welnee!
In alle theologie gaat het over voor de gemeente herkenbare dingen. Men hoeft die niet schools te beheersen om er een opinie over te hebben. Eigenlijk niet anders dan in het medische. De tijd is toch zeker voorbij dat de doktoren in het latijn stonden te prevelen boven het bed van de patiënt zonder dat diens mening over zijn eigen lichaam en zijn eigen kwalen er iets toe deed?
Relativeren
"Ja maar", zal iemand zeggen, "als je geloof en theologie elkaar wederzijds zo laat doordringen als jij nu zegt is het gevaar dan niet levensgroot dat je een relativerend element in de wereld van het geloof zelf laat binnensijpelen?"
Want theologie, hoe je het ook keert of wendt, dat is toch iets waarover te praten valt. Terwijl het geloof een zeker weten en een vast vertrouwen is en zich daarin boven het nivo van de diskussie verheft. Precies! Dat is natuurlijk ook de reden dat men in onze kringen niet van de theologie van een Paulus of één der anderen wil spreken. Te relativerend. En dat is tevens de achtergrond van het verwijt van Troost aan mij dat ik over Kuitert te naïef en te argeloos geschreven heb. Het relativerende van de theologie, daar is men bang voor. Nu, ik versta die vrees wel maar ik deel haar niet. Het relativerende waar men zo bang voor is, lijkt me namelijk onvermijdelijk. En dat vanwege de aard van de bron-en-norm waarop wij ons voor het geloof oriënteren: de bijbel, de Heilige Schrift. Want bij alles wat we verder ten aanzien van de bijbel geloven (voor alles dat het Gods Woord is!), moet toch ook in alle nuchterheid worden vastgesteld dat het een boek is van (minstens) tweeduizend jaar geleden. Daarmee werken in de twintigste eeuw kan alleen maar onderscheidenderwijs en schiftenderwijs.
Een keurende houding is daarvoor nodig. Een kritisch lezen waar geen bijbelgebruiker aan ontkomt. En daarmee zit je al volop in de theologie. Onontwijkbaar.
Vereenzelviging
Nee, ik zou veel banger zijn voor een ander gevaar dat mijn standpunt bedreigt. Voor het omgekeerde. Dat ik namelijk de absoluutheid van het geloof naar de theologie ging doorberekenen. Daar moeten we stellig voor oppassen en daar laat ik mij ook graag tegen waarschuwen. In die val is men in het verleden immers ook vaak genoeg gelopen. Dan is de theologie niet langer bediscussieerbaar en bevraagbaar naar argumenten, nee, dan wordt bij iedere theologische borrelpraat "zo zegt de HERE!" geschreeuwd. Dat kan niet. Maar dat andere, dat relativeren, ja dat moet. Te lang hebben we, ook in de bijbel, Gods woord met de daarin voorkomende theologie vereenzelvigd.
Dat betekende bijvoorbeeld dat wanneer we in de bijbel op een vergeetachtigheid van de apostel stuitten ("Verder weet ik niet of ik nog iemand gedoopt heb", 1 Korintiërs 1 : 16) of op een kennelijke doordraverij ("Alle Kretenzen zijn leugenaars", Titus 1 : 12) of op een beperktheid van visie (zoals ten aanzien van de homofilie) of op een discriminatie van de vrouw als vrouw (Prediker 7 : 26 - 28) of op getuigenissen van racistische aard ("Vervloekt zij Kanaän (Cham)", Genesis 9 : 25) of op notoire historische onjuistheden (zoals bijvoorbeeld bij vergelijking tussen Koningen en Kronieken aan de dag treden), - wij in onoplosbare problemen terecht kwamen. Het móest alles kloppen maar het klopte niet.
Hoeveel kostbare energie is er niet verbruikt om al zulke plooien glad te strijken! Ik heb er zelf ook wel aan meegedaan. Totdat ik ben gaan ontdekken dat ik met zulke exercities de bijbel verschrikkelijk onrecht aandeed.
Ik beoordeelde hem met maatstaven van de twintigste eeuw. Vanuit de gedachte dat God volmaakt is en dat dus zijn Woord op alle gebied het bewijs van diezelfde volmaaktheid moest afleggen. Wat een overvraging van de Schrift was dat! En wat liep ze daardoor gevaar verwaarloosd te worden als de volstrekt unieke kennisbron van het heilsplan en heilswerk van God dat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgeklommen!
Theologie in de Schrift
Zeker treffen we theologie aan in de Schrift en even zeker hebben wij de theologie nodig om die theologische bestanddelen te onderkennen en te relativeren. Betekent dat nu dat we na aftrek van die bestanddelen een soort van gekuiste bijbel overhouden die dan boven elke theologische diskussie verheven zou zijn? Dat zou mij dan wel in strijd brengen met mijn eerdere bewering dat tot in het binnenste van' het geloof toe de theologie haar partijtje meeblaast. Ik hou die bewering staande en zal nu aangeven hoe zich dat zou kunnen realiseren. Neem als voorbeeld het apostolische woord dat ik in één van mijn vorige artikelen in dit verband ter sprake bracht: "Indien iemand de Here niet lief heeft, die zij vervloekt!" (1 Korintiërs 16 : 22). Toch een uitspraak waar theologie weinig aan toe te voegen of op af te dingen heeft, zou je zo zeggen. Stellig! Maar nu de vraag: waar en wanneer laten we zo'n reuze 'statement' los en geven wij zo'n oordeel af? We kunnen deze tekst zo plaatsen dat we er niets dan onheil en verwoesting mee aanrichten. Bijvoorbeeld tegenover iemand die op serieuze gronden meent zich te moeten afvragen of een bepaald woord dat door het evangelie Jezus in de mond wordt gelegd misschien toch uit een latere tijd en van een andere zegsman afkomstig is. Dat zo iets dan als een gebrek aan liefde tegenover de Heiland wordt uitgelegd en .. rang! - daar krijgt hij dat geladen woord over zich heen. Daaraan zie je dan hoe de theologie wel degelijk meedoet in het functioneren van zo'n schijnbaar boven alle theologie verheven woord. In dit geval zelfs een slechte theologie. Dit raakt natuurlijk heel duidelijk de prediking. Van een rustende en op de schoorsteenmantel prijkende bijbel is gemakkelijk te geloven dat-ie onfeilbaar is. Van de bijbel zoals hij in de prediking (prediking in de ruimste zin van het woord) functioneert even gemakkelijk?
Die prediking zou daarvoor ook onfeilbaar moeten zijn. Wat ze duidelijk niet is. Nooit en nergens.
Daarom heb je juist in de praktijk zo weinig aan het leerstuk van een onfeilbare bijbel. Wat heb je aan een onfeilbare steen als de slinger waarmee hij gegooid wordt feilen vertoont? Beter dan zo'n nutteloos onfeilbaarheidsdogma omtrent de Heilige Schrift is daarom het aanhoudende gebed om de Heilige Geest of het Hem behagen mag de prediking en de theologie daaromheen te gebruiken voor het laten doorkomen van de werkelijke bedoeling en de doorgaande boodschap van de bijbel. Te vaak immers komt het voor dat de Schrift tot op de kansel toe door een slechte theologie (opnieuw: geschoold of ongeschoold) mishandeld wordt en haar zwakke kanten tot juist het eigenlijke verheven worden.
Dubbelsporigheid
Het blijft er dus bij dat alles van ons christelijke geloof voor mij theologisch bediscussieerbaar en bevraagbaar is.
Er is zoals gezegd geen theologievrije zone. Dat houd ik staande. Maar ook is waar dat dwars door onze palavers heen de Heilige Geest een zeker weten en een vast vertrouwen in onze harten werkt. Hoe het een met het ander kan samengaan, dat is voor mij een geheim. Professor Troost vroeg zich af of het bij mij wel functioneerde dat ik tussen geloof en theologie onderscheid. Hij was blij dat ik het verschil erkende maar hij zag het er bij mij niet uitkomen. Ik antwoord: Juist omdat ik onderscheid in plaats van scheid blijven bij mij de dingen in elkaar gevouwen en zijn ze niet los verkrijgbaar. Maar geen misverstand, ze zijn ook voor mij degelijk verschillend. Ik schreef toch ook over de dubbelheid waarin ik de kerkdienst beleef?
"Ik moet zeggen, dat ik in kerkdiensten (met name in die welke ikzelf leid) veel met 'kritische distantie' waarneem. Bijvoorbeeld vanuit de vraag: Hoe kan het beter? Toch ontken ik niet dat ik in die diensten de Heilige Geest ontmoet. Hoe dat samen kan gaan is voor mij een raadsel, maar geen twijfel: Het is zo". In die passage maakte ik, dacht ik, merkbaar ernst met het bedoelde onderscheid. Er is bij mij duidelijk een dubbelsporigheid. Maar ... op een gegeven ogenblik de theologie slapend achterlaten om dan vervolgens op een steenworp afstand verder puur te geloven, dat is een handeling die ik niet kan voltrekken.
Kuitert
Laat ik nu tenslotte nog even terugkomen op mijn artikelen over het boek van Kuitert. Zoals ik al memoreerde vindt professor Troost dat ik daarin te naïef en te argeloos geweest ben. "Hij liep m.i. naïef en argeloos in de oude valkuil van het rationalisme in de vorm van een (...) theologische wetenschapsoverschatting"
. Laat ik voorop stellen dat er bij mij als ik daar zo expresselijk op terugkom (terwijl het bij Troost toch maar een opmerking tussendoor was), geen sprake is van enige geraaktheid. Ik heb immers mezelf dezelfde of soortgelijke dingen ook wel afgevraagd - zoals zelfs in die artikelen te lezen staat. Waarom zou een ander het dan niet mogen doen? Nee, even goeie vrienden, echt. Dat ik erop terug kom is omdat Troost terecht een samenhang vermoedt tussen mijn discussie met hem en mijn artikelen over het bedoelde boek van Kuitert.
Die samenhang voel ik zelf ook. Welnu, wat Troosts kritische opmerking zelf betreft, ik meen dat ik daar in het voorgaande al genoeg op ingegaan ben. Van wetenschapsoverschatting is bij mij, geloof ik, geen sprake.
En laat ik dan over Kuiterts publicatie verder nog dit mogen zeggen. Onder mijn kinderen heb ik er die niet geloven.
Kuitert is één van de weinigen die met zijn boek een hand naar ze heeft uitgestoken. Daar wou ik hem, naïf of niet, gewoon maar eens publiek voor bedanken. Hij heeft laten zien dat er over het geloof te praten valt. Dat er goede argumenten voor zijn. Dat dat er ook een kant aan is. Bij alle gezagsmatige benaderingen van het geloof vind ik dat een verademing. Het is verfrissend om mee te maken hoe je ten aanzien van het geloof behalve van de zondag naar de maandag ook wel eens omgekeerd van de maandag naar de zondag kunt gaan, niet enkel van de bijbel naar de wereld maar ook van de wereld naar de bijbel, zoals Kuitert doet. Ik vind dat een hoognodige aanvulling bij de gezagsmatige geloofsbehandeling waaraan we gewend zijn. Het gezag - zijn wij niet teveel met het gezag in de weer? Bijbelgezag, belijdenisgezag, gezag van de kerkorde, van de kerkenraad. het ouderlijke gezag, het kan niet op. En dat in een tijd waarin hoegenaamd niets meer met gezag wordt uitgemaakt. Op elk gebied worden argumenten gevraagd. In zo'n wereld groeien onze kinderen op. En wij gaan maar alsof er niets aan de hand is door met het gezagsmatig afdwingen van het geloof. Het lijkt wel of we een ontsteking hebben aan het gezagsorgaan.
We komen er nog eens een keer in om als we niet oppassen. Kuitert erkent te weinig gezag, okee. Heb ik ook uiteengezet in het artikel waarin ik zijn schriftbeschouwing besprak. Maar je kunt hem daarmee niet afdoen, het helaas wat wrange boekje van professor Douma ('Algemeen Betwijfeld?, Een weerwoord aan Kuitert') ten spijt.
Vooral hoofdstuk 1 daarvan deugt niet, het is met name vanwege die (onnauwkeurige!) 'zondelijst' op pagina 11 en 12 een spelen op de man in plaats van op de bal. Daarna wordt het beter en spoort zijn kritiek gedeeltelijk met de mijne. Ik voor mij vind dat Kuitert modern is maar anders dan de modernen, anders dan de cynische ondergravers van het geloof. Modern maar niet modisch, zoiets. Met voldoende durf om naar orthodoxen en vrijzinnigen toe onpopulair te zijn. Er zal nog een tijd komen dat we naar hem zullen vragen als naar een bondgenoot. Praat maar eens echt met een moslim, dan zul je wel merken hoe kuitertiaans je bezig bent.