Zacharias: van Zwijger tot Godlover
1992-12-18
Van het begin van Matteüs kunnen we zeggen: dit is profetische geschiedschrijving. De proloog van Johannes zouden we majesteitelijk kunnen noemen. Maar wat is nu het typerende van de beginhoofdstukken van Lukas?- Jaargang 36
- nummer 26
Ik geloof dat we ook hier met profetische geschiedschrijving te doen hebben, maar dan van een heel eigen soort. Mag ik mijn bevindingen aan de lezers van Opbouw voorleggen?
Lukas en Paulus
Om het kenmerkende van Lukas 1:5-2:40 op het spoor te komen ben ik eerst te rade gegaan bij de relatie tussen Lukas en Paulus. In Kolossenzen 4:14 wordt Lukas 'de geliefde geneesheer' genoemd. Gezien de zorgvuldigheid waarmee Paulus zijn medewerkers typeert, lijkt dit meer dan een aanduiding dat Lukas een gewild arts was.
Op het moment dat we Lukas voor het eerst samen zien met de apostel kunnen we spreken van een kritiek punt in de loopbaan van de laatste. Paulus en zijn metgezellen hadden het geprobeerd in Asia, daarna wilden ze naar Bitynië reizen "maar de Geest van Jezus liet het hun niet toe" (Hand. 16:6,7). Gesloten deuren. Na een gezicht loopt het uit op een keerpunt: ze gaan verder naar Macedonië, maar nu met Lukas erbij. Het onderwerp in de volgende pericoop is 'wij'. Dit keerpunt 1) moet de band tussen Paulus en zijn medewerkers, en dus ook met Lukas, bijzonder versterkt hebben. En de opengaande deuren te Filippi (16:15)deden daar nog een schepje bovenop.
Om een eerste liefde
Op een ander keerpunt, aan het begin van de voor Paulus zo belangrijke reis naar Jeruzalem, (20:3-6, 16), blijkt Lukas meer dan één van de vele metgezellen te zijn. Het is Lukas die dan alleen met Paulus door Macedonië op pad gaat, nadat de andere adjudanten van de apostel, zoals Timoteüs, Tychikus en Trofimus vooruit waren gereisd naar Troas. Paulus en Lukas hadden kennelijk iets te bepraten. Wat zullen ze al wandelend met elkaar besproken hebben, zo vraag je je af, op weg naar Filippi. Daar, in die eersteling-gemeente, die Paulus zo na aan het hart lag, brengen ze de dagen der ongezuurde broden door. De kollekte voor Jeruzalem en wat Paulus daarmee beoogde (vgl. Rom. 15:25-28) zal zeker onderwerp van gesprek geweest zijn. De gaven van de 'eerstelingen' van de oogst onder de heidenen moesten (opnieuw) op het Joodse eerstelingenfeestgepresenteerd worden: een onderneming en een gebedsIast die - opnieuw - de band versterkt zal hebben.
Compagnons
Doorslaggevend bewijs voor de bijzondere band tussen Paulus en Lukas is natuurlijk het feit dat de schrijver van Handelingen vanaf hfdst. 13 feitelijk de biograaf van Paulus werd. Van Paulus als heidenzendeling, maar ook en vooral van een Paulus die het evangelie verkondigt aan Joden. De beklaagde ontpopte zich steeds meer als verdediger van het evangelie tegenover koningen en de kinderen Israëls.De laatstgenoemden lagen hem niet minder na aan het hart dan de heidenen.
Direkt na zijn bekering trad Paulus al vrijmoedig op .tegenover de Joden, in Damaskus en in Jeruzalem (Hd. 9:22, 29) en in de synagogen op zijn verdere zendingsreizen. Heel zijn apostolisch werk getuigt van zijn "voortdurend hartzeer om zijn verwanten naar het vlees" (Rom. 9:2, 3). Tot zijn rechterhand Timoteüs schrijft hij: "Om deze reden wil ik alles verdragen, om de uitverkorenen; opdat ook zij het heil in Christus Jezus verkrijgen met eeuwige heerlijkheid" (2 Tim. 2:10). Het feit dat het Paulus duidelijk gemaakt werd dat de Joden van hem geen getuigenis zouden aannemen (Hd. 22:18) doet niets van deze bewogenheid af. De manier waarop Lukas dit allemaal beschrijft laat zien dat hij bijzonder eensgeestes was met de apostel. Het lijkt me daarom aannemelijk dat Lukas in zekere zin erfgenaam geworden is van Paulus' kritische bewogenheid met het Joodse volk. De slotnoot in Rom. 11:31-32.zalLukas zeker niet ontgaan zijn, de hoop nl. dat "ook zij thans ontferming zouden vinden".
Een wervend begin
Jeruzalem, de tempel, de priesterdienst en Joodse vroomheid krijgen in het begin van het Lukasevangelie de volle aandacht. Dat dit meer dan entourage is, of een aandachtstrekker voor Joodse lezers, wordt duidelijk als we de inhoud op ons in laten werken. Zacharias en Elisabeth worden geïntroduceerd als ideale representanten van de Joodse priesterklasse: zeer godsdienstige en rechtvaardige mensen. Een onbe.rispelijk priester vervult zijn dienst bij het reukoffer: een entourage van gebed. In dat klimaat verschijnt de engel Gabriël. Passender kan het niet. De Joden onder Lukas' gehoor kunnen zich erkend voelen, ze worden niet afgeschrikt: een wervend begin. Degenen die behept zijn met het vooroordeel dat het allemaal in het onwetende en syncretistische Galilea begon moeten hun oordeel herzien.
Het begon in Jeruzalem. Met zijn tekening van Zacharias in de tempel komt Lukas heel rustig en sympathiek binnen.
Dit betekent niet dat Lukas zijn gehoor in de watten blijft leggen. Integendeel, door de ongelovige reaktie verderop komt de dreun des te harder aan, maar zo blijft de aandacht gevangen.
Zacharias als spiegel
Verbazing over deze 'resultante' van een priesterleven typeerde ds. H. Smit 2) als genadeloosheid. Hij wees erop dat ook de biddende nieuwtestamentische gemeente faalt in het herkennen van Gods werk (Hand. 12).
Abraham, Aäron, David en vele andere voorgangers vielen door de mand. Ik wil dus in Zacharias' reaktie een spiegel voor onszelf zien en bescheiden naast hem gaan staan. Ook wij binnen wel eens met de deur op slot. Als we de cultuur van Zacharias bekijken, dringt zich allerlei herkenbaars op dat hem ingekapseld kan hebben om Gods stem niet op te merken. Routine en een steunen op zijn eerbiedwaardige positie bijvoorbeeld. Of juist zijn uitzonderlijke vroomheid (1:6). We kunnen het ook op de contekst schuiven: al was Zacharias zelf een vrome, in de tempel was de invloed van het sadduceïsme groot. Zo worden ook wij omgeven door een bot materialisme, door gesloten cultuuranalyses, of door het sfeertje dat engelen in de kunst opsluit. Excuses genoeg.
Laten we eerlijk zijn, met Zacharias lopen we gevaar Sadduceeërs in de praktijk te worden. Arglistig is ons hart, juist als we zeggen dat het wel meevalt. Als bijbelvertaler zit ik - net als dominees denk ik - vaak achter een elektronisch schrijftafeltje. Erg handig! Tot welke prijs denk ik wel eens. Ik zag laatst in een Amerikaans tijdschrift een advertentie van een hooggeprezen geestelijk boek. Je zag de schrijfster achter haar computer peinzend en heel geestelijk schuins over het scherm turen. "The things of this earth will grow strangely dim, in the light of His glory and grace" zou je dan willen zingen. Wat voor soort visioenen krijgen we achter het scherm gezeten? Hoe horen we God spreken achter een zacht ratelend toetsenbord?
Terug naar Zacharias. Hij wist geen raad met de aankondiging van nieuwe hoop en opstandingsleven voor zijn huwelijk en voor zijn volk. Maar zouden wij het er beter afbrengen? Ergens zo in opgaan dat je het wezenlijke uit het oog verliest, dat kennen we toch allemaal. Zacharias vroeg om een teken - dat deden ook Mozes, Gideon en Maria. Dat Zacharias' vraag er een uit ongeloof was concluderen we m.i. wat al te vlotjes. We denken direct aan straf en verontwaardiging. Maar de toon in Gabriëls stem hebben we niet gehoord.
Zwijgen met perspectief
Wat mij vooral opvalt in Gabriëls reaktie is dat er rijke woorden als 'blijmare', 'geschieden' 3) en 'vervulling' 4) in voorkomen. Hoe zal dit bij de oplettende (w.s. Joodse) eerste lezer zijn overgekomen? Hij was er al op geattendeerd dat er een Goddelijk 'geschieden' op gang is gekomen. We gaan ervan uit dat, na de introduktie van Zacharias en Elisabeth en de woorden "En het geschiedde ..." (vs. 8), de oren gespitst zijn. In het hart van Israël, bij het reukofferaltaar, vlak voor het voorhangsel, wordt de komst van een nazireeër, een Godsman aangekondigd. God ziet weer om naar zijn volk, na eeuwen van 'godsverduistering'.
Profeten waren er sinds Maleachi niet meer geweest. Uitgerekend met deze profeet neemt God de draad weer op. Met de aankondiging van een profeet als Elia, kon het niet lang meer duren. De aandacht van de lezer die de profetieën van Maleac~ kent is nu helemaal gespannen. We oevinden ons in een profetisch klimaat. En dan komt het antwoord van Gabriël op ons af: "En zie, gij zult zwijgen ..." totdat...de vervulling komt.
En zie ... profetie
De woorden "En zie" scheppen een profetisch klimaat. Ze kondigen niet enkel oordeel aan. Trouwens, Gods oordelen houden vaak de belofte in van een nieuw begin. Zo ook hier. De profetische uitdrukking "En (of: want) zie" is hier de eerste van een serie van zeven (!): 1,20; 1,31; 1,36; 1, 44; 1, 47; 2, 10 en 2, 25. Als we deze plaatsen nalopen zien we dat er sprake is van een reeks, die naar een climax leidt" De uitdrukking "En ik zag en zie" geeft telkens aan: wat je ziet in dit visioen heeft een diepe zin, een' bedoeling. Wie eenmaal hierop gespitst is, ziet ook dat het 'zwijgen' meer wil zeggen dan verlegen staan, uitgerangeerd worden. In Gods oordelen liggen beloften. Het mag een vruchtbaar zwijgen worden: "Laat af (zwijg) en weet dat Ik HERE ben." "De HERE zal voor u strijden en gij zult stil zijn." Maar bovenal het woord bij Zacharias' naamgenoot komt de lezer voor de geest: "Zwijg, al wat leeft, voor het aangezicht des HEREN, want Hij maakt Zich op uit zijn heilige woning" (Zach.2:13).6)Zie, hier wordt profetie vervuld.
Zach. 1 en 2 lopen over van troostrijke beloften, zowel voor Jeruzalem (1:14-17) als voor de volken (2:10)! Lukas hoopte natuurl ijk dat vooral dit verband opgemerkt werd: "want zie, Ik kom in uw midden wonen, luidt het woord des HEREN, en vele volken zullen te dien dage gemeenschap zoeken met de HERE en zij zullen Mij tot een volk zijn."
In de afzondering die Zacharias met zijn vrouw gedeeld zal hebben werd het opgelegde zwijgen 'zwanger' van de geest van Gods heilige profeten. De schande van de onvruchtbaarheid werd weggenomen. Het werd een gelegenheid tot toewijding en stille aanbidding om het omzien van God naar zijn volk. De hoorn des hei Is, de reddende Koning is in aantocht. In het uitzien naar de komst van die Koning kreeg Zacharias in feite geestelijk zijn stem al terug. Alleen zijn tong moest nog losgemaakt, toen hij beleed: Johannes, "de Here is genadig". We lezen daar zo makkelijk over heen.
Johannes is zijn naam en de verklaring is ons zo vertrouwd, maar dit resolute instemmen met Gabriël is inmiddels ingekleurd door verootmoediging en een steeds meer zich verlustigen in de Here en Zijn wegen. Het is ook zijn eigen belijdenis geworden.
Het ontdekkende boek van ds. M.R. van den Berg Genade een terreinverkenning (uitg. Van den Berg, Kampen) wil ik hier graag noemen. Toen Zacharias' tong werd losgemaakt bleek dat zijn hart daar in de stilte al brandend was geworden, zó dat de lofzegging en de profetie eruit 'spoot'.
Wat een verschil met zijn reaktie in de tempel! Zo werd Zacharias dus weer ten volle een godlover, een ware Israëliet.
Een rijke openbaring van Gods genade en barmhartigheid moet daaraan vooraf zijn gegaan. Zie de plaats van de woorden 'omzien' en 'barmhartigheid' in de lofzang van Zacharias, (die ik nu verder voor zichzelf laat spreken). Alleen nog dit. De gezindheid van de vaderen, de aartsvaders 7) en van de heilige profeten zou terugkeren tot de kinderen, d.w.z. tot zijn generatie. Dat zien we in het leven van Zacharias al werkelijkheid worden. Hij kwam na al zijn onberispelijke priesterjaren tot de erkenning dat Jood en heiden van nature gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods. Dat is heel wat voor een onberispelijk Judees priester. Niet alleen het land van Zebulon en Naftali, niet alleen het verachte Galilea was in donkerheid gehuld, maar ook het wetsgetrouwe Jeruzalemse Jodendom. Maar voor beide is nu een groot licht opgegaan (Luk. 1:78,79; Jes. 8:23 vv.).
In deze weg van Zacharias ligt misschien een les voor ons westerse christenen. We zijn theologisch of confessioneel vaak heel goed van de tongriem gesneden. Maar kunnen wij nog stil worden voor God? Wat zien wij als wij ons de weg van Zacharias als spiegel voorhouden? Stel ik zeg: "de wortels van onvruchtbaarheid en godsverduistering". Dan is er nog een veilige filosofische distantie. Maar als ikzelf dichterbij kom kan het pijnlijk worden. Als we met hem eens echt leerden zwijgen; met al onze verlegenheid eens echt op de knieën gingen, wat zou er dan niet allemaal kunnen gebeuren. AAN DE HERE LIGT HET NIET!
Tot besluit
Een hoofdthema van Lukas 1 en 2 bleek het komen van de Here tot zijn tempel (woning) te zijn. Dit thema wordt verderop in het evangelie steeds herhaald, ook in Handelingen. Hier, in hfdst. 1:5-2:40 wordt het omspeeld door drie profetische, zevenmaal herhaalde, motieven: .En/want zie!" (zie boven); "En het geschiedde" (1:8; 1:23; 1:41; 1:59; 2:1; 2:6; 2:15) en "vervullen" (1:20; 1:41; 1:53; 1:57; 1:67; 2:6; 2:21). Zo blijkt de meest 'universele' evangelist juist bijzondere aandacht voor het Joodse volk (van zijn dagen) te hebben.