Sabbat en zondag (1)

1992-12-18
  • Jaargang 36
  • nummer 26
Achter deze beide termen zit een problematiek die intrigerend genoemd kan worden. We hebben te maken met een belangrijke kwestie. Het gaat immers om onze wekelijkse 'vierdag'. Wat zegt de Schrift er over, hoe is de verhouding van sabbat en zondag en wat is onze kijk op dit alles. Terwijl veel agenda's de week met de maandag laten beginnen, geloven wij wél aan de zondag als de eerste dag van de week, die voor ons veel méér betekent dan alleen de kerkgang.

Israël en de Sabbat
AI direkt aan het begin van de Bijbel, nl. in Gen. 2:2 en 3 is sprake van God, die op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had. Hij rustte op die dag, zegende en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppe.nde tot stand had gebracht. De sabbat werd niet lang na de Uittocht uit Egypte aan Israël gegeven, omdat deze dag wezenlijk deel uitmaakt van de bevrijding.
In Exodus 16 lezen wij hoe Israël in de woestijn Sin gevoed werd met manna. Op de zesde dag verzamelden zij tweemaal zoveel brood. Want de Here had gezegd volgens Ex. 16:23 "Morgen is het een rustdag, een heilige sabbat voor de Here." Degenen die toch op zichzelf vertrouwden en op de zevende dag manna wilden verzamelen, kwamen beschaamd uit en vonden het niet. Nog vóórdat de Israëlieten de openbaring op de Sinaï ontvingen, gebood God hen de sabbat te bewaren en te heiligen. Volgens de overlevering gebeurde dat te Mara (Ex. 15:25), met nog een aantal andere geboden, zoals het eren van vader en moeder. Toch wordt de speciale band tussen Israël en de sabbat tijdens de wetgeving op de Sinaï bevestigd (Ex. 20:8-10), terwijl in vs. 11 de herinnering aan God als Schepper en Zijn rusten op de zevende dag de reden is, om de sabbat in navolging van de Schepper te gedenken.
Zoals de Here de sabbatdag heiligde, zo krijgt Israël de opdracht die dag te heiligen, d.w.z. af te zonderen als een bijzondere dag. Maar die afzondering vindt plaats met het doel alle dagen te heiligen. Het komt er op neer dat de mens tot levensheiliging aangezet wordt. Want heiliging is een roeping en de sabbat herinnert hieraan. Deze feestelijke dag is vanouds een moment van rust en tevens een bron van hoop voor de toekomst. Samenvattend kan gezegd worden, dat iedere sabbat die Israël in ere houdt, Gods verbond aan Israël steeds opnieuw bevestigd wordt. Daarmee erkent het volk God als Zijn Schepper, Wetgever, Bevrijder en Verlosser.
De liturgie van de sabbat ziet er dan ook als volgt uit: aan het begin van de sabbat wordt herdacht hoe Mozes de Torah als een geschenk op de Sinaï ontvangt. Na de Torahlezing klinkt het thema 'verlossing' door in het gebed met de volgende wens: "En dat U ons in vreugde doet optrekken naar ons land en ons plant in ons gebied, opdat wij daar voor U onze verplichte offers zullen bereiden." Vlak voor het einde van de sabbat, wordt het verlangen naar verlossing scherper geuit: "Gij zijt één en Uw Naam is één. Mogen de zonen van Jacob op de sabbat rusten.
Laat Uw kinderen het erkennen en weten dat hun rust van U uitgaat en dat zij door hun rust Uw Naam heiligen."
In Ex. 31:12-17 wordt de Israëlieten en hun nageslacht geboden de sabbatten te onderhouden, door ze te vieren als een altoosdurend verbond. In vers 17 wordt het verband gelegd met God de Schepper die op de zevende dag heeft gerust en adem geschept. In Deut. 5 wordt het verbond dat de Here op de berg Horeb met Israël gesloten heeft hen voor ogen gesteld, "niet met onze vaderen, maar met ons zoals we hier heden allen in leven zijn" (vs. 3). Dan volgen de Tien Woorden, waaronder het vierde: Onderhoud de sabbatdag, terwijl dit Woord uitloopt in de motivering: "Gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de Here Uw God u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een uitgestrekte arm; daarom moeten uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij" (vs. 15).
Zo wordt Israël het besef ingescherpt net als hun voorvaderen op doortocht te zijn en op weg naar bevrijding. Ik wees er al op dat de sabbat een feestdag is. Het is dan ook niet toegestaan op deze dag te treuren. Het psalmlied voor de dag van de sabbat (psalm 92) geeft onomwonden weer dat het 'goed is om de Here te loven", en "Gij, Here, hebt mij verheugd door uw daden, over de werken uwer handen zal ik jubelen."
Een sabbat wordt feestelijk gemaakt door te danken met psalmen bij snarenspel.
De wijze bemerkt de Here in de hoogte en ziet de vijanden uiteenstuiven.
De rechtvaardige zal groeien als een palmboom en met hem in meervoud geplant zijn om tot in ouderdom vruchten te dragen en te verkondigen dat de Here waarachtig is. Zoals in deze sabbatspsalm de blijdschap opbloeit, zo lezen we in Jes. 58:13-14, dat het een religieuze plicht voor Israël is om zich gedurende de sabbat te verheugen: "Indien gij niet over de sabbat heenloopt door uw zaken te doen op mijn heilige dag, maar de sabbat een verlustiging noemt, de heilige dag des Heren van gewicht, en die eerst door niet uw gangbare bezigheden te doen, noch uw zaken te behartigen, of ijdele taal uit te slaan, dan zult gij u verlustigen in de Here. Ik zal u doen rijden over de hoogten van de aarde en Ik zal u het erfdeel van uw vader Jacob doen genieten." In dit Schriftgedeelte komt niet alleen uit dat de Israëlieten zich op de sabbat in de Here moeten verlustigen, maar ook wat het volk op deze dag niet mag doen. Via enkele andere schriftplaatsen gaan we na welke voorschriften .God aan Israël had gegeven inzake de sabbat. Volgens Lev. 23:3 moest er een heilige samenkomst gehouden worden en mocht generlei arbeid verricht worden. Wat we daaronder moeten verstaan, verduidelijken de volgende teksten: Ex. 16:29 "Niemand mag zijn plaats verlaten." Ex. 34:21 "Ook in de ploegtijd en de oogst zult gij de rustdag houden." Ex. 35:3 "Gij zult in geen van uw woningen vuur ontsteken." Num. 15:32 "niet houtsprokkelen."
De profeet Amos (8:5) voegt er zakendoen aan toe (zie ook Jes. 58:13). Jer. 17:21,22 "Geen last dragen, door de poorten van Jeruzalem binnenbrengen of uit uw huizen naar buiten brengen. Neh. 13:15 e.v.v. noemt het persen van wijn, het beladen van lastdieren en het verkopen van levensmiddelen." Uit rabbijnse geschriften wordt duidelijk dat er een ontwikkeling op gang gekomen is van strikte nadruk op de heiligheid van de sabbat in de 3e eeuw voor Chr. naar absolute voorrang voor het behoud van mensenlevens in de 1e-2e eeuw na Chr. Zo brengt dit laatste element van bevrijdend handelen ons toch weer heel dicht bij het vreugdevolle karakter van de sabbat.


Jezus en de Sabbat
Wij kunnen nu een soepele overgang maken naar het Nieuwe Testament, omdat ook uit de vier evangeliën duidelijk wordt dat de zorg voor het mensenleven uitstijgt boven de sabbatsrust.
Een goed voorbeeld hiervan vinden we in Matth. 12:9-14,waar de Farizeeën Jezus de vraag voorleggen of het geoorloofd is om op de sabbat te genezen, om Hem aan te klagen. Jezus' antwoord verwijst naar een gerechtvaardigde handeling: iedereen wiens schaap op sabbat in een put valt, zal het grijpen en eruit trekken.
Hoeveel gaat niet een mens een schaap te boven? Daarom is het geoorloofd op de sabbat wél te doen.
Jezus vraagt de man met de verdorde hand slechts die hand uit te strekken, waarna deze weer gezond wordt. Jezus verricht geen enkele handeling. Toch spannen de Farizeeën tegen Hem samen, teneinde Hem om te brengen.
In Matth. 12:1-8 wordt het aren plukken op sabbat door de discipelen door Jezus zonder meer verdedigd en Hij wijst de Farizeeën op David en zijn mannen die het huis Gods binnengingen en van de toonbroden aten, omdat ze honger hadden; op de dagelijkse offerdienst in de tempel die boven de heiligheid van de sabbat ging, en op de barmhartigheid waar God om vraagt boven offeranden (Hos. 6:6). Want de Zoon des mensen is Heer over de sabbat.
Marcus vemeldt in het eerste hoofdstuk vers 21-28, dat Jezus op de sabbat in Kapernaüm naar de synagoge ging en leerde. Hij verricht daar de genezing van een bezetene. Het volk reageert opgewonden. Diezelfde sabbat geneest Jezus de schoonmoeder van Simon, door haar hand te vatten en haar op te richten. Er is geen spoor van verzet. Dat is wel het geval in Marc. 2:23-28, als het evenals in Matth.
12 over het aren plukken gaat. Jezus' antwoord aan de Farizeeën eindigt in Marc. 2:27, 28 met de wohderbaarlijke uitspraak: "De sabbat is gemaakt om de mens en niet de mens om de sabbat.
Alzo is de Zoon des mensen heer over de sabbat." Twee andere genezingen op sabbat komen in Lucas voor. In hoofdstuk 13 vanaf vers 11 wordt beschreven hoe een vrouw al 18 jaar verkromd was. Jezus geneest haar door handoplegging.
De overste van de synagoge neemt het Jezus kwalijk, dat Hij op de sabbat geneest. Er zijn zes dagen om te werken en dan kunnen mensen zich laten genezen. Jezus gaat er tegen in door op te merken dat ieder op sabbat zijn os of ezel van de kribbe losmaakt om ze te laten drinken. Deze vrouw moest losgemaakt worden van de duivelse band. Zijn tegenstanders schamen zich nu en de menigte is blij. De tweede genezing op sabbat wordt ons voorgehouden in Luc. 14:1-6. Jezus is in het huis van een Farizees leidsman gekomen om brood te eten.
Daar bevindt zich een waterzuchtig mens. Jezus stelt de wetgeleerden en Farizeeën nu zelf voor het blok: "Is het geoorloofd op de sabbat te genezen of niet? En zij hielden zich stil. Jezus vatte de waterzuchtige bij de hand, genas hem en liet hem gaan." leder zal toch zijn zoon of een os die in een put valt er uittrekken ook op de sabbat.
"En zij waren niet in staat iets daartegen in te brengen." We lezen hier niets van verzet van de kant van de Farizeeën, terwijl dat wel zo is bij Mattheüs en Marcus in de geschiedenis van de man met de verdorde hand.
In het Johannes-evangelie komen twee sabbat-verhalen voor, die niet in de andere evangeliën worden beschreven, maar weJ een zekere overeenkomst vertonen. Het zijn allebei genezingen, terwijl Johannes op geheel eigen wijze beschrijft hoe Jezus daarover in conflict komt met de 'Joden'.
In Johannes 5:1-18 treffen we het verhaal aan van de verlamde man bij Bethesda. Jezus geneest hem door te bevelen: "Sta op, neem uw matras op en wandel." De man wordt gezond en doet wat Jezus zegt. Hierop volgt een discussie met de Joden over het dragen van zijn matras op de sabbat, wat een schending inhoudt. In Joh. 9 lezen we het verhaal van de blindgeborene.
Jezus geneest hem door slijk te maken van speeksel, waarmee hij de ogen van de man bestrijkt.
Daarna krijgt hij de opdracht van Jezus zich te wassen in het badwater Siloam en hierop treedt de genezing in. Zijn buren begrijpen er niets van en brengen hem bij de Farizeeën, waarna Johannes de opmerkelijke zin schrijft: "Nu was het sabbat op de dag, dat Jezus het slijk maakte en zijn ogen opende." Het maken van een geneesmiddel op sabbat is verboden, wanneer er geen sprake is van levensgevaar.
Maar Jezus verklaart zijn gedrag in beide verhalen door te wijzen op de noodzaak tot werken. Na de discussie met de Joden in Joh. 5, staat er in vers 16 en 17: "De Joden wilden Jezus vervolgen, omdat Hij deze dingen op sabbat deed. Maar Hij antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook." Vóórdat de genezing van de blindgeborene en het gesprek daarover plaats vindt, wordt hetzelfde thema door Jezus aangeroerd in Joh.
9:4 en 5: "Wij moeten werken de werken van Hem, die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht, waarin niemand werken kan. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld." Dag en licht onthult de betekenis van de genezing van de blinde. In een gesprek met de Joden over de wet komt Jezus terug op zijn eerste genezing op sabbat met de woorden: "Als een mens op sabbat de besnijdenis ontvangt, opdat de wet van Mozes niet geschonden wordt, zijt gij dan op mij vertoornd, omdat Ik op sabbat een gehele mens gezond gemaakt heb?" (Joh. 7:23). Eén klein deeltje gaat de sabbat te boven, hoeveel te meer het redden van héél het leven!
Eén héél bijzondere sabbat wordt door alle vier de evangelisten beschreven op een wijze, die hun houding jegens de Joodse sabbat weerspiegelt. Het is de rustdag tussen Jezus' dood en opstanding. In Luc. 23:50-24:1 vraagt Jozef van Arimathéa Pilatus om het lichaam van Jezus. "En het was de dag der voorbereiding en de sabbat brak aan. En de vrouwen die met Hem uit Galilea gekomen waren, rustten op de sabbat naar het gebod. Maar op de eerste dag der week gingen zij vroeg in de morgen met hun specerijen naar het graf." Hier valt de stille nadruk op het onderhouden van de sabbat. In Marcus 15:42-16:1 wordt ook gesproken over de voorbereiding, maar er wordt nog even een uitleg aan toegevoegd, nl. "dat is de voor-sabbat."
Ook een verschil met Lucas is, dat Marcus niet schrijft over het rusten op sabbat, maar slechts deze zin bezigt: "En toen de sabbat voorbij was, kochten de vrouwen specerijen om Hem te zalven.”

Mattheüs volgt Marcus in grote lijnen. Het rusten wordt niet vermeld, terwijl ook de zorg van de vrouwen voor Jezus niet aangeroerd wordt. Alleen hoofdstuk 28 opent met de zin: "Laat na de sabbat... " In Joh. 19:31 lezen we: "De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven - want de dag van die sabbat was groot - vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden." En in vers 42 schrijft Johannes: "Jozef en Nicodémus legden Jezus in een nieuw graf, wegens de Voorbereiding der Joden, omdat het graf dichtbij was." De heiliging van de sabbat is voor Johannes een zaak van de Joden.

wordt vervolgd

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief