Christelijke kunst en de toekomst (2)
1988-01-08
Christelijke kunst en de toekomst (2) Inleiding- Jaargang 32
- nummer 1
In deze lezing zal ik niet zozeer het bestaansrecht van de kunst als zodanig verdedigen tegenover hen, die daar onwennig of zelfs afwijzend tegenover staan, maar zal ik spreken over het bestaansrecht van christelijke. kunst.
En met zozeer de mogelijkheid van christelijke kunst zal ik trachten uiteen te zetten maar de noodzaak van christelijke kunst. En wel: de noodzaak van christelijke kunst' met name in onze tijd. . '
Met het oog op onze toekomst, gelovigen zowel als niet-gelovigen, zal het gaan om de relevantie èn de noodzaak van de christelijke kunst.
Deze stelling zal in de loop van het betoog wel verduidelijkt worden. Eigenlijk is het vreemd dat ik een pleidooi houd voor christelijke kunst, omdat ik daar nooit in geloofd heb. De christelijke kunst beleefde haar grote bloeiperiode in de Middeleeuwen en stagneerde na de Reformatie met name in de Nederlanden. Wie zou vandaag willen volhouden dat een kunstenaar in een post-christelijke, om niet te zeggen: anti-christelijke tijd nog christelijke kunst zou kunnen produceren?
Laat staan met de pretentie dat dit vanuit een innerlijke noodzaak tot stand komt, met de pretentie God daarmee te behagen, zoniet om de christelijke cultuur daarmee te redden, indien zoiets mogelijk zou zijn.
Ik heb christelijke kunst altijd een anachronisme gevonden, ook in de discussie met Rooms-Katholieke geloofsgenoten en kunstenaars, die er bepaald anders over dachten. Hans Rookmaaker verdedigde geen christelijke kunst, zoals Calvin Seerveld dat deed, Rookmaaker was van mening dat christelijke kunst thuis hoorde in een specifiek christelijke (sub )cultuur en dat christelijke kunstenaars zich veeleer moesten werpen in de strijd om de algemene, wereldse cultuur, en in die strijd bezig moesten zijn als zoutend zout, dus als kunstenaars kerstenend en verzoenend bezig zijn binnen het kader van een algemene ont-christelijkte en geseculariseerde cultuur. Maar al zag Rookmaaker dan niet de noodzaak van een specifiek christelijke kunst, het ging hem wel om een geestelijke strijd, een felle strijd op leven en dood in de frontlinies van de culturele discussies. En met als inzet de allerdiepste en verstrekkendste consequenties voor het menselijke leven. En dàt aspect, die strijdbare houding, neem ik graag over - in navolging overigens van wat Paulus zo prachtig beschrijft in Epheziërs 6: 10-20 over de zgn. wapenrusting Gods.
Jarenlang heb ik altijd geloofd dat het goed was wanneer christenen 'het gebied' der beeldende kunsten weer op de wereld zouden heroveren. Juist de reformatorische christenen, die door een wereldmijdende theologie of een te beperkte zintuigelijk verarmde kijk op het christelijke leven het kontakt met de visuele en tastbare werkelijkheid waren kwijtgeraakt zouden er goed aan doenmeende ik - om zich bewust in te laten met beeldende kunst en zich daarvoor open te stellen.
Vaak merkte ik dan dat mensen niet verder kwamen dan iets te begrijpen van de doelstellingen van de kunstenaar, of van degene die het artistieke werk van een kunstenaar op een duidelijk wijze wist te interpreteren. Het begrijpen, het verstandelijk analyseren bleef hoofdzaak en men kwam er niet toe om zich onbevooroordeeld, maar vooral ongeremd zich voor de beeldende kunst open te stellen. Nog steeds is het zo dat veel christenen om emotionele redenen moeite hebben - en blijven hebben - met kunst. Zij kunnen de kunst niet plaatsen binnen hun horizon, of binnen hun dagelijkse leefklimaat.
Omdat zij kunst niet vertrouwen. Maar ook omdat zij hun eigen emoties niet vertrouwen. Zij weigeren iets te 'ondergaan' voordat het sein inwending op veilig is gezet. En dat sein moet altijd weer van buitenaf komen, helaas.
Ik zal niet proberen om mensen die om wat voor redenen dan ook wantrouwend staan tegenover kunst - die volgens sommigen behoort tot het terrein van 'de wereld' - met bijbelse argumenten over te halen om in te zien dat kunst niet per definitie werelds is, maar voluit bij het leven hoort.
Dat is - hoe arrogant het ook mag klinken - een oninteressante, achterhaalde strijd. De argumenten pro en contra zijn duidelijk genoeg en zijn trouwens ook binnen I'Abri herhaaldelijk aan de orde geweest. Wat meer is, ik zelf kan dat wantrouwen niet wegnemen. Wel kan ik hopen dat Gods Geest de harten van mensen warm ontvankelijk zal maken voor kunst, als Hij dat wil en nodig acht.
Ook zal ik geen pleidooi houden voor een duidelijk emotionele en gevoelsmatige benadering van beeldende kunst -in contrast met het rationele verklaren of verstandelijk analyseren van dit fenomeen.
Want ook het debat tussen verstandsmensen en gevoelsmensen is zo oud als de geschiedenis (vgl. Poussin tegenover Rubens, Raphael tegenover Titiaan, Ingres tegenover Delacroix etc.) en het afwegen van objectieve tegenover subjectieve argumenten ligt bijzonder gevoelig, en ik wil niet bij voorbaat mensen tegen mij in het harnas jagen die het wellicht achteraf met mij eens kunnen zijn.
Laat ik slechts dit zeggen, dat verstand, gevoel, maar ook geest, ziel en fysieke vermogens allemaal ingrediënten zijn van die éne, complete mens die God bij de schepping ooit bedoeld heeft, maar die wij tegenwoordig in onze cultuur nauwelijks meer in die compleetheid aantreffen, ook al worden er pogingen tot een vruchtbare synthese aangewend, vergelijkbaar met het renaissancistische ideaal van de zgn. Homo universalis.
Mijn lezing is niet opgebouwd vanuit een persoonlijke voorkeur voor de emotionele, intuïtieve, 'meta-rationele' benadering van kunst, maar simpelweg vanuit het constateren van een hiaat, een oningevulde plek binnen onze samenleving maar ook vanuit een tekort aan durf, aan overtuigingskracht en bezieling, tekort ook aan echt doorleefd christelijk geloof dat zich voor Gods Koninkrijk wil inzetten en daarvoor baanbrekend werk wil verrichten. Wat ik constateer is: liefdeloze kilte. Men gelooft 't allemaal wel, en alles blijft hetzelfde!
Tien jaar geleden maakten christenkunstenaars zich op om het zgn. 'realisme' als beeldende uitingsvorm te omhelzen.
Het realisme werd opgevat als 'getrouwe weergave van de werkelijkheid' en zou als protesthouding en als stijl herkend moeten worden tegenover de pluriforme uitingen van non-figuratieve of abstracte kunst waartegen men zich afzette. Niet in het minst omdat abstracte en de geschapen werkelijkheid deformerende kunst normen en waarden vanuit haar eigen autonomie stelde. In die jaren werd ook de kunst van David Hockney blijmoedig begroet en als 'herkenbare kunst' aanvaard.
Deze houding vond zijn weerslag in een prachtig uitgevoerde catalogus met de titel: Reality Revisited, waarin werk was afgebeeld van Henk Heimantel, Rein Pol, Jan van der Scheer, Jan van Loon, Pit van Loo en Jan Zwaan.
Inmiddels heeft men kunnen constateren dat 'het realisme' op zichzelf geen enkele garantie biedt, of liever: geen garantie méér biedt, dat de werkelijkheid inderdaad 'getrouw' wordt weergegeven.
Binnen het realisme dient zich ook occulte kunst aan, of seksistische kunst.
Men ziet ook veel platvloers onthullende en choquerende kunst, die minstens zo vervreemdend werkt als de zo gesmade abstracte of non-figuratieve kunst. Afgezien daarvan wordt de realistische wijze van uitbeelden ook voortreffelijk beheerst door talloze kunstenaars die geen christenen zijn. Het realisme als uitingsvorm bij uitstek voor christen-kunstenaars is niet houdbaar als stelling, maar inmiddels ook historisch al lang achterhaald.
Gelukkig is het zo dat er fijngevoeligheid en subtiel onderscheidingsvermogen bestaat, zodat niet iedereen achteloos de schouders ophaalt bij het zien van een abstracte kleurvlek, of een krachtige verfspetter die hij niet kan verklaren. Gelukkig zijn er mensen die de interesse en het liefdevolle geduld kunnen opbrengen om uit eigen ervaring te kunnen bevestigen dat aan beide fronten kunstnaars met eerlijke intenties werkzaam zijn, maar dat er ook altijd charlatans en bedriegers zijn die het gezonde en oprechte oordeel trachten te vertroebelen.
Het is misplaatst om bij voorbaat een bepaalde werkwijze te veroordelen of als niet conveniërend met de wil van God te beschouwen. Juister is het om de vraag te stellen: Wat wordt er gezegd?
en vervolgens: Hoe wordt het gezegd?
Ik heb persoonlijk geen voorkeur voor 'herkenbare' kunst boven 'onherkenbare' kunst, maar ga in principe uit van een legitiem gebruik van zowel figuratieve als non-fugiratieve middelen en werkwijzen.
De mentaliteit van waaruit wordt geschilderd of vormgegeven, alsook het onderwerp dat wordt behandeld, leggen m.i. méér gewicht in de schaal dan de materiële buitenkant. Maar het belangrijkste criterium is toch de vraag of kunst communiceert - hoe dan ook; ongeacht de bewuste of onbewuste doelstelling van de betreffende kunstenaar.
Juist omdat kunst communiceert, dat wil zeggen: beschikt over een intrinsiek stralingsbereik en derhalve betekenissen uitzendt die door de beschouwer kunnen worden opgevangen, is het m.i. niet nodig om steeds de doelstelling van de kunstenaar erbij te halen, teneinde het kunstwerk begrijpelijk( er) te maken.
Alleen gebrekkige, zwakke, onduidelijke of ronduit slechte kunst heeft een dergelijke verbale uitleg nodig. Als kunst werkelijk communiceert, en daar waar kunst goed funktioneert, dáár zijn immers geen woorden van uitleg of interpretatie meer nodig.
Integendeel: door een (overmaat aan) interpretatieve uitleg kan de authentieke werking, de oorspronkelijke visuele straling en beeldende kracht van het kunstwerk teniet worden gedaan. Dat gebeurt wanneer het verstand intellectueel de boventoon gaat voeren en de directe visuele werking op de zintuigen en het menselijk gemoed verstikt.
De mogelijkheid om iets van de artistieke kracht van kunst te ervaren is: het stilzwijgend gedurende enige tijd te ondergaan en het geduldig aanjezelf toelaten en het zijn eigen 'taal' te laten spreken.
Maar waarom dan specifiek 'christelijke' kunst?
Waarom vandaag een pleidooi voor christelijke kunst, terwijl onze cultuur steeds meer en steeds drastischer postchristelijk aan het worden is? Die vraag zal ik met een stukje autobiografie beantwoorden.
Mij is door de NCRV gevraagd of ik eens wilde nadenken over het thema Pinksteren, om eventueel daarover een schilderij te maken dat als omslag zou kunnen dienen 'van de NCRV-gids, waarvoor het dan verkleind zou worden gereproduceerd.
De mogelijkheid die mij werd geboden om over een eventuele opdracht na te denken en niet direkt met een volmondig ja of een afwijzend nee te antwoorden, bracht me tot de conclusie dat het ook in onze tijd blijkbaar nog mogelijk is om - in opdracht - christelijke kunst te maken.
Het schilderij is voltooid en is door de' NCRV geaccepteerd. Het heeft gereproduceerd gestaan op de NCRV-gids van 6 juni 1987.
Het is niet echt waar dat de Kerk sinds de Reformatie als potentiële opdrachtgeefster categorisch over de gehele linie is weggevallen. Er zijn ook andere organisaties in haar voetsporen getreden, die met evenveel recht en met eenzelfde ijver een vergelijkbare doelstelling als die van de kerk trachten na te streven en niet zonder succes!
Maar afgezien van de opdrachtsituatie was het voor mij een openbaring om tijdens het werkproces aan den lijve te ervaren hoe je door Gods Heilige Geest daadwerkelijk geïnspireerd kunt worden en hoe je - klein en nietig als je bent - toch instrument in Zijn hand mag zijn.
Voor mijzelf is het een bevestiging maar ook een bewijs geworden van het feit dat echte, geïnspireerde, krachtig sprekende (=getuigende) christelijke kunst vandaag mogelijk is.
Tegelijk is het een bewijs dat 'christelijke cultuur' niet per definitie gedoemd is ten onder te gaan in een proces van secularisatie, of gedoemd is te belanden in een destructieve spiraal als gevolg van een vooruitgangsdenken dat in zijn tegendeel is omgeslagen.
De gehele geschiedenis door slaat God gaten in ons lineaire tijdsbewustzijn en historisch denken, om te laten zien dat Hij heer en meester is, niet alleen over ons (tijds )bewustzijn, maar ook over het fenomeen 'tijd' zelf.
Christus is de alpha en de omega van de geschiedenis (Openbaring 1:8) en Christus zelf heeft de regie van de geschiedenis ter hand genomen, waarvan het eindgericht door God zelf tot de Jongste Dag is uitgesteld, maar waarvan wij wel steeds duidelijker de signalen gaan ervaren.
(Dit laatste slaat dan op onze eigen toekomst, die wij onder ogen moeten zien, en die - wat ons werk betreftde relevantie van hedendaagse christelijke kunst eerst goed aan het licht zal brengen).
Ik geloof dan ook dat christelijke kunst - hoe dan ook - dient te verwijzen naar Christus. De wijze waarop dat gebeurt is echter geheel vrij. Als de strekking, de boodschap, de uitstraling maar volstrekt duidelijk is, en als het kunstwerk maar voldoende eigen 'kracht' heeft om in zichzelve - als autonoom object - te kunnen bestaan.
Het Pinksterschilderij voor de NCRV heeft talloze reakties ontlokt aan mensen, die mij duidelijk gemaakt hebben dat ook abstracte beeldtaal het voertuig kan zijn voor spirituele zaken, zonder dat de kern van de bijbelse boodschap daarbij wordt aangetast. Het is niet (langer) waar, dat abstractie slechts afbreuk kan doen aan de door God geschapen werkelijkheid. Integendeel, er zijn geestelijke zaken die met behulp van de realistische uitbeelding niet geheel recht gedaan worden, maar beter en welsprekender door non-figuratieve vormen en kleuren tot uitdrukking kunnen worden gebracht. Juist hier zie ik de abstracte beeldtaal als potentiële mogelijkheid, temeer daar het geloof toch in essentie over 'onzienlijke' dingen gaat, die niet direct voor ieder duidelijk zijn. Tot slot van deze inleiding wil ik er op wijzen dat God niet gebonden is aan een lineair, evolutionair en zich geleidelijk ontwikkelend kunst-historisch proces, maar dat Hij in staat is om bepaalde ontwikkelingen af te breken om elders weer nieuwe dingen tot leven en tot bloei te brengen. En ook wij zijn als gelovigen niet gedetermineerd tot de gang der historie. Zo'n ervaring van een veranderd tijdsbewustzijn en vooral het kunnen relativeren van de hedendaagse druk der benarde omstandigheden, is mij althans na deze ingrijpende gebeurtenis in mijn persoonlijke leven bijgebleven, en heeft mij blijmoedig gestemd.