Esauen Jakob (1)
1989-06-09
" ...toen de kinderen nog niet geboren waren; ...opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven; - Jaargang 33
- nummer 12
...De oudste zal de jongste dienstbaar zijn; ...Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb ik gehaat. "
(Romeinen 9: 11-13)
Uitverkiezing...
Daar stáát het dan toch maar: "Toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan" - tóén al zei God tegen Rebekka: "De oudste zal de Jongste dienstbaar zijn"! Dat lag dus al helemaal vast, vóórdat Jakob en Esau zelfs nog maar gebóren waren! Dit is een beruchte tekst. De mens lijkt hier immers volkomen platgewalst te worden; het enige dat overblijft is: "het verkiezend voornemen Gods" (vers 11).
Het ligt dus allemaal spijkerhard vast, en alles wat ik doe of laat verandert daar niets meer aan. Dan maakt het toch ook niet meer uit hoe ik leef en wat ik doe? Als het toch allemaal al van eeuwigheid vast ligt? Wat staat hier nu eigenlijk, in deze verzen uit Rom. 9? Staat daar inderdaad dat wat ik hierboven schreef?
Komen we hier de uitverkiezing tegen als een gruwelijke werkelijkheid, waarbij de mens volstrekt machteloos en passief is?
Laten we eens uitgaan van wat de rode draad is van de hele brief aan de Romeinen: de rechtvaardiging uit genade, door het geloof alleen. Daar gaat het niét alleen over in de eerste acht hoofdstukken van deze brief, maar óók in hoofdstuk 9 tot 11.
In die hoofdstukken gaat Paulus spreken over Israël. En dat is voor hem een enorm .moeilijk en verdrietig onderwerp (vers 2 en 3); want wat is het vreselijk triest, dat juist Israël de Messias verwerpt.
Eigenlijk is het onbegrijpelijk: Israël was toch immers het volk van God?
De Here heeft Zijn beloften gegeven: Israël is toch uitverkoren? Komt daar nu dan niets van terecht? Nee, zegt Paulus: dat kan niet waar zijn.
Het is niet mogelijk, dat het woord Gods zou vervallen zijn (vers 6a).
Twee dingen dus: 1. God heeft Zijn woord gegeven aan Israël; en 2. het is niet mogelijk dat dat woord niet meer zou gelden.
En toch staat het volk Israël nu buiten het heil. Maar dat wordt dan heel raadselachtig: want hoe kan dat dan? En om dát raadsel te verklaren gaat Paulus het nu hebben: eerst over Isaak, en dan over Jakob en Esau.
Waarom is het fout gegaan met Israël? Daar is maar één reden voor: omdat Israël Gods verkiezing heeft gemaakt tot een biologische realiteit: "Wij zijn nageslacht van Abraham", zeiden ze, "en dus zijn wij' het uitverkoren volk van God".
Israël is biologisch aan de haal gegaan met de genade van God. En daar keert Paulus zich met alle kracht tegen. Verkiezing is genade en blijft genade, van begin tot eind.
Dat krijgen wij mensen nooit biologisch in onze vingers.
Want niet allen die van Israël afstammen zijn Israël (vers 6b). Je kunt wel bij het biologische Israël horen, maar dat garandeert niet dat je ook bij het echte Israël hoort, bij het geestelijke volk van God..
In vers 7 zegt Paulus het nog eens (zo belangrijk is het blijkbaar): zij zijn niet allen kinderen (van God),
omdat zij nageslacht van Abraham zijn.
Aan het echte Israël, het geestelijke Israël heeft de Here Zich verbonden, door Zijn onverbrekelijke beloften.
Dat Israël is het uitverkoren volk van God.
Dus: jazeker: Israël is uitverkoren; maar dat is geen biologische, maar een Geestelijke werkelijkheid.
Kijk maar in het Oude Testament, zegt Paulus. Jullie zijn er zo trots op dat je kinderen van Abraham bent, maar denk erom: dat was Ismaël ook. Die kon óók zeggen: "Ik ben een kind van Abraham". Dat zegt dus nog niets: dat je nageslacht van Abraham bent.
En dan citeert Paulus een woord uit het Oude Testament: "Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken"
(Gen. 21:12). Door Isaak: dat wil zeggen: het zuiver biologisch kind-van-Abraham-zijn is niet beslissend.
Want je moet wél op een bepaalde manier bij dat nageslacht van Abraham behoren. Paulus zegt het in vers 8: "Niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belofte gelden voor nageslacht". Niet dus het biologische, maar het geestelijke.
Zo zet Paulus ze naast elkaar: Ismaël en Isaak: allebei zonen van Abraham. En met dat naast-elkaar breekt hij iedere vorm van trots op de uitverkiezing bij de wortel af.
Want Gods heil is genade, van begin tot eind. Het is nooit vanzelfsprekend, dat je het volk van God bent.
Nu ja, zo zou na vers 6 tot 9 de Jood nog kunnen tegenwerpen: Maar Ismaël was dan ook geen zoon van Sara, maar van Hagar, de slavin. En ja, hij was dan wel een zoon van Abraham, maar dat was toch op een ander nivo dan Isaak.
Goed, zo hoor ik Paulus zeggen: dan gaan we één generatie verder: naar Esau en Jakob. Die hebben dezelfde vader, en dezelfde moeder, ja 't waren zelfs tweelingen; daar was nu werkelijk geen énkel verschil tussen die twee. Langs de zuiver biologische lijn heeft Jakob absoluut niets vóór op Esau.
Wat bereikt Paulus met deze verwijzing naar Esau en Jakob? Dat het nu volkomen duidelijk wordt, dat (ook al in het Oude Testament) het heil. niet langs biologische lijnen loopt. Volk van God word je niet door afstamming, maar alleen door Góds genade, door Zijn keus voor mensen, en doordat Hij in liefde Zijn hand naar ons uitsteekt.
Het is onmogelijk, dat Gods keus voor Jakob een soort biologische vanzelfsprekendheid is.
Om dat nog eens extra te onderstrepen, citeert Paulus vervolgens die twee woorden uit het Oude Testament; uit Gen. 25: "De oudste zal de jongste dienstbaar zijn", en uit Mal. 1: "Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb ik gehaat".
Daarover een volgende keer verder: Samenvattend: Paulus spreekt in Rom. 9 over Esau en Jakob: 1. om te laten zien, dat Gods beloften nog steeds gelden; 2. om te laten zien dat ze gelden: niet voor het biologische, maar voor het geestelijke Israël.