Cynisme (2)
1989-06-09
- Jaargang 33
- nummer 12
3. Cynisme en de christelijke levensbeschouwing
Het kwaad opgemerkt en doorzien
Hier aangekomen wil ik een cynische levenshouding vergelijken met de kijk die een christen op de werkelijkheid heeft. Immers, ook de Bijbel spreekt over een wereld die kapot is, waarin veel verwrongen en verbogen is, waarin vervreemding een wezenlijke rol speelt. In Genesis 3 (vers 15 w.) gaat het om de vervreemding, om de vloek, die zich afspeelt op de drie niveaus die al eerder genoemd werden.
Wat het metafysisch niveau betreft, in Romeinen 8 lezen we dat de hele schepping kreunt en in barensnood is; ze is aan de vruchteloosheid onderworpen en wacht op het moment dat de hele schepping zal worden verlost. Als wij zeggen dat de héle wereld kapot is, uit haar verband is gerukt, dan is dat op zich dus geen onbijbelse uitspraak.
Ook op maatschappelijk niveau blijkt in Genesis 3 al meteen een knelpunt: Adam en Eva schuiven de schuld op elkaar af; ze spreken noch naar elkaar toe, noch naar God toe de waarheid: wat zfj hebben fout gedaan. De samenleving is géén bron van verlossing, maar veeleer een plek- één van de plekken - waar de zonde zich manifesteert.
Geen enkele maatschappelijke instelling is daarom vrij van zonde; overal kun je die aantreffen.
Ook op het individuele niveau, in het hart van ieder mens, is er gebrokenheid waar te nemen; uit zichzelf bevindt ieder mens zich ver van God.
Op alle drie niveaus merken we dat de Bijbel krachtig spreekt over het verkeerde en bedorven aanschijn van de wereld. In zijn onderricht spreekt Jezus ook nooit vergoelijkend of relativerend over het bestel van deze wereld. Lees bijvoorbeeld Johannes 2 vers 23 tot 25: ,,(velen) geloofden in zijn naam .... maar Jezus vertrouwde Zichzelf hun niet toe, omdat Hij hen allen kende, en omdat het voor Hem niet nodig was dat iemand van de mens getuigde; want Hij wist Zelf wat in de mens was." Jezus doorzag de mensen; met een diepborende blik drong Hij in hun diepste wezen door. En omdat Hij dieper met hen vertrouwd was dan zijzelf, vertrouwde Hij zichzelf niet aan hen toe. Hij was niet naïef, Hij was met mensen op zijn hoede. Ook leerde Hij ons om wijs te zijn als de slangen en argeloos als de duiven. Hij maakt ons duidelijk dat we niet in argeloosheid het kwaad over het hoofd mogen zien.
Als we het kwaad eenvoudigweg niet wénsen te zien, schuilt daarin géén verdienste! We worden bovendien een gemakkelijke prooi voor iedere huichelaar of zwendelaar, die ons pad kruist. Een 'christelijke werkelijkheidszin' vereist dat we onze ogen niet sluiten voor het kwaad. In de Bijbel gaat deze realistische kijk echter niet in een cynische levenshouding over.
Realisme, maar geen wanhoop
Laten we, om dat te verduidelijken, nog eens de al eerder genoemde drie niveaus langsgaan. Als de Bijbel spreekt over een gevallen wereld, valt ze tóch nooit de scepticus bij dat dit een godvergéten wereld is, waarin tevergeefs wordt gezocht naar hoop of verlossing. Dat dit een wereld is die niet gedragen wordt door een hogere macht. Dat alles zegt de Bijbel allemaal niet!
Als de Bijbel het heeft over de samenleving en de ordeningen daarin, is de boodschap dat er een breuklijn door deze alle loopt; geen ervan kan ons als zodanig verlossing brengen, geen ervan is van zonde vrij gebleven.
Als de cynicus dan zegt dat er dus geen énkele hoop bestaat dat er ooit iets verbeteren zal, dat er nóóit op iets goeds te rekenen valt, bevestigt de Bijbel deze mening echter niet. De Bijbel bevestigt niet onverkort het pessimistische idee dat in een gemeenschap nooit enige gerechtigheid of vrede kunnen worden bewerkstelligd.
Ook op het niveau van de individuele mens spreekt de Bijbel over het kwaad, dat diep in ieders hart is ingevreten. Je kunt eenvoudig niet volhouden dat alle kwáád in de samenleving schuilt, maar dat individuele mensen wel goed zijn. Niettemin, ook hier zegt de Bijbel niet dat de mens dus reddeloos is. Of dat de mens zó in zijn of haar zelfzucht en afzichtelijke oogmerken verstrikt zit, dat van geen enkel mens óóit iets te verwachten valt. Of dat er nooit enige vooruitgang of groei inzit, bij wie dan ook. De Bijbel ziet het kwade in de mens eerlijk onder ogen, ziet waar het met mens en wereld mis zit. Maar vervolgens weigert de Bijbel om tot ongebreideld pessimisme te vervallen. Feitelijk laat de Bijbel op elk van de terreinen ruimte voor een ènorme hóóp!
Ironisch
Het is ironisch om te zien dat de meeste cynische mensen hun leven met een grote mate van idealisme zijn begonnen; vaak hebben ze apert ontkend dat er een zondeval geweest is, dat deze wereld gekenmerkt wordt door gebrokenheid.
Velen hebben het christelijk geloof afgewezen, omdat ze het zo oneens waren met de boodschap van Genesis 3; dat was veel te negatief, zeiden ze. Maar als je in groot idealisme iets aanpakt, en je idealistische dromen vallen aan duigen, verval je gemakkelijk tot cynisme.
Het christelijk geloof, nota bene met geloof in de zondeval en wat daar maar bij komt, wordt je dan veel te positief!
En dat brengt ons oog in oog met het cynisme. Het verwijdert op metafysisch niveau alle zingeving. Op maatschappelijk niveau gaat alle hoop in rook op. Op gewoon menselijk niveau ziet men geen reden meer van iemands mogelijke integriteit en eerlijkheid uit te gaan.
De voornaamste cynicus
In de Bijbel is Satan de voornaamste cynicus. In die hoedanigheid komen we hem tegen in het eerste hoofdstuk van het boek Job, de vleesgeworden cynicus! God zegt: "Hier is Job, mijn dienstknecht".
Satan werpt tegen: "Nee hoor, dat is hij niet! Hij dient u niet voor niets, of wel soms? Misschien lijkt het zo, als je oppervlakkig kijkt, maar échte dienst is het niet! hij is er zóveel wijzer van geworden dat hij wel gek zou zijn, als hij u niet diende ..."
Satan bezweert God dat Jobs geloof in elkaar zal zakken, als God hem zijn geld, zijn gezondheid, zijn gezin of zijn aanzien. ln de samenleving zou afnemen. Zo kijkt een cynicus tegen het geloof aan: het is een mooi laagje vernis, maar daaronder gaan trots, zelfzucht en laaghartige motieven schuil. Zolang ons leven kalm verloopt, we alom gerespecteerd worden en we ons comfortabel door de samenleving voortbewegen, houdt die laag vernis het wel uit. Als in ons leven echter de dingen op losse schroeven komen te staan, als we échtlijden te verduren krijgen, dan komt naar buiten wat ons ten diepste beweegt. Zo spreekt de aartscynicus, de Satan, die niet voor niets ook 'de aanklager' heet.
Iedere christen zou die stem van de Satan moeten herkennen, als hij in ons leven hetzelfde wil teweegbrengen als hij in Jobs leven deed. Hij zal ons zeggen dat onze diepste motieven zelfzuchtig zijn, de meest laakbare die je je maar kunt indenken.
Maar een christelijk verstaan van de werkelijkheid weigert om dit zomaar voetstoots aan te nemen, want zó realistisch is deze zienswijze namelijk niet! Satan wás niet realistisch, eerlijk en moedig, toen hij Jobs motieven onder de loupe nam. Hij zat er zelfs helemaal náást!
De cynicus doet zich voor als iemand die ten koste van alles de onprettige waarheid van het leven boven water krijgt. Zo gaat hij door de samenleving, waar alle anderen naïef zijn en de harde waarheid niet onder ogen willen of niet durven zien, maar hij wel. Een christelijk realisme staat daar echter ver vandaan.
Ook wij moeten niet te snel alles maar geloven, maar onze scepsis moet wel binnen bepaalde grenzen blijven.
Drie begrenzingen
Drie begrenzingen zou ik daarbij, in kort bestek, willen noemen. Eén grens vinden we in de Bijbel als zodanig. Een andere wordt gevormd door ons besef dat wij niet van álles weet hebben. En een derde is dat we ook zélf zondaars zijn. Dat zijn overwegingen die ons voor ongebreidelde scepsis moeten bewaren.
Nu zou het prettig zijn, als we steeds scherp zouden kunnen onderscheiden waar werkelijkheidszin in cynisme overgaat. Dat is echter niet mogelijk, omdat een en ander zo nauw verweven is met wie we zelf zijn, met ons eigen denken en voelen. Maar er is wel degelijk een moment waarop realisme tot cynisme verwordt. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer we de illusie hebben álwetend te zijn! Dan sluipt er een element van arrogantie binnen, in onze wáán dat we méér weten dan in werkelijkheid het geval is.
Hoe kunnen wij echter Gods diepste bedoelingen kennen, zodat we tot de conclusie durven komen dat God deze wereld aan zijn lot overlaat?
Hoeveel wéten wij eigenlijk, dat we met grote stelligheid durven zeggen dat God er helemaal niet is?
Hoeveel weet hébben we eigenlijk van de mogelijkheden om in onze samenleving veranderingen ten goede te zien optreden? In hoeverre kénnen we echt de diepste roerselen van onze medemensen? In welke mate kunnen we echt in andermans leven onder de oppervlakte kijken en met zekerheid vaststellen wat zich daar bevindt?
Hindernissen genomen
De cynicus zegt dat hij/zij daartoe wel in staat is en tot echt oordelen bevoegd is. Zo komt men tot een keten van uitspraken, zoals dit Amerikaans voorbeeld. "Ik weet dat een aantal tv-dominees betrokken is bij schandalen, waarin ongeoorloofde seksuele relaties een grote rol hebben gespeeld." De volgende is: "álle televisie-dominees zijn huichelaars!"
En een derde stap is: "álle dóminees en evangelisten zijn huichelaars."
En het sluitstuk van de redenering is: "álle christenen knijpen de kat in het donker!" Het is maar één voorbeeld hoe talloze mensen, stap voor stap, tot cynische beschouwingen van het hele mensdom komen. De overgangen van de ene uitspraak naar de volgende zijn geenszins logisch gefundeerd; ze volgen zeker niet noodzakelijk uit elkaar. Niettemin, in een klimaat dat van een cynische levenshouding doortrokken raakt, valt velen zo'n redenatie maar al te gemakkelijk!
Heel soepel worden logische hindernissen van aanzienlijke omvang genomen ...
God spreekt soms vrij
Jezus die de mensen kende in een mate die voor ons onbereikbaar is; werd in dit alles géén cynicus! Hij zag om zich heen véél voosheid en valsheid, Hij geloofde lang niet alles wat men Hem zei, maar Hij was nfet cynisch. Van een volgeling, Nathanaël, zei Hij zelfs: "een Israëliet in wie geen bedrog is" (Johannes 1 : 48). Stel je voor dat Gód dat van een méns zegt: Dit is een eerlijk en integer mens! Een van de houdingen die ons voor cynisme bewaart is een zeer diepgewortelde nederigheid waarbij we zeggen: "dit weet ik wel", zónder dat we daaruit verdere conclusies durven trekken. We moeten erkennen dat er erg veel terreinen zijn waarvan we nagenoeg niets weten.
Cynisme moet worden afgewezen, nfet omdat het onaardig is, of negatief, maar omdat het veel dingen buiten beschouwing laat en de werkelijkheid géén recht doet. Vooral als iemand die niet cynisch wil zijn als 'naïef' bestempeld wordt, moeten we met nadruk de vraag stellen of dat wel klopt. Zo vaak verkeren we allemaal in een positie waarin we ons gemakkelijk laten meevoeren naar het cynisme. Maar valt ons dan niet op dat cynisme zoveel kapotmaakt?
Als een worm
Een cynische levenshouding verraadt een bewustzijn, dat geworteld is in zelfverdediging en zelfbescherming.
Ik denk zelfs dat dat element van zelfverdediging de rode draad is die de diverse terreinen of niveaus waarop dat cynisme zich manifesteert, met elkaar verbindt. Het moet ons namelijk behoeden voor teleurstelling, ontgoocheling en pijn. Het doet immers zo'n pijn, als je je hoop en verwachting aan scherven ziet gaan! Als je er dan bij vóórbaat al vanuit gaat dat het leven akelig is, dek je jezelf tegen zulke ontgoocheling in. Als je je verwachting vanaf het begin al niet te hoog stelt, loop je ook niet zo'n kans dat je op je gezicht gaat! Laten we eens stilstaan bij een intrigerende uitspraak van de Duitse filosoof Nietzsche: "Als men op een worm gaat staan, krult deze zich automatisch op.
Tenminste als hij voorzichtig en wijs is. Daarbij verkleint hij namelijk de kans dat iemand nóg eens op hem gaat staan. In de taal van de ethiek heet deze houding 'nederigheid'."
Een uiting van Nietzsches cynisme.
Naar mijn mening verraadt deze uitspraak namelijk een totaal verkeerd verstaan van de christelijke houding der nederigheid. Natuurlijk,· ik begrijp best waar hij het over heeft. Het is alleen niet de nederigheid waar de Bijbel het over heeft ...
Maar mag ik hetzelfde verhaal nóg eens vertellen en het woord 'nederigheid' vervangen door het woord 'cynisme'? Als een mens cynisch is, probeert hij of zij zichzelf te beschermen.
Cynisme drukt de houding uit van een worm die zich opkruit, opdat niet nog eens iemand op hem gaat staan. Waar die opgerolde houding ons grotendeels vrijwaart voor nieuwe teleurstellingen, beneemt die ons ook het zicht op wat in deze wereld ook goeden waardevol is. Cynisme beschermt ons niet écht; het houdt ons verwijderd van de dingen die het leven de moeite waard maken en het houdt je op afstand van onze medemensen. Het leven van een cynicus keert tot zichzelf in. Een cynicus kan op een gegeven ogenblik niet meer onderscheiden tussen wat echt en wat onecht is, eenvoudigweg omdat álles onecht is! Het onderscheid tussen echt en namaak valt weg, in een beleving waarin álles namaak is. Zo schreef C.S. Lewis een artikel onder de titel 'Bulverism', over een persoon die alles en allen doorziet, die zich niet laat beetnemen. Dat is dus de houding van iemand die zo verstandig en 'door de wol geverfd' is dat hij ieders diepste strevingen doorziet. Lewis zegt echter met zoveel woorden: als je door álles heen kijkt, zie je helemaal niets meer! Net als je niets meer ziet, als je door een wereld zou heenkijken die helemaal van glas is gemaakt.
Er vált niets meer te zien.
De Bijbelse term voor een cynicus is een 'spotter'. Vooral in het boek der Spreuken komen we hem tegen. In elke omgeving richt hij schade aan.
Zijn aanwezigheid is een gruwel, lezen we. Ook lezen we dat de houding van de spotter 'besmettelijk' is.
We moeten ons van die houding vérre houden! Het meest krachtige antwoord aan de cynicus lezen we in Spreuken 3 vers 34. Van de Here God staat daar geschreven: "Wanneer Hij met spotters te doen heeft, spot Hij zelf, maar de nederigen geeft Hij genade." Dat is een mogelijkheid waarmee de cynicus nóóit heeft gerekend! Dat in deze wereld zich een God zou tonen, die een bedoeling met deze wereld heeft, een bedoeling ten góede. De cynicus verheft zich boven zijn omgeving; meent hijzelf, omdat hij 'de wereld kent', 'door de wol geverfd is'. Hij kijkt op zijn omgeving neer, en doorziet ieder mens. Maar boven hem verheft zich nog een Ander; God zélf is cynisch over cynisme ..
Hij doorziet de motieven van de cynicus volkomen. En Hij zegt hoe naïef de cynicus feitelijk is. God lacht om hem, maar er zit smart in die lach. In de pretentie van alwetendheid proeft Hij weer de rebellie vari de mens tegen Hem. En Gods mening is de doodsteek voor de: cynicus.
De tegenpool van de cynicus blijkt zo niet de naïeveling, maar degene die waarlijk nederig is. Degene .namelijk die het leven scherp en met grote moed onder ogen wil zien.
Maar die ook zonder enige pretentie, zelfbedrog en illusie naar zichzelf kijkt.