Een structuur in de brieven van Paulus (2 - slot)

1989-06-09
  • Jaargang 33
  • nummer 12
We vervolgen de voorbeelden-reeks waarin de aangegeven structuur is te ontdekken.

G Ef. 3: 1-13
1. Daarom is het, dat ik, Paulus, die ter wille van Christus Jezus voor u, heidenen, in gevangenschap ben; 2. vers 2-5: 2.1 vers 2: ...de bediening door Gods genade mij gegeven ...
2.2 vers 3: ...door openbaring het geheimenis bekend gemaakt is...
2.3 vers 4: ...mijn inzicht in het geheimenis van Christus, 2.4 vers 5A:dat ... vroeger ... niet bekend geworden is...
2.5 vers 5B: zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten:
3. vers 6: dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie, 4. vers 7-12: 4.1 vers 7: waarvan ik een dienaar geworden ben naar de genadegave Gods, die mij geschonken is...
4.2 vers 8A: Mij, verreweg de geringste van alle heiligen is deze genade te beurt gevallen, 4.3 vers 8B + 9A: aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te .verkondigen, en in het licht te stellen, wat de bediening van het geheimenis inhoudt, 4.4 vers 9B: dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, 4.5 vers 10-12: opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden ...
5. vers 13: Daarom verzoek ik u met aandrang, de moed niet op te geven bij mijn verdrukkingen om uwentwil, want die zijn een eer voor u.
Zwakt Paulus zijn inzicht in het geheimenis van Christus af in Ef. 3:4?
Die vraag wordt gemakkelijker te beantwoorden, wanneer we letten op de structuur van dit gedeelte.
Vers 4 wordt geflankeerd door vers 3 en 5: het inzicht van Paulus is door openbaring bekend gemaakt, zoals het vroeger niet bekend is geworden. En niet alleen aan hem, maar aan de heiligen, apostelen en profeten. Aan Paulus echter in het bijzonder, zoals blijkt uit de tegenhanger, vers 8 en 9. Paulus noemt zich in vers 8A verreweg de geringste van alle heiligen om een tegenwicht te bieden tegen zijn dieper inzicht (zie Gal. 2).
Vergeleken bij mensen is zijn inzicht groter. Alleen vergeleken met de onnaspeurlijke rijkdom van Christus is zijn kennis een kennen ten dele.
Zoals hij ook in Rom. 11 spreekt over diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, over Gods ondoorgrondelijke beschikkingen en onnaspeurlijke wegen. Hoe zijn daarentegen christenen in al/e eeuwen niet tekort geschoten in het vormen van een begrip van het inzicht van Paulus, dat de heidenen niet alleen erfgenamen, maar ook mede-erfgenamen zijn in de belofte in Christus Jezus (vers 6).

H. 1 Tim. 3: 8-13.
1. vers 8 + 9: Evenzo moeten diakenen waardig zijn, niet met twee tongen sprekende, niet verzot op veel wijn, niet op winstbejag uit, maar het geheimenis des geloofs bewarend in een rein geweten.
2. vers 10: Laten ook dezen eerst op de proef gesteld worden, om daarna, als zij onberispelijk blijken, hun dienst te vervuIlen.
3. vers 11: Evenzo moeten vrouwen zijn: waardig, geen kwaadspreeksters, nuchter, betrouwbaar in alles.
4. vers 12: Diakenen moeten mannen van één vrouw zijn, hun kinderen en hun eigen huis goed' -bestieren.
5. vers 13: Want zij, die hun dienst goed hebben vervuld, verwerven zich een ereplaats en veel vrijmoedigheid om te spreken door het geloof in Christus Jezus.
Omdat in vers 11 de meeste voorwaarden die voor de diakenen van vers 8 en 9 gelden, voor vrouwen nog eens herhaald worden én omdat in vers 12 weer teruggekeerd wordt naar mannen, lijkt mij duidelijk, dat met de diakenen van 8-10 en 12-13 niet ook vrouwelijke diakenen bedoeld zijn. Dat in vers 11 alleen over de vrouwen van diakenen gesproken zou worden, is een onnodige beperking. Ook andere vrouwen die diensten in de gemeente verrichten, moeten aan de voorwaarden van vers 11 voldoen.
Omdat de vrouwen in het centrum genoemd worden, wordt aan hun dienstbaarheid een speciale ereplaats toegekend. Zij dienen vrijwillig en zijn vrijgesteld van de speciale dienstplicht. Een bijkomende reden om vrouwen te noemen in de verzen 3 : 8-13 is het noemen van vrouwen in 2 : 8-15 (zie 1.). In 2 :.8-15 wordt meer aandacht aan vrouwen besteed en in 3 : 8-13 wordt langer over mannen geschreven:

I. 1 Tim. 2 en 3.
1. vers 1-7 van 2: over koningen en alle mensen, van wie God wil, dat zij behouden worden.2. vers 8-15 van 2: mannen en vrouwen behoren vrij te zijn van alle twist en praalzucht.
3. vers 1-7 van 3: de opziener.
4. vers 8-13 van 3: de diakenen (zie onder H.).
5. vers 14-16 van 3: de gemeente van de levende God en de Here Jezus Christus.
Naast deze hoofdstukken 2 en 3 van 1 Timotheus zou men Lukas 22 : 25-27 (en gelijke gedeelten) moeten leggen, waar Jezus zegt: "De koningen der volken voeren heerschappij over hen en hun machthebbers worden weldoeners genoemd. Doch gij niet alzo, maar de eerste onder u worde als de jongste en de leider als de dienaar. Want wie is de eerste: die aanligt, of die dient? Is het niet, die aanligt? Maar Ik ben in uw midden als dienaar." Het lijkt mij aannemelijk, dat Paulus het tweede en derde hoofdstuk van 1 Timotheus geschreven heeft naar het stramien van Lukas 22 : 25-27 waar we dezelfde volgorde vinden: 1. koningen en machthebbers; 2. doch gij nietalzo; 3. de eerste onder u; 4. die aanligt of die dient; 5. de Heer Jezus is gekomen om te dienen.
Terwijl wij over het algemeen een rangorde hanteren die wat belangrijkheid in de gemeente betreft van opziener via diaken naar 'gewoon' gemeentelid loopt, is die rangorde in het koninkrijk van God kennelijk een andere kant uit gericht.
Paulus noemt zich zelf een dienaar in 1 Tim. 1 : 12 en noemt Timotheus (als opziener) in 1 Tim. 4: 6 een dienaar. En wanneer Paulus geen speciale verplichting om te dienen aan vrouwen oplegt, volgt hij het onderwijs van de Here Jezus, die ook Maria vrijstelt van de verplichting om te dienen waarom Martha vraagt (Lukas 10 : 38-42).

J. Gal. 3 : 5-14.
1. vers 5-9: Die u de Geest schenkt en: ' krachten onder u werkt (doet Hij dit) ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof? (Met een bewijs uit de Schrift:) Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham.
2. vers 10: Want allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.
3. vers 11 + 12: En dat door de wet niemand voor God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk; immers, de rechtvaardige zal uit geloof leven. Doch bij de wet gaat het niet om geloof, maar: wie dat doet zal daardoor leven.
4. vers 13:, Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt.
5. Zo is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door het geloof.

Filemon
Deze 'heuvelconstructie' heb ik in de afgelopen kerstvakantie ook eens gezocht in de brief aan Filemon.
Dat is de meest persoonlijke brief onder de brieven van Paulus in het N.T. en daarom viel te verwachten, dat daar deze constructie wellicht afwezig zou zijn. En tot mijn verbazing bleek toch nog onverwacht, dat ook in deze brief een tamelijk strakke structuur aanwezig is met de volgende indeling: 1. vers 1-3: groet 2. vers 4-7: dank voor liefde, trouwen' verkwikking van het hart, 3. vers 8-12A: de verhouding tussen Filemon Paulus - Onesimus - Filemon.
4. vers12B (het centrum, dat is mijn hart.
5. vers 13-19: de verhouding tussen Filemon Paulus - Onesimus - Filemon.
6. vers 20-22:
laat mij voordeel hebben; verkwik mijn gemoed; maak huisvesting gereed.
7. vers 23-25:groet.

In de brief liggen een aantal aanknopingspunten waardoor de opbouw duidelijk wordt: 1. Jezus Christus - 25 Jezus Christus.
1. medearbeider -24 medearbeiders , 2. medestrijder- 23 medegevangene. 3. Jezus Christus - 23 Christus Jezus.
4. in mijn gebeden - 22 dank zij uw gebeden.
7. het hart verkwikt is, broeder - 20 broeder, verkwik mijn gemoed. 8. u te gelasten - 19 gij zijt mij uzelf schuldig.
9. (ik,) Paulus - 19 Ik, Paulus. 10. mijn kind - 17 en 18 neem hem op, zoals gij het mij zoudt doen; breng mij in rekening, wat hij eventueel schuldig is. 11. zeer bruikbaar voor u - 15 en 16 opdat gij hem voorgoed zoudt terughebben ... als een geliefde broeder: 11. zeer bruikbaar voor mij - 13 opdat hij mij namens u zou dienen. 12. en ik zend hem naar u terug13 ik voor mij had hem wel bij mij willen houden.

Duidelijke signalen voor de compositie zijn het woord voor hart of gemoed in de verzen 7, 12 en 20 (in het Grieks wordt in deze verzen hetzelfde woord gebruikt), de woorden '(ik,) Paulus' in de verzen 9 en 19 en het woord 'broeder' in 7 en 20.
De zorgvuldige compositie maakt van deze brief aan Filemon een schrijven over slavernij, waardoor de maatschappelijke structuur van de slavernij volledig aangetast wordt. Paulus beroept zich' daarvoor op Christus. Hij heeft volle vrijmoedigheid in Christus om te gelasten wat betaamt, maar geeft ter wille van de liefde. de voorkeur aan een verzoek.

Slot
Het merkwaardige is, dat deze ontdekking van een structuur in de brieven, van Paulus niet brengt tot een volkomen ander inzicht dan wat 50 of 100 jaar geleden door Gereformeerden in Paulus' brieven gelezen werd, al zal er op ondergeschikte punten wel verschil zijn.
De oorzaak van de overeenkomst ligt in de vroeger toegepaste en niet genoeg te waarderen regel van het 'Schrift met Schrift vergelijken'.
Zoals er in 2 Petrus 1 : 20 en 21 staat, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige (of van de rest geïsoleerde) uitleg toelaat, omdat het dezelfde Geest is die spreekt.
De bedoeling van een tekst zal voor een groot deel mede bepaald worden door het zinsverband. Het is van belang te weten, wie de schrijver was van een evangelie of van een brief en voor wie of aan wie geschreven werd. Ook het doel waarvoor geschreven werd, bepaalt de onderwerpen die in het geschrift aan de orde komen. En daarom is het heel goed mogelijk, dat bij voorbeeld in het ene evangelie andere details genoemd worden bij een verhaal of dat de details een andere nadruk krijgen dan in het andere evangelie. Als men bedenkt, dat de schrijvers van de evangeliën zich wat betreft de lengte van de verschillende verhalen sterk hebben moeten beperken en dat de verhalen per evangelie ook wel in een ander verband verteld worden, dan kan het niet anders of er moeten een aantal verschillen optreden. Het goed recht van de 'harmonisatiepoging' mag in dit verband best nog wel eens naar voren gehaald worden.
En als er dan nog onduidelijkheid blijft bestaan, ligt het meer voor de hand de reden voor de onduidelijkheid te zoeken in het eigen gebrek aan kennis van de omstandigheden dan te concluderen tot een tegenspraak tussen de verschillende schrijvers van de bijbelboeken.

Litt.: J. Weiss, Der erste Korintherbrief, 1910.
John Bligh, Galatians in Greek, 1966 Amédée Brunot, Le génie littéraire de Saint Paul,1955.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief