Esau en Jakob (2)

1989-06-23
  • Jaargang 33
  • nummer 13
"De oudste zal de jongste dienstbaar wezen" (Genesis 25:23).
"Toch heb Ik Jakob liefgehad, maar.
Esau heb Ik gehaat" (Maleachi 1:3).

De vorige keer hebben we nagegaan, hoe Paulus In Romeinen 9 bij Esau en Jakob terechtkomt.
Vandaag bladeren we van Rom. 9 terug naar het Oude Testament, naar de belde teksten die hierboven staan, en we vragen ons af, welke betekenis die Schriftwoorden hebben, In Genesis en In Maleachi.

Genesis 25
Twee opmerkingen over dat woord van de HERE tot Rebekka: 1. Eigenlijk gaat het in deze profetie niet om personen, maar om volken.
Het is een profetie die naar de toekomst kijkt, en waarin, de HERE voorzegt, hoe het zal gaan met de twee volken, waarvan Rebekka nu de stamvaders in zich draagt: "Twee volken zijn in uw schoot, en twee natiën zien zich scheiden uit uw lichaam; de ene natie zal sterker zijn dan de andere, en de oudste zal de jongste dienstbaar zijn". Het gaat hier veel meer over Edom en Israël, dan over Esau en Jakob.
2. Het tweede sluit daar direkt bij aan; als het namelijk niet om personen, maar om volken gaat, dan kan het in Gen. 25 ook niet gaan over de uitverkiezing 'in onze zin van het woord'; niet over de uitverkiezing, ten leven, niet over verkiezing en verwerping. Dat is allemaal niet in beeld in Gen. 25. Waar gaat het dan wél om? Om de plaats van Israël en Edom in Gods heilsgeschiedenis.
God is op weg naar Zijn grote doel met mens en wereld. Waar loopt die weg langs? Langs de oudste, de eerstgeborene? Nee, zegt de Here; Ik kies wat je niet had verwacht: de jongste, de zwakkere, de niet-intel-zijnde. Langs Jakob, langs Israël loopt de lijn naar Mijn toekomst.
Betekent dat, dat Esau nu 'verworpen' is? Dat God niets meer met hem te maken wil hebben?
Nee, dat staat hier niet. Maar de weg van Gods heil, de weg naar Zijn toekomst: die loopt via Jakob.
En dat staat Esau voor de keus: onderwerpt hij Zich aan deze verrassende keus van de Here? Is Esau bereid om te leven van genade alleen, en niet van zijn biologische rechten als eerstgeborene? Als hij dát doet, dan is er leven, dan is er heil, ook voor Esau. Maar dan moet, Esau wel buigen voor Gods genadekeus, hij moet zijn toekomst vast willen maken aan de verkiezing van Jakob.
In Genesis 25 blijft het nog open.
Het kan nog beide kanten op. God heeft Jakob gekozen; maar Hij heeft in Gen. 25 Esau nog niet voor eeuwig verworpen. Dat blijft nog open.
En dan natuurlijk de vraag: Hoe is het verder gegaan? Wat heeft Esau/ Edom in het verdere verloop van de geschiedenis gedaan met Gods verkiezing van Jakob/Israël?
Daar is maar één antwoord op: Esau heeft de knieën niet willen buigen voor Gods genadekeus. Door heel het Oude Testament heen komen, we de haat tegen van Edom tegen Israël.
Het duidelijkst vinden we dat in de profetie van Obadja. Edom stond met leedvermaak toe te kijken toen ' Nebukadnezar Jeruzalem innam en de mensen wegvoerde in ballingschap.
Daar hadden ze nou echt plezier in!
En dan toornt de HERE tegen de Edomieten: "Wegens de gewelddaad aan uw broeder(l) Jakob zal schande u bedekken, en gij zult voor altoos worden uitgeroeid"
(Obadja vers 10).
Dat is een ander geluid dan in Gen. 25. Hier zijn we een eind verder in Gods geschiedenis. Wat in Gen. 25 nog openlag is nu tot een beslissing gekomen: Edom heeft gekozen tegen Israël, en daarmee tegen de Here.

Maleachi 1

Met Maleachi komen we aan het eind van het Oude Testament. Nu wordt de balans opgemaakt. Eli dan klinkt dat harde woord van de Here: "Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat". Het belangrijkste wat hiervan gezegd moet worden is: Dit woord van de Here staat aan het eind van een heel lange geschiedenis.
Het is ondenkbaar dat dit al in Gen. 25 had gestaan: "Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat". Dit zegt de Here pas, nadat Esau/Edom in een lange geschiedenis getoond heeft zich niet te willen onderwerpen aan Gods verkiezing van Jakob/Israël.
Deze haat van de Here is geen duister noodlot, geen volslagen willekeur waar Esau zonder faire kans aan is overgeleverd. Zo is de Here niet.
“Esau heb Ik gehaat". zegt de Here. Maar Hij zegt dat pas nádat Esau Edom eeuwenlang heeft geleefd in opstand tegen de Here.
Jakob heb Ik liefgehad - en Esau heb Ik gehaat.
Er is een diep verschil tussen de beide helften van die zin. Gods liefde voor Jakob is ongemotiveerd.
Voor Gods liefde is geen reden.
Maar Gods haat tegen Esau is wél gemotiveerd. Voor Gods haat is altijd een reden: menselijke schuld, menselijke opstand. Liefde: zónder reden; haat: mét reden!

Romeinen 9
In Rom. 9 citeert Paulus deze beide Schriftwoorden. Maar hij doet er iets opvallends mee: hij laat namelijk die hele lange lijn door de geschiedenis heen wegvallen.
In het Oude Testament zijn Gen. 25 en Mal. 1 van elkaar gescheiden door een lange geschiedenis waarin heel veel gebeurt - in Rom. 9 schuift Paulus deze twee woorden in elkaar; hij zet ze pal naast elkaar neer: De oudste zal de jongste dienstbaar zijn - Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat.
Paulus kan dat doen, omdat hij met een heel speciaal doel deze -twee namen naar voren haalt. Het gaat hem helemaal niet om die lange lijn door heel de geschiedenis heen; het gaat hem in Rom 9 alleen om het volstrekte genadekarakter van Gods verkiezing. En om dat te laten zien heeft hij de geschiedenis niet nodig; hij kan zonder bezwaar het beginnen het eindpunt van de lijn samen laten vallen.
Ongelukken gebeuren er pas als het Oude Testament dicht blijft bij het lezen van Rom. 9. Wie vergeet dat er een lange geschiedenis is geweest tussen Gen. 25 en Mal. 1; wie met alleen Rom. 9 aan de haal gaat en de rest van de bijbel dicht laat, die komt in de grootste problemen terecht. Dan gaat God onvermijdelijk lijken op een tiran die naar willekeur handelt, en die mensen zomaar afschrijft voor Zijn Koninkrijk.
En zo is Hij niet. Zo leren we Hem niet kennen uit het geheel van Zijn openbaring. Integendeel: Hij is de God, die Zijn genade wegschenkt, voor niks, aan ons, aan mensen die dat niet verdiend hebben. Wij leven, dag in dag uit, van Zijn liefde en genade.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief