Fundamentalisme (4)

1989-06-23
  • Jaargang 33
  • nummer 13
5. Reserves (vervolg)

C. Harmonisaties
Ook bij de manier waarop het fundamentalisme uiteenlopende berichten in de bijbel over een en dezelfde gebeurtenis harmoniseert, zijn - vraagtekens te plaatsen. Vanuit de 'exacte' leeswijze is het inderdaad noodzakelijk, de verschillende weergaven van bv de gebeurtenissen op de dag van Christus' opstanding met elkaar in overeenstemming te brengen. Als Markus schrijft dat Maria van Magdala samen met Maria de moeder van Jakobus op weg ging toen de zon opging, dan is dat volgens het fundamentalisme echt gebeurd. Maar als Johannes schrijft dat Maria van Magdala in haar eentje op weg ging toen het nog donker was, moet dat even zeer echt gebeurd zijn. Hoe kan dat allebei tegelijk waar zijn? Alleen wanneer de berichten elkaar aanvullen en in elkaar geschoven kunnen worden.

De opstanding
Nu lijkt het mij niet goed, om hier verachtelijk over te doen. Sterker nog: de historische feitelijkheid van de opstanding van Christus vraagt erom, dat wij de verslagen van de evangelisten op elkaar betrekken.
Want naarmate meer benadrukt wordt, dat de evangelisten onafhankelijk van elkaar elk hun eigen verhaal schrijven over de opstanding, des te minder zekerheid bestaat er over het historisch gehalte van die verhalen. Daarbij gaat het bepaald niet alleen over zulke kleine details als het tijdstip waarop Maria van huis ging. Zo is Johannes de enige evangelist, die vertelt dat ook Petrus en hijzelf naar het graf van de Here Jezus zijn toegegaan, nadat zij het wonderlijke verhaal hadden gehoord dat het leeg zou zijn. Weliswaar bericht ook Lukas 24:12 over een bezoek van Petrus aan het graf, maar daar is van Johannes geen sprake. Bovendien is het niet zeker dat dit vers tot de oorspronkelijke tekst van het evangelie behoord heeft; vandaar dat het in de vertaling van het NGB binnen vierkante haken geplaatst is. Wanneer je nu het verhaal van de tocht van Johannes en Petrus beschouwt als een exklusieve bijzonderheid van het vierde evangelie en er daarom principieel van afziet, het een plaats te geven binnen het raam van de berichten van de andere evangeliën, wordt het onduidelijk of hier nog sprake is van geschiedenis of niet.
En inderdaad zijn er nieuwtestamentici die ervan uitgaan, dat het bezoek van Petrus en Johannes aan het graf in scene is gezet door de evangelist.
Dat nu lijkt mij een veel te onvoorzichtige benadering. Naar ik meen is het enkele feit dat dit voorval alleen door Johannes verteld wordt, niet voldoende reden om de historiciteit aan het verhaal te ontzeggen. Menige bijbelgeleerde houdt om verschillende redenen rekening met de mogelijkheid, dat Johannes 20 wel degelijk een historische aanvulling geeft op bv Markus 16. Maar daarmee is het goed recht van harmonisatie-pogingen gegeven. Alleen: op zijn beurt kan het fundamentalisme daarbij ook zo onvoorzichtig te werk gaan. Het praat de verschillen tussen de verslagen wel érg gemakkelijk weg. Het feit, dat de evangelisten zó hun eigen gang gaan bij de berichtgeving, is toch op z'n minst verbazingwekkend. Want waarom gaan Mattheüs en Markus er geheel aan voorbij, dat ook Petrus en Johannes het lege graf in ogenschouw hebben genomen? En waarom is in Lukas 24:8 alleen sprake van Petrus? En waarom noemt Johannes alleen Maria van Magdala, terwijl er volgens Mattheüs twee vrouwen naar het graf gingen en volgens Markus zelfs drie? Het lijkt er al met al niet zo erg op, dat het de evangelisten om een nauwkeurige verslaggeving te doen is geweest; daarvoor springen zij met de details te slordig om. Zo wordt bevestigd, wat ik in het vorige artikel schreef: de bijbelschrijvers beogen geen exacte weergave van de gebeurtenissen; terwille van de boodschap die van de feiten uitgaat, nemen zij niet zelden de vrijheid om die feiten op geheel eigen wijze te rangschikken.

Calvijn
Maar neem ik nu niet met de ene hand terug wat ik met de andere geef? Wat blijft er over van de erkenning van het goed recht van harmonisatie, als tegelijk wordt toegegeven dat je de verslaggeving van de bijbelschrijvers niet voor strikt nauwkeurig hoeft te houden?
Inderdaad zit er een spanning tussen die beide. Maar naar mijn mening doen wij de bijbel alleen recht als wij die spanning laten bestaan.
Een mooi voorbeeld van zo'n omgang met het evangelie vind ik bij Calvijn. Bij zijn bespreking van de verschillende berichten over de 'gebeurtenissen op de dag van Christus' opstanding, gaat hij een heel eind in het glad strijken van plooien en het verklaren van tegenstrijdigheden.
Maar als het erom gaat, dat volgens het ene evangelie Christus aan Maria verscheen vóór zij de ontdekking van het lege graf aan de apostelen gemeld had en volgens het andere daarna - vergelijk Mattheüs 28:9 met Johannes 20:2, 11-18 - dan houdt hij ineens op met het in elkaar passen en verklaart: "Hier is de volgorde van de gebeurtenissen omgekeerd. Dat hoeft ons niet te bevreemden. Bij de Hebreeën is het heel gebruikelijk, een gebeurtenis vroeger mee te ' delen dan overeenkomt met de chronologische volgorde." Hier kent Calvijn dus duidelijk aan de bijbel~ schrijvers een zekere vrijheid toe in hun omgaan met de historische feiten. Daarmee geeft hij aan dat er grenzen zijn aan de noodzaak om bijbelse berichten met elkaar kloppend te krijgen.

D. Onjuistheden in de bijbel?
Maar betekent dat niet dat wij moeten konkluderen, dat er tegenstrijdigheden in de bijbel voorkomen en dat sommige bijbelschrijvers dingen beweren die strikt genomen niet juist zijn? Inderdaad; die konklusie is onontkoombaar. Vandaar ook dat het fundamentalisme met hand en tand het harmoniseren van bijbelverhalen verdedigt: als je dat niet doet, is het met de 'foutloosheid' van de Schriften gedaan. Maar is dat zo erg? In 'Opbouw' van 4 september 1987 heb ik er al op gewezen, dat diezelfde Calvijn zonder blikken of blozen kan spreken over vergissingen van bijbelschrijvers die gekorrigeerd moeten worden.
En wat te denken van zijn lakonieke opmerking, "dat Petrus op zeer verwarde wijze veel zaken bij elkaar zet"? In zijn kommentaar op Romeinen 3:4 zegt hij, dat de apostelen "dikwijls tamelijk vrij " zijn in het aanhalen van, de Schriften; hij voegt er aan toe: "Zij hebben niet zo grote verering voor de woorden gehad." Dat alles wijst erop, dat Calvijn oog heeft gehad voor de verwerking van Gods openbaring door de bijbelschrijvers.
De fundamentalisten vinden dat een griezelig standpunt; zij vrezen immers, dat de glans van Gods openbaring wordt verduisterd wanneer men zou erkennen, dat de bijbelschrijvers hun eigen stempel hebben gedrukt op het Woord van God.
Die vrees heeft iets sympathieks en begrijpelijks. Want hoe vaak heeft men niet de betrouwbaarheid aan bijbelwoorden ontzegd, door te schermen met de menselijke gebrekkigheid die eraan zou kleven?
Hoe gemakkelijk laten sommigen het gezag van de bijbel vallen, door bepaalde teksten af te doen als 'menselijke interpretaties' en de bijbelschrijvers beperktheid van inzicht toe te schrijven. Het fundamentalisme vecht niet tegen windmolens: de 'menselijkheid' van de Schrift funktioneert inderdaad niet zelden als een argument om haar minder serieus te nemen.

Het gezag en debetrouwbaarheid van de bijbel.
Maar is dat noodzakelijk? Lijdt het gezag van de apostelen er automatisch onder, als men erkent dat zij nogal vrij zijn omgesprongen met de letterlijke tekst van het Oude Testament?
'Is de berichtgeving van de bijbelschrijvers per definitie minder betrouwbaar, wanneer zij niet altijd exact juist is doordat zij hier en daar aanpassingen heeft ondergaan terwille van de verkondiging van Gods heilshandelen? Ik zou bijna zeggen: integendeel! Want juist in zijn centrale funktie, het getuigenis van Jezus Christus, kan de bijbel niet volstaan met de exacte registratie van bepaalde feiten. Die feiten geven namelijk hun boodschap niet zómaar prijs; zij moeten uitgelegd wordenl Zo is Paulus' prediking niet het verslag van een door ieder waarneembare feitelijkheid, maar de onthulling van een geheimenis, van de verborgen wijsheid Gods (1 Cor.
2:7,8). Alleen dankzij de specifieke rangschikking ofwel uitleg van de feiten, verkondigen de verschillende evangeliën ons de werkelijkheid van Christus' opstanding. Hoe exacter zij verslag zouden doen, des te schraler en nietszeggender zou hun getuigenis zijn! Dáárom kon Calvijn zo doodgemoedereerd over 'vergissingen' in de Heilige Schrift spreken en hoeven wij het fundamentalisme niet te volgen in zijn angst om aan te nemen, dat er tegenstrijdigheden en 'onjuistheden' in de bijbel staan.
Noch de kracht, noch de zwakte van de bijbel ligt in zijn al dan niet exacte registratie van gebeurtenissen.
Want met de kennis van de precieze feiten is nog niet de toegang ontsloten tot het heil dat erin verborgen ligt. De grote heilsfeiten gaan pas als zodanig tot ons spreken, wanneer de bijbelschrijvers er op hun wijze over vertellen. Van die verkondiging geloven wij, dat zij volkomen gezaghebbend en betrouwbaar is en met het oog dáárop erkent de kerk dat de bijbelse leer "zeer volmaakt en in alle opzichten volledig is" (NGB art. 7). Niet in zijn chronologie of archeologie, maar in zijn theologie, zijn spreken over God dus, is de bijbel de 'onfeilbare regel' voor ons geloof (NGB art. 7). Die belijdenis moeten wij inderdaad tegen alle Schriftkritiek in handhaven, zeker in een tijd als de onze, waarin Jan en alleman vrijmoedig meent zijn visie op Jezus naast en in plaats van die van de bijbelschrijvers te mogen plaatsen. Het is dunkt mij van. levensbelang, om tegenover die willekeur de bijbelboeken te blijven "aanvaarden als heilig en kanoniek om ons geloof daarnaar te richten" (NGB art. 5).

E. Theologie
Zoveel belangstelling als het fundamentalisme heeft voor: de chronologische en archeologische betrouwbaarheid van de bijbel, zo weinig werk maakt het van bijbelse theologie.
In theologisch opzicht volstaat het eigenlijk met het opsommen van een aantal belangrijke leerstukken, zonder veel aandacht te schenken aan de doordenking daarvan. In fundamentalistische geloofsbelijdenissen worden bv uit de klassieke leer van de kerk thema's overgenomen als de drieëenheid van God, de twee naturen van Christus, zijn maagdelijke geboorte en zijn wederkomst.
Maar erg veel nagedacht wordt er over deze formuleringen niet; zij fungeren eigenlijk alleen maar als dogma's waar een gelovige het mee eens moet zijn. Daardoor staat het fundamentalisme in wezen vrij weerloos tegenover de vrijzinnigheid, die zich juist op het gebied van de theologische doordenking van het evangelie zo sterk maakt. Ik geef een voorbeeld.
In de Beginselverklaring van het Instituut voor Evangelisatie wordt het volgende over de drieëenheid van God beleden:

Er is één ware God, die eeuwig bestaat in drie personen - Vader, Zoon en Heilige Geest - die elk in gelijke mate al de eigenschappen van de Godheid bezitten en de kenmerken van een persoonlijkheid hebben.

Dat begrip 'persoonlijkheid' lijkt heel verhelderend te zijn, maar doet intussen geen recht aan het oorspronkelijke dogma. Want toen de oude kerk beleed, dat God één wezen in drie personen is, bedoelde zij zeker niet te zeggen dat er drie 'persoonlijkheden' in God zijn. Dat zou namelijk veel te dicht bij de voorstelling van drie goden gekomen zijn.
Het filosofische begrip 'persoon' had geen andere bedoeling dan aan te duiden dat er drie zelfstandigheden in God zijn, wiens eenheid echter voorop staat.
Is dit theologische muggezifterij?
Zeg dat niet te snel. Niet alleen is het bij evangelisatie onder moslims van belang, om de leer van de drieëenheid vooral niet te laten lijken op de voor hen (terecht!) monsterachtige leer van een driegodendom, maar ook zal het de vrijzinnige theologie niet moeilijk vallen de gebrekkigheid van deze drleëenheidsleer aan te tonen. In de konfrontatie met een gesekulariseerd christendom kun je je dergelijke theologische slordigheden echt niet permitteren.
Omgekeerd zijn het juist nietfundamentalisten geweest, die door hun gedegen theologische werkwijze de vrijzinnigheid krachtig van repliek hebben gediend. Ik herinner aan het in het voor-vorige nummer aangehaalde artikel van prof. Bakker.
Nergens in het fundamentalisme ben ik zo'n sterk betoog tegen het 'wel waar, maar niet echt gebeurd' verhaal tegengekomen als bij hem! Ik wijs ook op prot. dr. A.A. van Ruler, die laat zien dat je geen fundamentalist hoeft te zijn om toch te kunnen geloven in de maagdelijke geboorte van de Here Jezus. In dit verband zou ik ook 'onze' drs. H. de Jong met ere willen noemen, die juist in zijn' niet-fundamentalistische omgang met de Schrift het moderne theologische denken steeds weer zo diepborend analyseert en overtuigend ontmaskert.
Kortom: in theologisch opzicht maakt het fundamentalisme het zich mijns inziens te gemakkelijk en heeft het iets ondieps. Juist omdat het met zoveel recht protest aantekent tegen een kerkelijke en theologische beweging waarin het bijbelse geloof wezenlijk wordt aangetast, is dat te betreuren. Voor een werkelijke konfrontatie met de tijdgeest komt meer kijken dan het afschieten van dogmatische losse flodders.

6. Fundamentalisme en orthodoxie

Aan het begin van deze reeks artikelen wees ik op de verwarring die rond het begrip 'fundamentalisme' heerst. Men kan Khomeini, maar ook de Hervormers 'fundamentalisten' noemen. Soms slaat het woord op een krampachtige .manier van omgaan met de bijbel, dan weer op een christendom dat belijdt dat de Here Jezus uit een maagd geboren is. Mij komt het voor, dat het een oneigenlijk gebruik is van het woord 'fundamentalist' om het toe te passen op alles en iedereen die zich verzet tegen het moderne denken.
Het is noodzakelijk om te onderscheiden tussen fundamentalisme en orthodoxie. Prof. Van Ruler was een orthodox theoloog, die met overtuiging het leerstuk van de maagdelijke geboorte verdedigde, maar hij was per se geen fundamentalist.
Luther en Calvijn hadden een grenzeloos respekt voor de Heilige Schrift, maar waren in hun Schriftbeschouwing niet fundamentalistisch.
Omgekeerd kunnen fundamentalistische christenen er zulke wonderlijke ideeën op nahouden, dat zij zich behoorlijk ver verwijderen van de klassieke orthodoxie.
Vandaar dat ik er de afgelopen weken voorheb kunnen pleiten, om als christenen uit de reformatorische traditie niet te klakkeloos fundamentalistische posities in te nemen.
Toch moet men de verschillen ook, weer niet overdrijven. Mensen met een fundamentalistische Schriftopvatting kunnen zulke vurige volgelingen van de Here Jezus zijn, dat het niet moeilijk is hen met veel blijdschap als broeders en zusters in de Heer te herkennen. Veel minder moeilijk in elk geval, dan die vrijzinnige christenen die het geloof zo akelig op maat snijden van de secularisatie.
Het zou me gezien die verwantschap dan ook niet verbazen, als men vanuit de vrijzinnige hoek 'Opbouw' zou afdoen als en 'fundamentalistisch blaadje'. Ik stel voor om dan als volgt te reageren: daar klopt niks van, maar we zullen die naam fier dragen!

Aanbevolen literatuur: James Barr, Fundamentalism, Londen 1977.
J. T. Bakker, Het gezag van de Schrift, in: De bijbel in het geding, Nijkerk 1968.
J. Veenhof, Het fundamentalisme en de gereformeerden, in: Gereformeerd Weekblad, jaargang 37 no. 3.
Rondom het Woord, 248 jaargang no. 2 (themanummer over o.a. het fundamentalisme).
Credo, 7e jaargang no. 9 (themanummer over het fundamentalisme).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief