Als alles politiek is... (3)
1989-06-23
N.a.v. Henk Woldring, 'Als alles politiek is ...' - Jaargang 33
- nummer 13
Uitg. Kok, Kampen, 1987, 93 blz.
prijs f 14,90
4. De principes van humaniteit.
Het koninkrijk Gods.
Kuitert ziet de principes van humaniteit (zorg voor de armen en verdrukten, etc.) als 'restanten van Gods goede schepping', die bewaard zijn gebleven dankzij Gods weerhoudende genade. Alle mensen kennen volgens hem deze principes.
Woldring vraagt zich af of deze restanten zonder belichting vanuit het Evangelie als Gods 'goede boodschap' juist begrepen zullen worden (blz. 43). Calvijn schreef in zijn Institutie, dat buitenchristelijke moraal niet zichzelf funderend is, geen autonomie bezit, maar een voorbeeld is van Gods bewarende genade en gezindheid jegens alle mensen. Deze moraal wordt volgens hem geïncorporeerd in de boodschap van het Evangelie. Calvijns opvatting maakt volgens Woldring duidelijk, dat een christen vanuit zijn geloof (vanuit het Evangelie, vK) anders naar de werkelijkheid kijkt dan een niet-christen en niet alleen een op de scheppingservaring, maar ook een op Christus betrokken en als zodanig een dynamische en vanuit zijn geloof (Evangelie, vK) te korrigeren moraalopvatting heeft (blz. 44). Woldring bestrijdt Kuitert dus wanneer deze schrijft, dat we voor morele kennis de Bijbel niet nodig hebben. Niettemin hebben vele christelijke auteurs ook in het verleden naar voren gebracht dat er in alle culturen en samenlevingen dankzij Gods weerhoudende genade moreel besef bestaat van universele principes van humaniteit, die in Gods schepping liggen. Men noemt dit wel de 'relatieve autonomie' (relatieve zelfstandigheid) van het algemene morele besef. Kuitert spreekt van de ervaring van de wereld met de schepping; hij spreekt niet van 'scheppingsorde'. Hij wil daarvan niet weten, omdat al het bestaande volgens hem produkt is van historische ontwikkeling. Te vaak heeft men, aldus ook Woldring, in de geschiedenis van het christendom een bestaande maatschappelijke en/of politieke situatie met een beroep op 'normatieve scheppingsordeningen' of als 'door God gewild' gerechtvaardigd. Na verloop van tijd bleek men echter door gewijzigde omstandigheden de scheppingsordeningen te moeten bijstellen en de 'wil van God' anders te moeten interpreteren.
Woldring wil weten van een 'scheppingsorde'; het betekent volgens hem een verwijzen naar de zin, de potenties en de principes van de natuur en van de samenleving, die beter ontwikkeld kunnen worden, maar ook een verwijzen naar het herstel van de thans ernstig verstoorde zin van de werkelijkheid: de verwachting van de uiteindelijke vernieuwing van de wereld (blz. 47).
Kuitert betrekt deze wereld niet op het Koninkrijk Gods, maar verklaart de wereld min of meer autonoom wat de moraal, de principes van humaniteit betreft. De wereld heeft volgens hem de Bijbel immers niet nodig, maar weet op grond van de ervaring met de schepping zelf wel wat er maatschappelijk en politiek geweten moet worden.
De algemene principes van humaniteit, die in Kuiterts opvatting een cruciale rol spelen, krijgen in de opvatting van Woldring hun interpretatie en nadere uitwerking in maatschappijbeschouwingen en politieke filosofieën en ideologieën. Voor een christen dient de werkelijkheid altijd betrokken te worden op het Koninkrijk Gods, dat wil Woldring ons duidelijk maken en deze opvatting is volgens mij bijbels in tegenstelling met die van Kuitert.
Mensen, die denken, dat er een wil van God bestaat voor de maatschappelijke en politieke orde hangen volgens Kuitert een theologische constructie van theocratie (Godsregering) aan, die volgens hem uit de tijd is. Waar de kerk en het volk samenvallen kan een theocratie bestaan (in Israël destijds en nu in Iran, ayatollah Khomeini).
Alleen in een theocratie kan volgens Kuitert de bergrede tot politiek ideaal worden verheven. Wij leven echter in een situatie, dat de kerk en volk niet samenvallen: vandaar de twee rijken dus Woldring bestrijdt ook op dit punt Kuitert (blz. 50 e.v.).
Hij schrijft, dat juist in de theocratie van het oudtestamentische IsraëI volk en gelovigen heel vaak niet samenvielen. Menig profeet was een 'roepende in de woestijn'. Met theocratie bedoelt Woldring: de Here regeert over de werkelijkheid.
Zowel Calvijn als bv. Abraham Kuyper hebben de roeping van de christen benadrukt bezig te zijn "op alle terreinen van het leven". Beide laatstgenoemde auteurs hebben benadrukt, dat niet alleen de ziel, noch alleen de kerk ..maar ook het publieke leven de plaats is, waar het koningschap van Christus tot erkenning moet worden gebracht. De aarde is immers 'des Heren'. Zij wacht op de definitieve bevrijding van het kwaad.
Kuitert zal hier opmerken: allemaal goed en wel, maar waaruit blijkt dat christenen het in de wereld beter doen dan nlet-chrlstenen: wat maken christenen van de erkenning van het koningschap van Christus over het publieke leven. Allemaal mooie praatjes, maar het zet geen zoden aan de dijk.
Inderdaad, gebaseerd op de ervaring, doet de wereld het vaak beter dan/dan wél op zijn minst evengoed als de kerk(mensen) wat de oplossing van maatschappelijke problemen betreft. Woldring heeft niettemin gelijk, "dat het leven, ook het publieke leven, gericht dient te zijn op het Koninkrijk Gods, al is het volgens mij niet eenvoudig dit in de praktijk met name in het opzetten van strukturen in de samenleving.
die een menslievende samenleving naar bijbelse normen in het leven roepen, te realiseren. Wanneer zijn die structuren bijbels verantwoord; dit blijft natuurlijk een kwestie van interpretatie. Schrijft de Bijbel voor, dat in een land aan sociale zekerheid één vierde van het nationaal inkomen (= nationale produktie) moet worden uitgegeven?
God laat Zijn handelen niet opsplitsen in enerzijds dat van de Schepper en anderzijds .ln dat van de Verlosser, schrijft Woldring (blz. 53). Hij verwijt Kuitert neo-scholastiek denken, dat de speerpuntfunctie zowel
in de theologie als in de verkondiging voor de politiek haar scherpte ontneemt. Woldring benadrukt de politieke speerpuntfunctie van kerk en theologie en concludeert daarom tot een politiek engagement van de kerken. Voor christenen is volgens hem meedoen in de politiek een geloofszaak, omdat zij vanuit hun geloof (Evangelie, vK) zich willen inzetten voor de naaste.
Politieke en maatschappelijke betrokkenheid noemt hij een moderne vorm van naastenliefde (blz. 55).
In het laatste hoofdstuk van zijn boekje, hfd. 4, komt Woldring met zijn eigen standpunt, ten aanzien waarvan ik de volgende opmerkingen zou willen maken. Maar eerst Woldrings argumentatie.
5. De politieke speerpuntfunctie van kerk en theologie
Kuitert erkent alleen een politiek spreken van de kerk in noodsituaties, waarbij bv. door onderdrukking van de politieke opvattingen van (chr.) politieke partijen niemand meer politiek mag bedrijven, zoals in nazi-Duitsland en thans in bv. Polen. In dergelijke noodsituaties functioneren de politieke partijen niet dan wel zijn verboden door de bezetter of de overheid. Dan moet ook volgens Kuitert de kerk spreken en optreden als de stem van de stemmelozen.
De kerk is echter het evangelie toevertrouwd, aldus Woldring, en daarom moet zij wel (en dus niet alleen in noodsituaties) politiek spreken, hetzij in verkondiging, hetzij in, synode-uitspraken. Alleen, indien zij politiek spreekt dan wel onder de konditie, aldus Woldring, dat haar volstrekt eigen inbreng moet blijken; dat wil zeggen een geheel eigen ofte wel typisch op de verkondiging geënte argumentatie moet haar politiek spreken authenticiteit (echtheid en geloofwaardigheid) geven (blz. 59/60).
Het probleem is volgens hem niet zozeer of en hoe concreet kerkelijke uitspraken over de politiek behoren te zijn, maar hoe 'diep' of hoe geargumenteerd.
De eenheid of eensgezindheid van of in de kerk mag hierbij niet het leidend beginsel zijn, aldus Woldring, maar de evangelieverkondiging. Want echte evangelieverkondiging, ook voor het politieke en maatschappelijke leven, mag niet geënt zijn op het beginsel van 'kolen en geiten' sparen. Dat is volgens hem namelijk niet de eenheid waarvoor Christus gebeden heeft. Er zijn altijd wel kerkleden, die het niet met een politieke uitspraak van de kerk eens zijn. Dan moet dat volgens Woldring worden doorgepraat en gepraat worden waarom men het niet met de uitspraak eens is. Tegen dit standpunt is naar mijn mening niets in te brengen althans wat de principiëIe argumentatie betreft. Ik vrees echter wel een enorme toename van polarisatie en onverdraagzaamheid, indien Woldrings standpunt in de kerk in praktijk wordt gebracht. Ik ben bang, dat hij de mogelijkheden om politieke zaken in de kerk uit te praten overschat. Zonder die zaken is echt (door)praten met elkaar in de kerk al moeilijk genoeg, dacht ik.